Hertjes

Iemand vroeg mij pas of ik kinderlijk naar de dingen keek.

‘Goh, zei ik. Ik voelde me betrapt op iets waar ik me niet bewust van was. Of onbewust bewust, zoals mijn blik soms naar een decolleté kijkt en ik denk dat de bezitter van die borsten dat niet merkt.

‘Goh,’ zei ik nog eens. ‘Dat weet ik niet.’

‘Omdat je kindergedichten schrijft, kijk jij daardoor anders naar de dingen?’

‘Misschien,’ antwoordde ik.

Ik keek rond in de kamer. Niks bijzonders. Een wasrek met shirts en onderbroeken. Het kleed met op de hoek onze snorrende kat. De plant die ik snel weer water moest geven. De tafel waaraan we zaten, onze stoelen. De dame tegenover me met haar schrijfblok. Geen zichtbaar decolleté.

‘Ik weet het niet,’ mompelde. ‘Ik weet niet of ik anders kijk.’

Ze schreef toch iets op.

Een paar dagen later zat ik in de trein. Het was druk, iedereen keek ik op zijn of haar smartphone. Ik stak de mijne weg in mijn binnenzak. Buiten gleden bossen en velden langs. Het was mistig.

Ineens stonden er drie hertjes op een paar meter van de trein. Het duurde een paar tellen.

‘Hertjes! Kijk daar,’ zei ik onverwacht hardop. ‘Hertjes.’

Toen pas realiseerde ik me dat ik in de volle trein zat. Ik keek verontschuldigend rond. Niemand keek terug. Iedereen swipete verder.

Niemand had het gehoord.

En al helemaal niemand had die drie hertjes gezien.

Sindsdien denk ik er veel aan dat er misschien continue overal hertjes staan, maar dat we die gewoon niet meer zien.

4 ¾ kus

De laatste weken dwaalt er een nieuw favoriet boek rond mijn bed. Ik lees er soms mijn lief uit voor, zij leest er soms in wanneer ik al slaap en schaterlacht mij dan wakker.

Het zijn de brieven die Lewis Carroll tijdens zijn leven schreef. In het Nederlands verscheen het boek bij de Bezige Bij en kreeg als titel ‘Met 4 ¾ kus’.

Ze zijn stuk voor stuk fascinerend, hilarisch en dan weer ongepast. Carroll correspondeerde voornamelijk met meisjes. Soms wel voor een periode van 20 jaar. Zonder dat ze elkaar ooit ontmoette. Er zijn maar twee jongens aan wie hij ooit een brief schreef. Maar dan vroeg hij of ze zussen hadden. Dat vroeg hij trouwens aan iedereen. Of ze zussen hadden en hoe het met hun moeder ging. Soms schreef hij met de moeders.

Bij elke brief moeten we ons weer realiseren dat ze eind 19e eeuw geschreven zijn. De gevatheid van zijn reacties, zijn fantasieën. Soms schrijft hij een ellenlange brief of waarom het desbetreffende kind geen brief verdiend. Dan weer microscopisch klein. Een andere brief gaat erover hoe hij verdwaalde tijdens het zoeken naar de brievenbus.

Ik vraag me steeds af hoe al die brieven samen zijn gebleven, schreef hij ze over voordat hij ze verstuurde? Soms denk ik dat hij ze misschien wel nooit stuurde. Dat het kinderen in zijn hoofd waren.

afbeelding lewis carroll

Met 4 3/4 kus : brieven aan kinderen, maar niet alleen / Lewis Carroll en Nicolaas Matsier (vert.)
De Bezige Bij, 2011
ISBN 9789023468141

Ruzie in mijn boekenkast

Het duurde ruim twee jaar. Maar sinds gisteren staat mijn boekenkast in mijn gloednieuwe werkkamer. Het uitpakken van die dozen was heerlijk. Keurig op alfabet al die kleurige boekenruggen naast elkaar. Titels waar ik al minstens twee jaar niet aan gedacht had, boeken die de afgelopen twee jaar in een toren naast bed hadden gestaan. Nieuwe titels ertussen. Ik keek tevreden naar het resultaat.
Toen ik het licht wilde uitknippen, hoorde ik ineens gemor. ‘Is dit nou die nieuwe boekenkast?’ klonk er vanuit de hoek van de letter W. ‘Waar jij zo lang over hebt zitten opscheppen?’
‘Ja,’ bemoeide het boek Alleen maar nette mensen. ‘Met veel klaroengeschal ons in die kast zetten en dan kom ik naast een recensie-exemplaar van Esther Verhoef.’
‘Klaroengeschal?’ vroeg ik.
‘Dat staat op mijn achterflap,’ zei Alleen maar nette mensen.
‘Oh,’ kon ik enkel uitbrengen.
‘En ik heb twee jaar lang op een Snoecks uit je geboortejaar gelegen en nu zet je me naast een liefdeloos uitgegeven Grote Lijster,’ riep De Verjaardagen.
‘En mij zet je naast Shotgun Lovesongs, terwijl je dat boek verschrikkelijk pathetisch vond,’ mopperde Bezonken rood. ‘Als dit zo blijft, ga ik staken. Mij krijg je niet meer te lezen.’
‘Daar ben ik het mee eens,’ viel Boven is het stil hem bij vanaf de andere kant van Shotgun Lovesongs.
‘Staken, staken, staken,’ begonnen de boeken door elkaar heen te scandeerden.
‘Oke, oke, oke,’ zei ik geruststellend. Ik wilde natuurlijk geen geruzie in mijn gloednieuwe boekenkast. ‘Ik ga kijken wat ik kan doen.’
‘Politiek gelul,’ kwam uit de hoek van de letter L. ‘Het is hier te vol. Je moet kiezen.’
‘Rustig,’ maande ik. En ging op mijn knieen voor de kast zitten. ‘Jullie hebben misschien gelijk.’
Voorzichtig nam ik een paar Grote Lijsters uit de kast uit 1996. ‘Héhé, dat ruimt op,’ zei De Buitenvrouw zelfgenoegzaam, terwijl ze door dezelfde schrijver geschreven was.
‘Opruimen, dat is de kunst.’ schreeuwde een fotoboek van Wehrli in mijn oor. ‘Ik wil niet naast een roman staan.’

Ik nam een paar recensie-exemplaren waarvan ik zeker wist dat ik ze nooit meer wilde lezen. Cadeau’s van vroegere vriendinnetjes, boeken waardoor ik nu pas in zag dat zij ook mij toen niet begrepen. Ik kon het niet over mijn hart verkrijgen om de eerste bladzijdes eruit te scheuren.
Een flinke stapel met bloemlezingen. Het mooiste gedicht van dit, het mooiste historische gedicht over schepen , bloemlezingen samengesteld door mensen die niks van poëzie weten. Fantasieloze cadeauboekjes die ik toch nooit meer open zou doen. Het werd een volle doos met een kop erop.
‘Nu tevreden?’ Ik zei het meer dan dat ik het vroeg. De boeken hielden zich stil. ‘Tevreden?’ vroeg ik nog een keer bozig.
Ze stonden wat bedremmeld op een rij. Hingen schuin tegen elkaar. Sommige met spleten lucht ertussen. Anderen waren nu nog in hun eentje.
‘Dan wil ik er niks meer over horen.’ Ik ging de kamer uit en trok de deur stevig in het slot. De doos met boeken liet ik staan.

Vanochtend kwam ik volle frisse zin mijn werkkamer binnen. Het licht viel mooi over mijn bureau. Ik blies over mijn kop koffie en ik ging zitten. Toen zag ik het pas, de kist was leeg. Alle boeken stonden weer op hun alfabetische plek.
Verbaasd haalde ik adem om iets te zeggen.
‘Niks zeggen,’ siste het debuut van Gideon Samson.
‘Wij horen bij elkaar,’ fluisterde een dunnetje dat ik sinds mijn kleutertijd niet meer had gelezen.
‘Zoveel is zeker,’mompelde een verzamelbundel van Toon Tellegen.

Ik knikte. En ik liet het zo.
En zette mijn computer aan om jullie dit te vertellen.

Emma’s verjaardagen

Afgelopen zaterdag signeerde ik in een boekhandel in Helmond. Er stonden twee meisjes bij mijn tafeltje, toen er een oudere dame aansloot. Ze had een stapeltje van mijn boeken in haar handen. In een oogopslag zag ik dat ze er van bijna elk van mijn titels één had.
Ik kletste nog wat met de twee meisjes en die maakten toen plaats voor de dame.
‘Gelukkig dat je er nog bent,’ zei ze buiten adem, hoewel ze al even had staan wachten.
‘Fijn dat u er bent,’ antwoordde ik. ‘En u hebt een indrukwekkende stapel meegenomen.’
‘Het zijn cadeautjes,’ mompelde ze.
‘Zullen we met deze beginnen?’ vroeg ik en nam de bovenste van de stapel.
‘Die is voor mijn kleindochter Emma. Voor haar 2e verjaardag.’
Met zo sierlijk mogelijke letters probeerde ik dat erin te schrijven.
‘En voor wie is deze?’ Ik nam een ander boek van de stapel.
‘Die is ook voor Emma.’
Ik keek haar verbaasd aan. ‘Maar dit boek is wel voor iets oudere kinderen.
Ze knikte geruststellend. ‘Weet ik.’
‘Voor de lieve Emma,’ schreef ik.
‘Voor haar 6e verjaardag,’ vulde de dame aan.
‘U bent er op tijd bij,’ glimlachte ik.
Ook het derde boek was voor Emma. Voor haar 8e verjaardag.
En het vierde boek was voor haar 10e verjaardag.
En tot slot mijn roman Birk voor haar 18e verjaardag.

We lachten allebei niet meer. Er was iets.
Ik wist niet goed hoe ik het moest vragen. En wat ik dan moest vragen. De dame hielp me gelukkig al.
‘Ze is nog niet geboren. Emma wordt mijn eerste kleindochter.’ Haar ogen knipperden om de tranen van haar wangen te houden.
‘Oh,’ kon ik alleen maar uitbrengen.
‘En ik ben terminaal,’ zei ze op een manier zoals moeders iets zeggen waar ze weinig aandacht op willen vestigen. ‘Misschien red ik haar geboorte niet eens. Daarom koop ik alvast alle verjaardagscadeautjes tot haar 18e verjaardag.’
Ik wilde iets aaiends zeggen. Iets troostends. Iets.
‘Wat mooi dat u dat doet,’ mompelde ik. ‘Wat verdrietig ook.’
Ze knikte afwezig, dit hadden waarschijnlijk al vaker mensen gezegd.
Haar handen begonnen een stapeltje van de boeken te maken. We keken wat verlegen naar elkaar. Op het gezicht van de dame verscheen een glimlach. ‘Nu maar hopen dat ze Emma gaat heten.’