Altijd weer verhalen

Denken en schrijven, daartussen gaapt een hemelsbrede kloof. Hoe vaak heb ik de afgelopen weken niet gedacht dat ik over dit of dat wel eens wat kon schrijven? En hoe vaak kwam dat er ook werkelijk van? Het werden minder blogstukjes dan gehoopt, maar toch ook meer dan ik het hele jaar 2015 op mijn eigen slapende blog voor mekaar kreeg. Het werd een vreemde maand, waarin onze werkelijkheid een knauw kreeg en veel herdacht moet worden. Hoe verhalen en literatuur in die wereld een plaats krijgen, bijvoorbeeld, en welke verhalen ons kunnen helpen de wereld te herdenken. Terwijl ik vandaag met man en kinderen om de Soester Duinen heen fiets, besef ik dat ze er alweer op zit, die maffe maand maart. En dat er nog een stuk of wat half uitgeschreven ideeën op mijn thuiscomputer staan te wachten, achtergelaten voor een vleugje vakantie. Ze zullen niet meer worden dan wat ze zijn, zo zonder lezer. Een handvol lettergrepen, een hoopje vage ideeën. Ondertussen blijft er zo veel te lezen (‘neen, mama, niet weer naar de boeken kijken!’ – ergens bij een  boekenwinkel met een overtuigende verzameling jeugdliteratuur), is er zo veel betekenis te geven en bloeien overal verhalen. Ik krijg er nooit genoeg van.

Relschopper

Hoe zit dat toch met die jeugd? Het lijkt soms wel of ze meer in het verleden leven dan wij, ‘de ouderen’. Terwijl ik de papervoorstellen van mijn studenten doorneem, stel ik vast hoeveel van hen het liefst in oude, vertrouwde boeken onderduiken. Is dat gemakzucht? Onzekerheid? De veilige weg? Ze willen aan de slag met ‘Winnie the Pooh’, met Thea Beckman, met ‘De kronieken van Narnia’, met Michael Ende… En hoewel er uiteraard veel te zeggen valt voor de studie van die literatuur, blijft het me verbazen. Zijn ze dan niet hongerig naar wat vandaag geschreven wordt? Willen ze niet toetsen of de wereld die daar wordt neergezet, ook de hunne is? Ik herinner me mijn verontwaardiging toen een leraar in het vierde secundair niet op de hoogte was van de jeugdboeken en –auteurs die ik geweldig vond. Dat hij niet alles kon lezen, zei hij schouderophalend. Dat hij koos voor volwassenenliteratuur. Ik herinner me mijn – toegegeven, nogal onbeholpen – betoog voor jeugdliteratuur. Zijn eerste bedenking begrijp ik intussen: de lijstjes van boeken die ik moet lezen, zou moeten lezen, absoluut wil lezen en wel eens zou willen lezen worden schrikbarend lang. Maar achter mijn mening over jeugdliteratuur sta ik nog altijd. Dat die net zoveel literatuur kan zijn als literatuur voor volwassenen. En dat elke leerkracht Nederlands in het secundair minstens deels op de hoogte moet zijn van het hedendaagse aanbod. Hoe lang duurt het nog voor sommige van die studenten voor de klas staan? Een schop onder hun kont verdienen ze. Hup, de bib in!

Versplinterd?

Gisteren had het Platform Literatuur en Samenleving moeten plaatsvinden.
De aanslagen voorbije dinsdag en de aanhoudende dreigingsgraad beslisten daar anders over. Het is wat ironisch, natuurlijk. Meer dan ooit immers is het belangrijk na te gaan welke rol kunsten, en in dit geval specifiek literatuur, (kunnen) spelen in de maatschappij. De reacties op sociale media de voorbije dagen spreken daarbij boekdelen. Silvie Moors plaatste een gedicht van Annie M.G. Schmidt – zo treffend, dat ik het hieronder graag herneem. Vanessa Joosen plaatste bedenkingen bij het onderwijzen van literatuur in deze context en concludeerde dat ‘today perhaps more than any other we should celebrate our potential for laughter, and pity those who take themselves too seriously’. Verschillende onderzoekers reageren met welk boek zij bespraken op de dag van of kort na een aanslag. Terreur is helaas gemeengoed geworden. De manier waarop we ermee omgaan… ook? Ik lees hoeveel mensen grimmiger worden en hoe anderen dichtklappen, ontgoocheld over zoveel inhoudsloos gebrul. Maar allemaal erkennen ze de kracht van woorden. Kunnen boeken er dan echt niet toe doen?
Draagt het uiteengroeien van onderwijs, literaire kritiek en academische studie ertoe bij dat de relevantie van literatuur niet meer als evident wordt ervaren (of dreigt te worden ervaren, er loopt een erg dunne lijn tussen heden en toekomst), zoals de organisatoren van de PLISA-dag suggereren? Ik draag ze allemaal in mij, die velden. Ik gaf tien jaar les in het secundair, met veel passie voor de oneindige mogelijkheden van het vak Nederlands, ik schrijf al bijna even lang recensies voor De Leeswelp en nu MappaLibri en geraak de laatste jaren ook steeds sterker verworteld met de academische studie van jeugdliteratuur. En ik ben niet de enige. Ook anderen zijn het ene moment aan de slag met een KJV-groepje, schrijven het volgende een recensie voor de krant en bestuderen daarnaast terugkerende motieven en patronen in kinder- en jeugdliteratuur. Of is de jeugdliteratuur ook hier de vreemde eend in de bijt? Omdat we allemaal geloven dat kinderen bij de hand genomen moeten worden, en vergeten dat ook volwassenen de pedalen wel eens verliezen? Dit is een land waar grote mensen wonen. Lees nog maar lang. Zo vind je er de weg wel in.

 

Aan een klein meisje

Dit is een land waar grote mensen wonen.
Je hoeft er nog niet in: het is er boos.
Er zijn geen feeën meer, er zijn hormonen.
En altijd is er weer wat anders loos.

En in dit land zijn alle avonturen
hetzelfde, van een man en van een vrouw.
En achter elke muur zijn andere muren.
En nooit een eenhoorn of een bietebauw.

En alle dingen hebben hier twee kanten.
En alle teddyberen zijn hier dood.
En boze stukken staan in boze kranten.
En dat doen boze mannen voor hun brood.

Een bos is hier alleen maar een boel bomen.
En de soldaten zijn niet meer van tin.
Dit is een land waar grote mensen wonen.
Wees maar niet bang. Je hoeft er nog niet in.

Annie M.G. Schmidt

Laat ons lezen

Wat schrijf je op een dag als gisteren? Kan je anders doen dan fluisteren of ‘schrijven in potlood’, zoals Bart Moeyaert het ooit zo mooi uitdrukte? Zoek je troost in literatuur, zoals DE DAGEN voorstelt op Facebook: ‘Samen lezen, samen zijn, verbonden zijn. Ook vandaag. Nét vandaag’? Het blijft onwezenlijk – al zijn aanslagen als die van gisteren al op zovele plaatsen deel van een dagelijkse werkelijkheid.
Enkele weken geleden besprak ik met de studenten jeugdliteratuur Hoe ik nu leef van Meg Rosoff, een ‘dystopische toekomstroman’ waarin een aantal terroristische aanslagen van een anonieme vijand een nieuwe oorlog inleiden en Groot-Brittannië al snel bezet wordt, want (ik citeer uit het hoofd) ‘het leger is overal elders in de wereld de vrede aan het bewaken’. Nogal wat studenten zeiden er niets mee te hebben, want waar ging dit over, waar en wanneer speelde dit zich af? Ver van hun bed, zo leek het, en zelfs verwijzingen naar de lockdown in Brussel en aanslagen in Parijs riepen niet meteen parallellen op. Ik vraag me af of een van hen vandaag aan het boek terugdenkt. En wat het met hen doet, dan. Iemand opperde toen dat een utopie meer zin geeft in verandering. Is dat zo? En blaast deze nachtmerrie-achtige werkelijkheid je dan meteen van je sokken? Neemt het elke hoop en elke daadkracht weg? In Radical Children’s Literature (2007) wijst Kimberley Reynolds bij haar bespreking van adolescentenromans op de ‘need for positively transformative texts’, verhalen waarin jongeren de macht, kracht en verantwoordelijkheid hebben en nemen om nieuwe maatschappelijke vormen uit te proberen. Verhalen waarin verandering noodzakelijk is én mogelijk.
Het lijkt er sterk op dat we middenin zo’n verhaal zijn beland. Ik hoop dat we met z’n allen meeschrijven aan verandering.

Van de regen in de drop? En komt er zonneschijn na regen?

Soms lijkt het of het prijzen regent. Net zie ik verschijnen dat de Duitse vertalingen van Het hondje dat Nino niet had (Anton van Hertbruggen (ill.) en Edward van de Vendel) en De gouden kooi (Carll Cneut (ill.) en Ana Castagnoli) kans maken op de Deutscher Jugendliteraturpreis. Iets eerder deze week meldden Edward van de Vendel, Aline Sax en Bart Moeyaert trots dat ze geselecteerd waren voor de Gouden Lijst, respectievelijk met Oliver, Grensgangers en De Hemel. Die laatste titel, met illustraties van Gerda Dendooven, is ook al genomineerd voor de Woutertje Pieterseprijs. Dezelfde dag raakte bekend dat de Max Velthuijs-prijs naar Dick Bruna gaat. Nog eerder, op maandag, kreeg Oorlog en terpentijn (Stefan Hertmans) de Inktaap, weliswaar een prijs voor bekroonde volwassenenliteratuur, maar wel toegekend door jongeren uit de derde graad secundair onderwijs. Van een andere orde, maar minstens zo belangrijk, is de Miep Diekmann thesisprijs voor jeugdliterair onderzoek, die voorbije vrijdag werd toegekend.
Deze opsomming lijkt regelrecht in te gaan tegen de noodkreet van Gerda Dendooven, voorbije woensdag. En toch treed ik haar graag bij. Gerda Dendooven merkt op dat de Boekenleeuw en Boekenpauw met uitsterven zijn bedreigd, aangezien de sponsor de prijs niet langer ondersteunt. ‘En,’ zegt ze, ‘ de jeugdboekenprijzen zijn al zo schaars.’ Het zijn inderdaad vooral maartse buien en aprilse grillen die die prijzenregen bepalen. Eens het voorjaar voorbij, staan de prijzen weer op apegapen. Tot de boekenbeurs er komt. Of dus ook niet – want daarover gaat de oproep van Gerda Dendooven. Over het gebrek aan continue aandacht voor jeugdliteratuur, over het belang van prijzen om het vuur errond weer even aan te wakkeren, over het belang van andere meningen, wars van populariteit en gemeengoed. Over het belang van kritisch lezen, en goed kijken. Want, ‘hoe onze kinderen er morgen uitzien, hoe de wereld er overmorgen uitziet hangt af van wat we onze kroost vandaag te eten en te lezen geven.’ Dus ik tuur naar de lucht – en hoop dat het net genoeg regent om van literatuur doordrenkt te worden.