Nietes Welles

Er zijn zo van die boeken die je (literaire) smaak voor een groot stuk verder bepalen. Bij mij is dat Nietes Welles van Daniil Charms. Vroeger dacht ik altijd dat Alice in Wonderland hét boek was dat mij de liefde voor absurdisme heeft meegegeven. Nu besef ik dat Lewis Carroll mijn passie voor nonsens heeft aangewakkerd, maar niet heeft gestart. Dat deed Daniil Charms: een Russische avant-garde schrijver die actief was tijdens de woelige jaren ’20 en ’30 in Rusland.

Daniil Charms is vooral bekend geworden door zijn verhalen voor kinderen, maar hij begon als schrijver voor volwassenen. Toen dit te gevaarlijk werd – zijn teksten stonden kritisch tegenover het heersende Stalinistische regime – besloot hij zich op kinderen te gaan richten. Kinderliteratuur werd in die tijd veel minder gecensureerd en als ongevaarlijk beschouwd en dus hoopte Charms om via deze weg zijn verhalen gepubliceerd te krijgen. Dit kwam hem uiteindelijk duur te staan: na een aantal gedichten te hebben geschreven die een duidelijke aanklacht in zich droegen, werd hij opgepakt en gevangen genomen in 1941. Hij stierf één jaar later in zijn cel.

Terug over naar het boek Nietes Welles.

Mijn vader is een grote fan van deze schrijver en Daniil Charmstoen dit boek uitkwam in vertaling, in 1997, heeft hij het dan ook meteen gekocht. Ik moet zo’n 8 jaar zijn geweest en mijn broer was twee jaar jonger. Mijn vader las ons heel vaak voor uit dit boek en ik vond het fantastisch: eigenlijk begreep ik er niks van, maar ik had meteen ook het gevoel dat dat helemaal niet hoefde! Wat een bevrijdend gevoel. Ik hield van de bruuske eindes – “EN DAT IS ALLES” – en van de absurde situaties die nooit een duidelijk doel in zich droegen, zoals een oneindige discussie (“Welles!” – “Nietes!”) of een jongen die alles meeneemt dat hij ziet, zomaar:

 

Zo gingen we verder. Voorop de lange man op de olifant, daarachter Petja en ik op de ezel, en achteraan het kleine mannetje op het hondje. En iedereen was tevreden en allemaal floten we een vrolijk lied.

Ik hield ook van de wereld die Charms ons liet zien, waarin alles mogelijk is en alles vreemd is. De schrijver draagt zijn lezers als het ware op om nieuwsgierig te zijn en niets zomaar ‘normaal’ te vinden. Dat vervreemdende effect werkte bij mij heel aanstekelijk. Charms schrijft bijvoorbeeld over een oud vrouwtje dat een glazen draaideur binnenstapt: ‘Het oude vrouwtje liep naar voren en de deur kwam achter haar aan. Ze zag niets dan glas om zich heen en alles draaide.’ Na het lezen van zo’n zin wordt iets eenvoudigs als een draaideur plots weer iets ongelofelijks. En dat is ook één van de redenen waarom ik dit boek zo graag zie: het heeft mijn kijk op de wereld veranderd. Ik vind de dingen nu sneller ‘speciaal’, of het nu gaat om een autoband of een komkommer. Het intrigeert mij allemaal.

Ik weet nog dat ik ook de kaft van het boek erg intrigerend vond. Er stond een man op die zo lang was dat hij eigenlijk niet op de pagina paste en zich bijna moest oprollen. Ik werd er zelf een beetje ongemakkelijk van; nog altijd eigenlijk. Ik vond het ook best een griezelig figuur. De tekeningen zijn van de hand van Gerda Dendooven en sluiten perfect aan bij de verhaaltjes: de groteske en karikaturale illustraties gaan hand in hand met de maffe verhalen van Charms

Daniil Charms zal voor altijd mijn held blijven, omdat hij een wereld voor mij heeft geopend die ik tot dan toe nog niet kende. En ook omdat hij, ondanks het intolerante milieu, weigerde zich te voegen naar de socialistisch-realistische tendens die op dat moment gangbaar was. Zijn originaliteit en kritische blik hebben hem uiteindelijk zijn leven gekost. Dat hij eigenlijk zelf een hekel aan kinderen had – hij zei ooit: “To poison children – that would be harsh. But, hell, something needs to be done with them!” – ,neem ik er dan maar bij. Hij heeft ons toch maar mooi wonderlijke verhalen cadeau gedaan.

Hier alvast een voorsmaakje:

HOE KOLKA PANKIN NAAR BRAZILIË VLOOG EN PETKA JERSJOV ER GEEN WOORD VAN GELOOFDE

Kolka Pankin wilde eens wat verder weg.
‘Ik ga naar Brazilië, zei hij tegen Petka Jersjov.
‘Waar ligt dat?’ vroeg Petka.
‘Brazilië ligt in Zuid-Amerika,’ zei Kolka, ‘daar is het heel warm, je hebt er apen en papegaaien, er groeien palmen, er vliegen kolibries, er lopen wilde dieren rond en er leven wilden.’
‘Indianen?’ vroeg Petka.
‘Ik geloof het wel,’zei Kolka.
‘En hoe kom je daar?’ vroeg Petka.
‘Met een vliegmachine of met de boot,’ zei Kolka.
‘En hoe ga jij?’ vroeg Petka.
‘Ik ga met de vliegmachine, zei Kolka.
‘Met wat voor vliegmachine dan?’ vroeg Petka.
‘Ik ga naar het vliegveld, en daar vraag ik of ik een vliegmachine mag hebben en die krijg ik dan,’ zei Kolka.
‘Van wie dan?’ vroeg Petka.
‘Ik ken daar iedereen,’ zei Kolka.
‘Wie ken je daar dan?’ vroeg Petka.
‘Een heleboel mensen,’ zei Kolka.
“Welnee, je kent daar helemaal niemand,’ zei Petka.
‘Welles!’ zei Kolka.
‘Nietes!’ zei Petka.
‘Welles!’

(Margot Van Dingenen)

Vallen

24 november 1991: een Zwarte Zondag. Ik vier mijn dertiende verjaardag wanneer het Vlaams Blok zijn eerste grote winst boekt. Ik ben aangeslagen zoals alleen een dertienjarige geraakt kan worden: verontwaardigd, op een intuïtieve, volslagen onbeargumenteerde manier. De opkomst van het Vlaams Blok, de discussie rond het cordon sanitaire, rechts-extremisme, het bruine denken… Het is tegen die grotere politieke achtergrond dat de petites histoires van mijn leven als middelbare scholier zich afspelen. Al spreekt hier natuurlijk vooral de terugblikkende dertiger.

vallenHet is rond die verkiezingen dat Anne Provoost aan Vallen begint (het boek verschijnt uiteindelijk in 1994). Op dat ogenblik is er van het extreemrechtse thema waarvoor de adolescentenroman later zal worden geroemd nog geen sprake. In een interview met Tilly Stuckens voor De Standaard vertelt Provoost dat ze zich vaak de gruwelijkste scenario’s inbeeldt, om zo het gevaar te bezweren. De eerste versie van Vallen vertrok van zo’n scenario: “Wat zou ik doen als mijn echtgenoot in een brandende auto zat en ik hem enkel kon bevrijden door hem te verminken?” Verder zat er ook al een verhaallijn over een kleinzoon en zijn overleden grootvader in, maar hoe die twee met elkaar verweven waren, werd toen voor haarzelf niet duidelijk. Haar moeder vond het manuscript bovendien niet goed. Reden genoeg voor Provoost om het op te geven.

Pas een jaar later nam ze de draad weer op. Plots zag ze hoe grootvader en kleinzoon met elkaar verbonden konden worden door een fout oorlogsverleden te koppelen aan de hedendaagse migrantenproblematiek. De grootvader krijgt een naam: Felix Stockx. De vijftienjarige kleinzoon ook: Lucas Beigne.

Die laatste brengt zoals elk jaar, dik tegen zijn zin, met zijn moeder de zomer door in het fictieve Montourin, in het huis van zijn pas overleden grootvader. Het wordt een broeierige zomer die bol staat van geheimen. De onzekere Lucas ontmoet de rechtlijnige, charismatische én neonazistische Benoît en de mooie, zelfbewuste danseres-in-wording Caitlin.

In De Morgen vertelt Provoost dat ze Caitlin  “misschien een klein beetje kunstmatig” als een gezond tegenwicht opvoerde omdat haar redacteur vond dat Benoît (die Lucas met zijn mooipraterij in terroristische activiteiten betrekt) té aannemelijk klonk. Met dat ‘kunstmatige’ valt het wel mee, vond ik, ook bij herlezen. “Niemand is hier helemaal held, helemaal sukkel of helemaal schurk”, zo vat Annemie Leysen het mooi samen in Ons Erfdeel. Ook Helma van Lierop-Debrauwer betoogt in Literatuur zonder Leeftijd dat het om levensechte personages gaat wiens tegenstelling in karakters mooi genuanceerd wordt. Zo wordt Caitlin niet alleen aangetrokken door Lucas’ kwetsbaarheid maar geeft ze ook toe dat ze “geweldig verliefd” op de intelligente Benoît zou kunnen worden.

Vallen omschrijven als een geëngageerd boek met een boodschap zou de roman enorm tekort doen. Dat heeft alles met de stijl te maken (die is van een zinderende zintuiglijkheid waarin aan oren, ogen en reukzin is gedacht) maar vooral ook aan de uitgekiende structuur (die overigens indrukwekkend werd geanalyseerd door Jet Marchau). In Stem der Vrouw vertelt Provoost over haar ervaring met het eerder verschenen Mijn tante is een grindewal, het eerste oorspronkelijk Nederlandstalige jeugdboek over incest. Sommige lezers dachten zich aan het boek te ergeren, terwijl ze zich eigenlijk aan het vreemde hoofdpersonage stoorden.  Alleen diegenen die doorlazen tot het einde zagen Tara’s gedrag verklaard. Dat vond Provoost een euvel: “Er zou in het boek een interne stuwkracht moeten zitten waardoor ook een jongere blijft lezen.”

Daarom opent ze Vallen in het heden met een intrigerende, thrillerachtige teaser. Danseres Caitlin komt terug van het ziekenhuis met een geamputeerde voet en daar heeft Lucas iets mee te maken. Meer details zijn er niet, maar de pionnen zijn uitgezet. Je wil weten hoe ‘schuldig’ Lucas is, wat de gevolgen zijn voor de vriendschap tussen de twee, en begrijpen hoe het zover is kunnen komen.
Zijn verhaal doet Lucas in de ik-vorm, in één lange flashback: “Ik probeer me het allereerste begin te herinneren en ik besef dat ik daarvoor terug moet in de tijd, naar de voorbije winter”. Daarmee verwijst Lucas naar het overlijden van zijn grootvader en hoe hij toen pas merkte hoe geheimzinnig er gedaan werd over diens verleden. Maar gaandeweg ontdekt hij dat het begin veel verder terug in de tijd gaat dan de dood van zijn grootvader. Overigens drukken de daden van Lucas’ grootvader nog steeds hun stempel op het heden en blijkt diens schuld moeilijk in te lossen:

“In Falling, the nature of guilt, both public and private, is intimately tied to the act of remembering and thus to the nature of human relationships formed in the present. The only way to deal with such terrible and complex memories is to translate them into the present and move forward. (…) Provoost suggests that children can certainly take possession of that past and move forward, but that the past defines them just as much as the present.” (Lisa Sainsbury)

Het einde laat min of meer in het midden of Lucas en Caitlin daarin slagen. Ondanks dat onaffe – daar hield ik als zestienjarige niet van – was Vallen een van mijn favoriete boeken. Wellicht omdat het mijn intuïtieve verontwaardiging over Zwarte Zondag beargumenteerde voeding gaf. Zo’n boek op latere leeftijd herlezen, durft dan wel eens tegenvallen. Maar in dit geval niet.

(Fieke Van der Gucht)

Meer lezen?

Documentatiemap Anne Provoost
“Voor Anne Provoost is schrijven een ambacht” / Tilly Stuckens. In: De Standaard, 18 maart 1995
“Elke keuze heeft zijn angel” / Jo Blommaert. In: Stem der Vrouw, juli-augustus 1995
“Een literaire waarschuwing tegen de verleiding van het ‘bruine denken: over Vallen van Anne Provoost’”/ Helma van Lierop-Debrauwer. In: Literatuur zonder Leeftijd 63, p.46-53
“Anne Provoost: de lezer kiest zelf” / EB. In: De Morgen, 2 november 1994
“Volwassen literatuur voor de jeugd: het werk van Anne Provoost” / Annemie Leysen. In: Ons Erfdeel 42 (1999) 5, p. 692-698
“Wegwijzers bij de lectuur van Vallen van Anne Provoost” / Jet Marchau. In: Moritoen vzw. Literaire Werkgemeenschap voor Jongeren, Reeks XXVII (1995-1996, nr. 2)
“Chronotopes and Heritage: Time and Memory in Contemporary Children’s Literature” / Lisa Sainsbury. In: Kimberley Reynolds (ed.), Modern Children’s Literature: an Introduction, Palgrave, 2004, p. 156-172

[Dit, en meer, is te vinden in de bibliotheek van Stichting Lezen.]

De zilveren citadel

Het was mijn moeder – mijn prilste Lezende Voorbeeld – die mij op een dag De jongen die te veel wist (1988, Facet) van Anthony Horowitz cadeau deed, het derde deel van de dolkomische misdaadreeks over het duo Diamant. Jammer genoeg is dat het enige boek van Horowitz dat ik in eigen bezit heb – ik was jong met weinig zakgeld en boeken haalde ik in de bib (*). Dat Diamant-boek was, zo tussen mijn elfde en mijn veertiende, het begin van een langdurige verslaving aan Horowitz’ jeugdromans.

Die waren zo helemaal anders dan alles wat ik daarvoor had gelezen. Misschien was ik één van die jonge lezers die uitgekeken waren op “het geëngageerde, strijdbare, maatschappijkritische boek dat beladen met problemen niet altijd voldoende aandacht had voor het doodgewone ‘leesplezier’”, aldus Karel Verleyen in Het Volk. In elk geval, ruimte voor contemplatie of traag genieten was er niet bij: deze boeken vlogen in volle vaart vooruit, met flink wat actie en een cliffhanger aan het eind van elk hoofdstuk, met waanzinnige gebeurtenissen en personages die te gek waren om los te lopen. En veel tongue in cheek-humor. Sociologisch of politiek relevant waren ze niet, de boeken, moraliserend ook niet, godzijdank. Maar verslavend wel, en hoe!

dezilverencitadelHet was zijn Pentagram-cyclus die me echt overstag deed gaan. Dat moesten “vijf griezelboeken rond vijf paranormaal begaafde kinderen uit de vijf continenten” worden (Lexicon Jeugdliteratuur). Er verschenen er uiteindelijk vier, allemaal bij Facet: Kernenergie voor de duivel (1986), De nacht van de schorpioen (1989), De zilveren citadel (1989) en De dag van de draak (1991). Een vijfde deel kwam er niet. (**) Die vijf kinderen – Martin in Pentagram 1, Pedro in Pentagram 2, de telepathische tweeling Jeremy en Nicholas in Pentagram 3 en tot slot Will in Pentagram 4 – worden zich bewust van de bijzondere krachten die ze hebben. Met zijn Vijven kunnen ze de wereld van de satanische Ouden redden.
Dat derde deel was mij het dierbaarst en dat had met mijn fascinatie voor tweelingen te maken. Ik was zelf graag deel van een tweeling geweest – te veel boeken over tweelingen gelezen wellicht – en anders wilde ik er graag eentje baren later en ja, ze zouden Jeremy en Nicholas heten net als in De zilveren citadel.

Net als in Horowitz’ overige boeken zwaaien in de Pentagram-reeks vijf kinderen de plak. Ouders hebben ze niet (meer). Dat is nodig om de jonge helden boven zichzelf te laten uitstijgen, zo vermeldt Horowitz in meerdere interviews. Zelf groeide hij op in een overbeschermd milieu waarin kindermeisjes en bedienden voortdurend voor hem klaarstonden. Zo kweek je geen zichzelf beredderende kinderen, iets wat de hoofdpersonages in zijn boeken net wel heel goed kunnen. “De hoofdfiguren in mijn boek kunnen zich redden of een zaak oplossen, precies omdat ze op zichzelf zijn aangewezen”, zegt auteur daarover in een interview met Bart Beckers.

De volwassenen in zijn boeken zijn zelden van goede wil en zijn meestal handlangers van het kwaad. Opvallend is dat die handlangers er zonder uitzondering ook karikaturaal slecht uitzien, zoals meneer Banes in De zilveren citadel: “Zijn huid had de kleur van graniet, met daarop een als een scherp litteken een schim van een snorretje, dat meer weg had van een rijtje brandplekken op zijn bovenlip.” (p.12) Dat heeft Horowitz van zijn grote voorbeeld Charles Dickens geleerd, zo vertelt hij aan Bea de Koster in De Morgen:

Dickens heeft van die prachtige, groteske figuren, die toch een zekere waarheid belichamen. Dat probeer ik ook te doen. Het is een soort binnenweg naar het kwaad. Als je geen zes bladzijden wil doen over het beschrijven van een personage en zijn erfenis van ellende en miserie, is het makkelijker en wellicht ook zuiverder om hem als monster ten tonele te voeren. Dat is dus een techniek, mijn techniek.”

Niet dat het karakter van de ‘goeien’ zoveel psychologischer wordt uitgespit, zo merkt Els van Steenberge merkt in Leesidee Jeugdliteratuur terecht op. Aan liefde of vriendschap doen de hoofdpersonages niet – tijdverlies! – en aan uitgebreide beschrijvingen van hun angst- of haatgevoelens heeft Horowitz ook een broertje dood. Dat verklaart Horowitz in een interview met Marita de Steck dan weer als een invloed van zijn held Hergé, de geestelijke vader van Kuifje:

Hergé tekende de decors doorgaans nauwkeuriger dan zijn personages. Ook mijn decors zijn meer realistisch dan mijn personages. Plaatsen zijn belangrijker dan personages en de plot is belangrijker dan de decors én de personages samen. Ik probeer mijn centrale figuren zo ongedefinieerd mogelijk te houden.”

Bij herlezen van De zilveren citadel valt inderdaad op dat Horowitz een kei is in decorbeschrijvingen die bovendien iets over de plot verklappen. Zo wordt de citadel – het gebouw waarin een drugsorganisatie is gevestigd, zo zal later in het boek blijken – op pagina 55 beschreven als een reusachtige injectienaald:

En de resterende vijfenzeventig verdiepingen, die iets breder in doorsnee waren dan de basis, verhieven zich loodrecht hemelwaarts om zich pas op het allerhoogste puntje toe te spitsen in een blikkerende stalen mast, als een naald die de hemel prikte.”

Dat Horowitz beelden creëerde met woorden moet voor mijn elfjarige zelve voldoende compensatie geweest zijn voor de weinig uitgewerkte karakters. Bij herlezen, nu 23 jaar later, ontgoochelde mij dat. Al viel mij nu, als volwassene, dan weer veel meer de geniale, onderkoelde humor op:

Ze stond in de keuken iets te bakken, dat leek op geplette pannenkoekjes. ‘Tofu’, legde ze uit. ‘Daar zit minder cholesterol in dan in eieren. En verder heb ik zoutloze volkorentoast, magere melk en cafeïnevrije koffie.’ Ze draaide het gas laag. ‘Ik zorg nu eenmaal graag goed voor mezelf,’ zei ze.” (p. 37)

De Pentagram-cyclus werd opnieuw uitgegeven als De kracht van Vijf-reeks (**). Nu ja, heruitgegeven is te bescheiden uitgedrukt. De boeken houden de originele verhaallijnen aan, maar zowat 80% van de tekst werd volledig herschreven. De zilveren citadel heet nu Nightrise: wie is er morgen nog in leven? (Facet, 2007), Jeremy en Nicholas heten nu Jamie en Scott. Helemaal zoals het hoort ligt mijn nostalgische hart bij de oorspronkelijke versie. Maar tegelijkertijd ben ik blij dat de elfjarigen van nu hun hart kunnen ophalen aan een modernere versie.

(Fieke van der Gucht)

(*) Happy ending! In 2009 werd De jongen die te veel wist het enige gesigneerde boek uit mijn boekenkast. Ik heb een bloedhekel aan handtekeningen schooien. Maar op 25 maart 2009, toen Anthony Horowitz op de dag van de Literatuureducatie kwam spreken, durfde ik het tóch. ‘For Fieke, eighteen years later’ staat er nu te lezen.

horowitz

 

(**) Happing ending bis! Op 22 februari 2012 twitterde Horowitz: “448 pages. 58 chapters. 202,897 words. That really is it. Oblivion is done.” Het lang aangekondigde vijfde deel uit de Pentagram-cyclus / De Kracht van Vijf-reeks komt er dus toch!

Meer lezen?
Documentatiemap Anthony Horowitz
“Anthony Horowitz: de frisse wind” / Karel Verleyen. In: Het Volk, 5 mei 1988
“De binnenwegen van Anthony Horowitz” / Bea de Koster. In: De Morgen, 24 november 1989
“Ik schrijf om me te amuseren” / Bart Beckers. In: Joepie (bijlage Boekenbeurs), 1990
“Ontsnapping aan een saaie leven: een interview met Anthony Horowitz” / Marita de Sterck. In: Leesgoed 2, 1992, p.67-70.
“Op verkenning in een omgekeerde wereld” / Els van Steenberge. In: Leesidee Jeugdliteratuur 5, 2002, p.202-204
“Authorgraph No. 155 : Anthony Horowitz” / interviewed by Nicholas Tucker. In: Books for keeps : the children’s book magazine (2005), afl. 155 (November), p. 12-13
“Anthony Horowitz” / Jet Marchau en Rita Ghesquiere. In: Lexicon van de jeugdliteratuur, juni 2007, p. 1-9
[Dit, en meer, is te vinden in de bibliotheek van Stichting Lezen.]

Lieve, lange Sarah (en ook een beetje Eindelijk Michiel en Snippers)

Heel lang geleden waren er twee soorten boeken. Er waren (1) de boeken van Astrid Lindgren, over kinderen in velden, in hooibalen, in riviertjes, in het grote avontuur. Dat leven wou ik zelf leiden. En er waren (2) de boeken van Patricia MacLachlan, over kinderen die op een vensterbank over moeilijke dingen zaten na te denken. Kinderen voor wie het grote avontuur eigenlijk heel klein was. Die boeken wou ik zelf schrijven. Eindelijk Michiel is mijn favoriet (denk ik), met op de cover die jongen in de vensterbank en een kip op schoot. Snippers komt tweede plaats (denk ik), met die eerste zin over die opa die een foto probeert te maken van een koeienvlaai. En Lieve, lange Sarah zweeft overal tussen en rond – maar geraakt in mijn wereld niet op de voorgrond. Ook niet na al die jaren. Als ik het nu herlees  vind ik zelfs nogal opzichtig (dat vind ik niet van Michiel en Snippers). Maar let u vooral niet op mij: met Sarah, plain and tall (hoeveel minder plain klinkt dat dan Lieve, lange Sarah?) zette Patricia MacLachlan zich in 1985 resoluut op de kinderboekenkaart.

drie maal patricia maclachlan

Ze had al een aantal prentenboeken geschreven en – “she had too much to say to be confined by the 32-page picture book” (Russell, p. 8 ) – een handvol langere verhalen. Ze had al prijzen gewonnen en ze had al respect afgedwongen, maar met Sarah, plain and tall won ze de Newbery Medal en werd ze een ster. De roem werd compleet met de verfilming in 1991, met Glenn Close en Christopher Walken in de hoofdrollen. Patricia MacLachlan schreef het script zelf en paste haar verhaal aan aan een publiek van kinderen én volwassenen – en kreeg er meteen de smaak van screenplay writing mee te pakken.

Sarah, plain and tall was haar eerste boek dat in 1987 in het Nederlands vertaald werd (er zouden er nog acht volgen). En ook in onze lage landen waren recensenten (inclusief de Boekenleeuw-jury) weg van het verhaal over de lieve lange Sarah die vanuit Maine (aan zee) naar de prairie (diep in het binnenland) komt om er een nieuwe moeder te worden voor Anna en Caleb en een nieuwe vrouw voor hun vader. Jaak Dreesen roemde in De Bond de literaire kwaliteiten van het boek: “Ik hou veel van de korte, heldere zinnen van dit boek. Me dunkt, er staat geen woord te veel in. Het zit vol kort, scherpe observaties, en is heel beeldend geschreven.” En hij voegt toe: “Kinderboeken [worden] bij ons zelden of nooit met literaire maatstaven gemeten. Toch moet dat, want een boek is een literair product.” (Twee jaar later zou Eindelijk Michiel, de vertaling van Arthur, for the very first time, als vervolgverhaal in De Bond verschijnen.) In De Standaard was Tilly Stuckens formeel: “Lees dit boek. Het is uniek. Niet alleen vanwege zijn wat ongewone inhoud, of vanwege de vanzelfsprekendheid waarmee de huwelijksadvertentie aan bod komt, of vanwege de fijne toetsen waarmee heel intieme en verwarrende gevoelens worden beschreven… Maar ook vanwege de met groot literair talent weergegeven aangrijpende sfeer van de verafgelegen boerderij en de velden errond.”

Speaking of boerderijen en velden: volgens David L. Russell is Sarah, plain en tall een resolute terugkeer naar MacLachlans roots in Wyoming. Aukje Holtrop was in Vrij Nederland weg van “de geur van pasgemaaid gras, koeiepoep en versgeplukte aardbeien” die ze voelt opstijgen uit Lieve, lange Sarah en Eindelijk Michiel. Sowieso zijn plaatsen en locaties belangrijk in MacLachlans boeken. En dat gaat verder dan het beschrijven van aardige boerenmensen in een uitgestrekt landschap: “All of her writings carry a deep sense of place, of belonging somewhere.” Of hoe Tim in Snippers moet uitzoeken waar zijn plaats in de wereld ligt, met een vader die niet bestaat en een moeder die vertrokken is. En hoe Michiel wat van rust en vrede vindt op de boerderij van zijn oudoom en –tante. Patricia MacLachlan legt echter zelf nog de meest boeiende en veelzeggende link tussen haar roots en haar schrijven: “I think what happens is you write how you grew up. And I was born on the prairie and so everything is kind of spare on the prairie. And so I’m just used to writing in that way. [… ] I like writing small pieces. Somehow it just suits me.”

Lieve, lange Sarah, Eindelijk Michiel, Snippers… zijn zogenaamd kleine verhalen. Het zijn verhalen waar de spanning tussen de regels zit – of zoals Tilly Stuckens schreef over Lieve, lange Sarah: “de spanning is aanwezig in kleine, maar herkenbare nuances en zindert het hele boek door”.  Patricia MacLachlan is van het soort auteur dat een leven lang kijkt en observeert. Soms vertaalt ze letterlijk wat ze ziet. Het verhaal van post-orderbruid Sarah is er bijvoorbeeld een uit haar eigen familie. Sarah kreeg al een bijzin in Arthur, for the very first time (dat in Amerika 5 jaar vóór Sarah, plain and tall verscheen), maar ze was “a character that haunted, nagged, or begged MacLachlan to tell her story” (Russell p. 65). Maar vooral weet MacLachlan met al dat kijken en observeren de kleine radartjes in het grote geheel te onderscheiden, “absorbing the experiences and personalities, making the connections, and discovering the relationships.” (Russell p. 1)

De ik van heel lang gelden las in deze kleine verhalen graag een ernst en een droefenis en een eenzaamheid en een groot gevoel voor detail. De ik van vandaag haalt Eindelijk Michiel en Snippers af en toe nog uit te kast om verhalen te vinden die niet altijd gelukkig zijn en soms misschien een tikkeltje achterhaald, maar die heerlijk ruiken naar koeienpoep en kippenstront en die zelfs een vermoeid volwassen hoofd tot rust kunnen brengen.

(An Stessens)

Meer lezen?
Documentatiemap Patricia MacLachlan
Patricia MacLachlan / David L. Russell. – Twayne Publishers, 1997
Lieve Sarah, ‘t is mooi geweest / Karin van Camp. In: Leesidee Jeugdliteratuur 1 (1995), nr. 4, p. 116
Patricia MacLachlan / Marita de Sterck. In: Jeugdboekengids 34 (1992), nr. 9
http://www.publishersweekly.com/pw/by-topic/authors/interviews/article/43625-q–a-with-patricia-maclachlan.html

[Dit, en meer, is te vinden in de bibliotheek van Stichting Lezen.]

Woord voor woord

Toen nog niet helemaal duidelijk was dat mijn religieuze opvoeding een hopeloze zaak was – dat moet rond 1980 geweest zijn -, kreeg ik Woord voor Woord: Het nieuwe testament cadeau. Niet van mijn ouders (beweren ze nu) – misschien was het een oom die vond dat zijn nichtje in dat net iets te seculiere gezin wel een beetje hulp kon gebruiken?

Ik blader in mijn kinderbijbel van toen en merk dat het vooral de illustraties van Bert Bouman zijn die een beklijvende indruk hebben gemaakt. Niet noodzakelijk om hun stichtende boodschap: de zoenende Maria en Jozef, een akelige blote man (die dan later een knuffel kreeg van Jezus), Talitha die genezen werd (maar er toch een beetje spookachtig bleef uitzien) en een man die ik er vroeger ziek en zielig vond uitzien maar die nu de knecht blijkt te zijn die niks met zijn talenten heeft aangevangen.

zoeners - bloot - opgestaan uit de doden - de derde knecht

De recensies van toen spreken lovend over deze illustraties, over de uitbundige kleuren en speelse lijnen, over hun nuchtere en tegelijkertijd fantasievolle karakter, over de actualiseringen en de humor, en het feit dat ze vaak Nederlands en eigentijds zijn.

Eykman zegt daar in zijn voorwoord zelf over: “[De illustraties] helpen zo om duidelijk te maken wat we hopen met die verhalen. Om een voorbeeld te noemen: op die tekeningen zie je vaak allerlei voorwerpen die je eerder in Holland nu dan in Israël toen zou verwachten. Dat is niet om modern te doen of zo. Dat is omdat we inderdaad hopen dat de verhalen niet van ver weg en lang geleden zijn. We hopen dat die verhalen nu geldig en dichtbij zijn.”

Bijna twintig jaar na het verschijnen van de kinderbijbel schreef Eykman over zijn opzet: “Je kunt een kind met Sinterklaas een kant-en-klaar autootje geven. Dat is mooi. Maar je kunt een kind ook een legodoosje geven met op de buitenkant een foto van een auto en binnenin een gebruiksaanwijzing. Wanneer je precies doet wat op het papiertje staat, krijg je dat autootje dat op die foto staat. Je kunt een kind ook een hele zooi legoblokjes geven en dan zul je verbaasd zijn wat voor soort autootjes er uit tevoorschijn komen. Dat is wat ik met die verhalen wil. Je geeft ze een aantal blokjes mee.”

Precies om deze redenen wordt het verschijnen van deze kinderbijbel in 1976 (samen met een uitgave van het Oude Testament) door kinderbijbelspecialist Willem van der Meiden een sleutelmoment in de geschiedenis van de Nederlandse kinderbijbel genoemd.
Niet eerder werd een kinderbijbel gemaakt waarin zo duidelijk gemikt werd op een publiek dat met Bijbelverhalen onbekend is, zegt de vakliteratuur. Herlezend herken ik dat, in de nuchtere verteltrant bijvoorbeeld, “ontdaan van geur van heiligheid”, volgens Willem van der Meiden. Het is een gewoon verhaal over weliswaar buitengewone gebeurtenissen. Maar de ik-anno-2012, voor wie de kern van een (kinder)bijbel neerkomt op het doorgeven van cultureel erfgoed, mist toch wel een beetje het statige van het Nieuwe Testament in een klassiekere versie. Want de ‘Parabel van de talenten’ heeft hier als hoofdstuktiteltje ‘Het geld dat niet gebruikt werd’, en de talenten zijn in 1976 trouwens guldens geworden.

Of ik dat als kind ook vond? Of was ik juist blij met de begrijpelijkheid van de tekst? Ik heb geen flauw idee. Ik zou best wel even terug naar het verleden willen flitsen om te zien hoe ik met deze kinderbijbel omging. En ook om te zien wanneer ik mijn interesse begon te verliezen. Want om verder te breien op Eykmans mooie analogie met de lego-blokjes: ik was zo’n kind dat even met die legoblokjes speelde, maar ze daarna opzij schoof ten voordele van Playmobil.

(Eva Devos)

Meer lezen? 

‘Zoo heerlijk eenvoudig’ : geschiedenis van de kinderbijbel in Nederland / Willem van der Meiden. – Verloren, 2009

Kinderbijbels zijn aanloopjes, meer niet / Karel Eykman, In: Zo goed als klassiek : bijdragen aan het gelijknamige symposium, gehouden 14 december 1994 aan de Katholieke Universiteit Brabant / Helma van Lierop-Debrauwer. – NBLC Uitgeverij, 1995, p. 31-36

[Dit, en meer, is te vinden in de bibliotheek van Stichting Lezen.]