Over Ada en George, over vaders en dochters, over gelukkig worden en over hoe alles samenhangt

Ik wilde nog een conversatie posten met Sven Gatz, maar mijn dochter zei, nee, dit lijkt nergens op. Wat heb je trouwens met die Sven? Wie is die kerel? Waarom post je niets over mij? Zoals toen ik moest overgeven in de auto. Weet je nog, dat vond je grappig.
Je kreeg de auto niet snel genoeg aan de kant, stak me een handdoek toe en ik kotste die helemaal onder. En toen zei ik: ‘Hmm, die oreo’s smaken nog altijd even zoet.’

Dus, op haar verzoek: een post over mijn dochter – en bij uitbreiding over alle vaders en dochters, en over hoe alles samenhangt en hoe een mens soms gelukkig wordt op onverwachtse wijze.

Mijn dochter heeft herexamen literatuurgeschiedenis. Ik help haar. We zoeken samen dingen op. Enfin, zij vraagt en ik zoek op. Maar we leren bij. Ik toch. En we zien films. Zoals Byron.

Wat een kerel die George.
Lord Byron was één van de grootste dichters aller tijden, zwom de Hellespont over, versloeg de Turken in Griekenland, sliep met alles wat zich op zijn weg bevond, man of vrouw, zijn zus, in openingen al dan niet voor dergelijke praktijken bestemd.

Byron leidde een leven dat zo vol was, dat hij aan de bron lag van een nieuw soort held, de Byronische held. Maar daar stopt het niet.
Byrons levenszuigende karakter was de inspiratie voor vampierboeken. En tijdens een beroemde, stormachtige nacht, aan het meer van Genève, daagde hij zijn goede vriend en collega-poëet Shelley en diens vrouw Mary uit spookverhalen te vertellen. Percy en Byron bedachten het ene verhaal na het andere. Maar Mary schudde elke avond beteuterd haar hoofd. Tot de bliksem insloeg en Mary een man tot leven zag komen. En ze schreef Het Monster van Frankenstein.
Eén ding is duidelijk, als ik groot ben, wil ik Byron worden.

4243,George Gordon Byron, 6th Baron Byron,by Richard Westall

Maar het mooiste moet nog komen. Byrons dochter was Ada Lovelace. Ada kende ik, maar ik had geen idee dat ze de Byrons dochter was.

Ada was een geniale vrouw. Ze schreef het eerste computeralgoritme, bedoeld om Bernouilli getallen te berekenen. Ze werkte samen met Charles Babbage, algemeen beschouwd als de vader van de computer.
Babbage was vol lof voor Ada. ‘Vergeet alle wereldse problemen, gooi alle charlatans buiten’, schreef hij, ‘Ada is de Tovenares van de Getallen.’

Er is een computertaal naar haar genoemd – Ada – en elk jaar viert de wetenschappelijke wereld de Ada Lovelace Day, een dag ter ere van verwezenlijkingen van vrouwen in wetenschap en technologie.

Ada Lovelace

Ada heeft haar vader nooit gekend. Ada’s moeder haatte Byron. Ze vond hem een waanzinnige en hield haar dochter weg van alles wat naar Byron rook. Ze voedde Ada op met wiskunde en statistiek. Maar Ada koesterde haar vader in haar hart en bleef haar hele leven in hem geïnteresseerd. Ze trachtte de poëtische exuberantie van haar vader en de statistische berekendheid van haar moeder in haar te verenigen. Ze ontwikkelde een visie, die ze poëtische wetenschap noemde.
Ooit zouden computers meer kunnen dan puur sommen uitrekenen, voorspelde ze. En ze beeldde zich in hoe mens en technologie ooit verenigd zouden kunnen worden.
Toen ze stierf, vroeg ze naast haar vader begraven te worden.

Ada_Lovelace_computer

Uit onderzoek blijkt dat de twee beste karaktereigenschappen om gelukkig te zijn dankbaarheid en leergierigheid zijn. En kijk, ik heb vandaag weer veel bijgeleerd, en ik ben er dankbaar voor.
Dus dank je, Ada Lovelace, en dank je, Lord Byron, voor het leven dat jullie hebben geleid.
En vooral dank je, m’n lieve dochter, omdat je tweede zit hebt. Het maakt me blij.

De zoete smaak van verontwaardiging

Een tandarts uit Minnesota schiet Cecil dood. Cecil is een leeuw uit Zimbabwe. Mensen houden van Cecil. Mensen houden niet van de tandarts.
Nu heb ik weinig voeling met stoere kerels die de wereld afreizen om grote beesten te doden. Neem dan foto’s, denk ik, of doe aan geocaching, dan kom je ook eens buiten. Een jammere zaak.

Maar dan begint de echte jacht. De jacht op de tandarts.

De internetmeute kraakt haar vingers. Toetsen tokkelen op en neer. Duimen schuiven over ipads. Tweets en facebookberichten vliegen op de tandarts af, gedrenkt in het dodelijkste gif, en raken hem vol in de borst.

Too bad the lion’s teeth weren’t being worked on in your office. His teeth and you with no gun. How would you feel about that big man? 

De tandarts, trots op zijn trofee, is met moeite thuis of hij is de meest gehate man op het internet.

I’d like to give Walter Palmer a 5 star reward for becoming the most hated man in the world overnight! Best $50k spent ever!

Actievoerders jagen op een pluchen leeuwtje voor zijn deur.

Jacht op de tandarts

Reviewers op Yelp proberen de tandarts te raken waar het pijn doet en kraken zijn tandartspraktijk af.

Dr. Palmer’s office was disgusting. I am pretty sure a giant rat came out of the exam room, or that could have just been Dr. Palmer, I couldn’t be certain.

He sexually harassed his receptionist and paid her off in the end. He is probably fondling you too after you’ve inhaled some of that nitrous.

Are you looking to remove your wisdom tooth, get skinned, or head cut off? Look no further! Dr. Palmer specializes in murder!

Op de deur van zijn praktijk hangt: ‘There is a deep cavity waiting for you.’
Op de poort van zijn huis schildert iemand: ‘Lion Killer.

De tandarts neemt veiligheidsagenten in dienst.
Op de Empire State Building schijnen ondertussen beelden van Cecil.

An image of Cecil the lion is projected onto the Empire State Building as part of an endangered species projection to raise awareness, in New York

Jimmy Kimmel, Louis Theroux, Arnold Schwarzenegger, iedereen boort de tandarts verder de grond in.

‘Thank god you don’t live in WA, someone would have gone after you by now. Sleep tight!’

De tandarts en zijn gezin duiken onder.

En ik denk terug aan de storm waarin Tim Hunt terechtkwam.

Tim Hunt, Nobelprijslaureaat geneeskunde, sprak in Seoul voor de vuist enkele vrouwelijke journalisten en wetenschappers toe. Waarom geen grapje, denkt hij, en een vleugje zelfspot?

It’s strange that such a chauvinist monster like me has been asked to speak to women scientists. Let me tell you about my trouble with girls. Three things happen when they are in the lab: you fall in love with them, they fall in love with you, and when you criticise them they cry. Perhaps we should make separate labs for boys and girls? Now, seriously, I’m impressed by the economic development of Korea. And women scientists played, without doubt an important role in it. Science needs women, and you should do science, despite all the obstacles, and despite monsters like me.

Merk de zelfspot. Merk hoe Hunt met ‘Now, seriously’ zijn grapje afbakent als grapje. Het publiek begrijpt hem en lacht.

Maar één journaliste denkt er anders over. Ze tweet een stuk van Hunts zinnen. Zonder context. En vooral, zonder het belangrijke ‘Now, seriously’.

De internetmeute, niet bekend om zijn bedachtzaamheid of zijn bekommerdheid voor het checken van feiten, veert op in verontwaardiging. Wie denkt die kerel dat hij is? Hoe durft die man zo neerkijken op vrouwen?

Hunt, lichtjes ontdaan, probeert zijn grapje uit te leggen. Maar het is te laat. De internetmeute ruikt bloed. Hunts woorden waaien weg in de storm.

Enkele vrouwelijke wetenschappers springen voor Hunt in de bres. ‘Een minzame man. Prima mentor. Nooit problemen mee gehad.’ Hunts inbox loopt over met steunbetuigingen van jonge vrouwelijk wetenschappers die hem bedanken voor de steun die ze aan hem hadden. Hunt legt uit hoe hij zeven jaar pleitte voor een crèche in het Instituut voor Wetenschap en Technologie in Okinawa, met succes.

Maar wat doet het er allemaal toe? De meute heeft beslist. Barbertje zal hangen. En als de meute beslist heeft – dat weet althans het University College London, waar Hunt werkt -, gebiedt de voorzichtigheid dat je aan de kant van de meute gaat staan.
‘Jij neemt ontslag’, krijgt Hunt de volgende dag te horen, ‘of we gooien je zelf buiten.’
De brave Hunt neemt ontslag.
‘Jazeker!’, roept de Europese Onderzoeksraad. ‘Voor ons hetzelfde!’
Hunt neemt ook ontslag uit de Europese Onderzoeksraad.

Ik verbaas me erover hoe snel mensen verontwaardigd geraken. Over hoeveel rechten ze dan denken te beschikken. Hoe ze soms meer schade toebrengen aan de mensen waarop ze verontwaardigd zijn, dan die mensen ooit aangericht hebben. Waarom checken die mensen hun feiten niet, vraag ik me af. Maar ik vergis me. De diepte van het gevoel staat los van de feiten die gepleegd zijn. Verontwaardiging voelt gewoon goed. Verontwaardiging is als suiker. Het smaakt naar meer.

En ik denk: hoeveel makkelijker hadden heksen in de middeleeuwen het niet.
Toen maakte zo’n heksje nog een kans. De meute was slecht georganiseerd. Roddels verspreidden zich moeizaam doorheen het wilgenbos. Nu is meute wereldwijd georganiseerd en heeft ze state-of-the-art-lynch-technologie aan de duim.
Nee, vandaag zou een heksje geen schijn van kans maken. Nog voor het arme vrouwtje, haar mandje vol paddenstoelen, haar veilige hutje bereikte, stond het in brand en greep de meute haar bij de haren, en naaide haar met een kat in een zak, en hopla, alles in de rivier.

Lynchen is nog nooit zo gemakkelijk geweest. Context. Recht op verdediging. Onschuldig tot het tegendeel bewezen is. Alle nuance die de mensheid  doorheen de eeuwen moeizaam opgebouwd heeft, spat uiteen in een tweet.

En ik herinner me Justine Sacco, die onfortuinlijke PR-vrouw, die vlak voor een lange vlucht van Londen naar Kaapstad een mopje tweet.

Going to Africe. Hope I don’t get AIDS. Just kidding. I’m white!

Wat een krankzinnig mopje toch, denkt Justine. Niemand kan dit letterlijk nemen. Wat verwoord ik met dit grapje toch mooi de onwetendheid van de blanke Amerikaan die in zijn veilige bubbel denkt te leven.

Maar wat Justine over het hoofd ziet is dit: Twitter doet niet aan ironie. Twitter doet niet aan context. Twitter doet aan verontwaardiging.

Terwijl Justine op het vliegtuig, zich van geen kwaad bewust, een dutje doet, vliegt ze haar ondergang tegemoet. Want op Twitter zwelt de storm.

All I want for Christmas is to see @JustineSacco’s face when her plane lands and she checks her inbox/voicemail

Oh man, @JustineSacco is going to have the most painful phone-turning-on moment ever when her plane lands

Een behulpzame twitteraar snelt naar de luchthaven om het moment vast te leggen waarop Justine haar leven uiteen ziet vallen op haar smartphone. Snel zet hij de foto’s op Twitter.

We are about to watch this @JustineSacco bitch get fired. In REAL time. Before she even KNOWS she’s getting fired.

article-2527330-1A3CEA5400000578-82_634x807

Justine weet niet wat haar overkomt. Ze sluit zich op. Weent tot ze geen tranen meer heeft. Haar familie wendt zich van haar af. Dit is niet waar wij voor staan, krijgt Justine te horen. Het personeel van het hotel waar ze incheckt dreigt te staken. Niemand wil haar veiligheid garanderen. Justine breekt haar vakantie af en vlucht het land uit.

Het bedrijf waar Justine werkt, IAC, zet haar aan de deur. Justine duikt onder. Ze trekt naar Ethiopië, waar ze vrijwilligerswerk doet, ver weg van Twitter.

Later vertelt ze een reporter van de NY Times over nog een verborgen kost die de meute haar heeft doen betalen. Ze is single, maar daten zit er niet langer in. Want iedereen zoekt iedereen op op Google. ‘Ook die kans heeft de meute mij afgepakt’, zegt Justine.

Maar Justine is moedig. Ze spreekt af met Sam Biddle, de man die haar twittergeseling in gang zette. Ze wil dat hij haar leert kennen als de mens die ze is, niet als het personage dat het internet van haar gemaakt heeft. Biddle is verrast. Hij vindt Justine charmant, intelligent, en helemaal niet de karikatuur die het internet van haar gemaakt heeft. En, o ironie, even later komt Biddle zelf door een ongelukkige tweet in een internetstorm terecht.

Vroeger had elk dorp zijn schandpaal, denk ik dan. Schandpalen dienden om mensen te breken, niet door zweepslagen, maar door publieke vernedering. Veroordeelden smeekten de baljuw, ‘alsjeblief, geef die zweepslagen, maar doe het ’s ochtends, voor het dorp wakker wordt.’

Schandpalen, pek en veren, het schandblok, de kaak, we hebben ze allemaal afgeschaft. Wegens te gruwelijk. Te mensonterend. Maar facebook, Twitter en Yelp brengen ze terug.

U kan uw in vitriool gedrenkte commentaar kwijt onderaan. Of op Twitter.

Conversatie met Sven Gatz

Sven Gatz keurt massa’s projecten van jonge kunstenaars af. Die kunstenaars dienen dossiers in. Die dossiers worden goedgekeurd. Die dossiers worden dubbel goedgekeurd. Maar Sven keurt ze af.
‘Ik heb geen geld’, zegt Sven. ‘Ik heb maar een miljoen drie.’

Lotte Heijtenis HOOGTIJd Sven Gatz!

Het water staat kunstenaars aan de lippen

Ik beeld me volgende conversatie in.

‘Heb je maar één miljoen drie, Sven?’
‘Dat klopt.’
‘Dat is weinig.’
‘Veel te weinig.’
‘Waarom heb je niet beter onderhandeld, Sven? Dat is toch je job als minister van cultuur?’
‘Ja. Maar het is ingewikkelder dan dat. De begroting. De tering naar de nering. Geen nieuwe belastingen en zo. Het is ingewikkelder dan je denkt.’
‘Wat ik niet begrijp is dat jullie massa’s geld geven aan mensen die het niet nodig hebben. Neem de schenkingsrechten. Een record aantal mensen schenkt zijn bedrijf weg en betaalt daar geen belasting op. Zo schenken jullie toch een pak poen aan mensen die nu al niet weten wat gedaan met hun geld?’
‘Ze geven die bedrijven aan hun kinderen. Dat is toch leuk voor die kinderen?’
‘Neem de korting op de bedrijfsvoorheffing dan. Belfius krijgt 36 miljoen, las ik. Volvo 14 miljoen. Wat doen ze met dat geld?’
‘Jobs creëren.’
‘Hebben ze dat beloofd?’
‘Nee, dat willen ze niet. Dat kunnen ze ook niet, dat moet je begrijpen.’
‘De OESO zegt dat ze het zullen uitdelen aan hun aandeelhouders.’
‘Dat is niet de bedoeling.’
‘Ze moeten op zijn minst toch een dossier indienen? Een dossier dat dubbel goedgekeurd moet worden?’
‘Nee, natuurlijk niet. Ondernemers toch zijn geen kunstenaars of zo?’
‘Dus ze krijgen dat geld zomaar, gratis?’
‘Zo mag je het niet zien.’
‘Hoe dan wel, Sven?’
‘Dat is geen geld. Dat is zuurstof.’
‘Wat?’
‘Geld voor ondernemers noemen we zuurstof.’
‘Oké, zuurstof dan. Maar die ondernemers moeten toch iets doen voor dat zuurstof – geld – dinges? Ze moeten er toch voor werken?’
‘Dat is ook weer niet de bedoeling.’
‘Hoezo?’
‘Die zuurstof dient om andere mensen te laten werken.’
‘Voor hen?’
‘Ja.’
‘Zodat ze dus nog meer geld verdienen?’
‘Euh… Ja. Als je het zo stelt klinkt het inderdaad wat vreemd.’
‘Maar dan snap ik nog altijd niet waarom jij niet een stuk van die immense pak poen, waar die ondernemers toch geen idee hebben wat ze ermee zullen doen, gebruikt om zelf mensen aan het werk te zetten? Kunstenaars bijvoorbeeld. De overheid kan toch ook investeren? De overheid kan toch ook jobs creëren? Dat was zo in de jaren zeventig. Dat werkte toch prima? Dat zeggen alle economen.’
‘Ja. Maar je vergeet, dat was Keynesiaanse economie. Daar doen we niet meer aan. Nu doen we Thatcher.’
‘En wat moeten die kunstenaars dan, die geen zuurstof krijgen?’
‘Ze kunnen gaan werken, toch?’
‘Bij Belfius of Volvo dan?’
‘Waarom ook niet? Een mooie bankrekening is toch ook kunst? Volvo’s zijn mooie auto’s. Ik zie graag een Volvo. En vergeet de gevleugelde woorden van Churchill niet.’
‘Wat waren die dan?’
If not for our bank accounts and cars, then what are we fighting for?
‘Ik denk dat Churchill kunst bedoelde.’
‘Echt?’
‘Churchill wilde niet snoeien in subsidies voor kunst.’
‘Dan moet Churchill geleefd hebben in budgettair makkelijkere tijden dan de harde tijden waar wij nu onder leven.’
‘Hitler bombardeerde Londen. Een miljoen huizen stonden in brand. Enkel St Paul’s Cathedral stond overeind.’
‘O?’
‘Nou, Sven, het was leuk met je praten, maar wat ik denk is dit: verplicht al die ondernemers die gratis geld krijgen en er geen jobs mee creëren dat geld te investeren in kunst, in plaats van het uit te delen aan hun aandeelhouders. Want dat is wat ze zullen doen. Dat zeggen alle economen. Dat zegt de OESO. De Vlaamse kunst zal floreren als nooit tevoren.’
‘Ja, zèg. Doe nou niet absurd.’

Het vervelende aan schrijven

Is om half drie half wakker worden met een idee voor Odessa III, je nieuwe prachtboek, en het slaapdronken proberen te onthouden.
Naar je pen wil je niet grijpen, want dan word je wakker. En wakker wil je niet worden, want dan ben je ’s anderendaags moe. En een schrijver die moe is, is als een jogger die een marathon loopt in de modder.
Maar onthouden heeft geen zin, dat weet je. Zodra je inslaapt, ben je alles vergeten. Maar je probeert het toch, want het is een goed idee, en als je het niet onthoudt, komt het nooit meer terug. Want zo zijn ideeën: ontrouw als allumeuses.
Maar misschien is slapen wel het beste, denk je – nog altijd slaapdronken, want in die toestand moet je blijven tot je een beslissing genomen hebt –, want die ideeën die je ’s nachts hebt, wees nou eerlijk: overdag lijken die nergens op.
Maar het idee voelt je gebrek aan liefde en beslist te vervagen. Dus grijp je naar je pen en schrijft. Dwars over andere zinnen heen, zodat je de volgende dag waarschijnlijk noch je idee, noch die andere zinnen kan lezen. Maar dat zie je dan wel.
Je draait je tevreden om, en denkt: het kan nog net, weer in slaap vallen.
Maar dit is wel een mooie anekdote voor de blog, denk je.
Die moet ik onthouden…

Alarm!

Ik zit in het huis van een vriend bij het zwembad te schrijven.
Ik wil iets uit de ijskast, maar krijg het alarm niet af.
Sirenes loeien, binnen en buiten.
De telefoon rinkelt.
Ik vind hem niet. Hij zit verstopt achter een gordijn.
Ik bedenk dat ik misschien beter even wacht met zwemmen.
En inderdaad, even later wandelen twee agenten het erf op, revolvers losjes in de holster.
‘Hallo’, zeg ik.
‘Er was alarm’, zegt de ene agent.
‘Dat was ik’, zeg ik.
De agent knikt.
‘Ik kreeg het niet af’, zeg ik. ‘Ik vond de telefoon niet. Hij zat verstopt achter een gordijn.’
‘En u bent?’ vraagt de tweede agent.
‘Een vriend. Ik let op het huis. Ik ben schrijver.’
‘Schoon huis’, zegt de tweede. ‘Ik zou hier ook wel willen wonen. Dat moet hier wat gekost hebben.’ Hij tikt zijn schoen op het terras. ‘Die tegeltjes, dat is iets voor mij.’
‘Alles is vernieuwd’, zeg ik. ‘Het dak, het gebinte. Alles moest eraf.’
‘Schoon ramen ook’, zegt de eerste.
‘Ook nieuw’, zeg ik.
De agent knikt goedkeurend.
Ik wijs naar boven, naar het torentje. ‘Daar zaten kerkuilen.’
‘Identiteitskaart?’ vraagt de tweede.
‘Die heb ik niet bij’, zeg ik. Ik heb ze wel bij, maar ze zit in een tas en ik heb geen zin ze te zoeken.
De agent haalt zijn boekje tevoorschijn. ‘Schrijver dus. Naam?’
Van Peter Van Olmen zal hij nooit gehoord hebben. ‘Bart Moeyaert’, zeg ik.
‘Geboortedatum?’
Bart werd onlangs vijftig, dat was op televisie. Ik geef een vijftigklinkende datum op. Als je begint met liegen, moet je volhouden.
De eerste agent belt ondertussen de alarmcentrale. ‘Het duurt lang’, zegt hij. Dan kijkt hij verbaasd naar zijn collega. ‘Ze gelooft niet dat we van de politie zijn.’
Zijn collega denkt na. ‘Natuurlijk. We bellen zonder nummerherkenning.’
‘Maar waarom zouden we bellen, als we niet van de politie zijn?’ zegt de eerste.
‘Inderdaad’, zegt de tweede verwonderd.
Ik steek mijn hand uit. ‘Geef’, zeg ik. ‘Ik regel het wel.’
De agent geeft me zijn telefoon.
‘Het is in orde’, zeg ik. ‘Ze zijn van de politie.’
‘En u bent?’ vraagt het meisje aan de andere kant. Haar stem klinkt jong.
‘Bart Moeyaert’, zeg ik. ‘Ik let op het huis.’