Goeiedag en bedankt!

Ik ben slecht in afscheid nemen. Ik vlucht altijd zo snel mogelijk weg van het perron, ik wacht nooit tot de trein vertrekt, en ik draai me ook niet om om nog eens snel te zwaaien.

Dank u, Stichting Lezen, voor de gastvrijheid. En dank u Gerrit in ‘ t bijzonder, voor het masteren van deze blog.

Merci aan alle commentatoren en mailers.

Dank u wel, lezers: ik vond het schrijven leuk, ik hoop dat jullie ‘t lezen leuk vonden.

Dag Kaat, wees welkom, ik zal u heel hardnekkig lezen.

(Goh, ik ben écht slecht in afscheid nemen. Vertrek maar, trein.)

Na de blog

Is er leven na de blog?

Is het ‘de’ of ‘het’ blog? Van Dale keurt ze allebei goed. Moet ik ‘van Dale’ aan het begin van een zin met grote of met kleine ‘v’ schrijven? Is het ‘aan het begin’ of ‘bij het begin’ van een zin?

Anyway. Is er leven na de blog, zo vraag ik mij vandaag af. (Ik vind ‘de’ blog’ toch een tikje beter klinken dan ‘het blog’, ik weet niet waarom. Ik vind ‘blog’ sowieso een zeer lelijk woord. Ik vind ‘sowieso’ trouwens óók een zeer lelijk woord! En misschien vind ik ‘trouwens’ ook wel een zeer lelijk woord!! Gátverdámme.)

Mijn voortreffelijke blogmaster Gerrit mailt mij dat ik serieuze afkickverschijnselen begin te vertonen de laatse dagen en mijn voortreffelijke collega Robin ontwaart serieuze aanvallen van melancholie in mijn laatste bijdragen. Zou het kunnen? Het zou kunnen.

Wat ga ik doen na een maand bloggen? Ik ga schrijven, wees daar maar zeker van!

(In de plaats van ‘wees daar maar zeker van’ had ik hierbijvoorbeeld ‘zeker weten’ kunnen schrijven, maar dat vind ik zo’n foeilelijke uitdrukking! ‘Zeker weten, joh!’ Brr. Waarom zijn er toch zoveel lelijke woorden en uitdrukkingen? ‘Goe bezig!’ ‘Naar de toekomst toe.’ ‘Het schoolgebeuren.’ ‘Ik heb zoiets van.’ ‘Ergens wel.’ ‘Zelfhulpgroep.’

Maar gelukkig zijn er ook heel veel mooie woorden en uitdrukkingen! ‘Van de ratten besnuffeld’, ‘Gij met uw gezever altijd!’, ‘schepenachtermijverbrander’, ‘gestroopsmeer’, ‘nocturne’, ‘staketsel’, ‘koriander’, ‘huivering’, ‘hunkeren’…

Iemand zou die eens moeten tellen, de mooie woorden en uitdrukkingen, en dan de lelijke woorden en uitdrukkingen. En dan twee kolommen maken. Je zal zien: de mooie kolom zal veel langer zijn dan de lelijke. Maar of course: de lelijke hoor je wel veel vaker…)

Misschien blijf ik ook wel bloggen, dat kan ook. Eens overleggen met mijn webmaster Elsi, of dat kan via mijn eigen website. Want bloggen is ook schrijven natuurlijk, maar het is óók leuteren (‘kwebbelen’ noemde Belle dat, en dat is een mooi woord – nog één!), en ik leuter heel graag.

Maar nu wil ik toch eerst heel graag aan een nieuw boek gaan werken. Dit bloggen heeft me ongeloflijk veel goesting gegeven (‘goesting’, nóg zo’n mooi woord!) om nog meer en intensiever te gaan schrijven. Ik heb verhalen in mijn hoofd en tintelingen in mijn vingertoppen, en midden in de dag, terwijl ik een klas landerige pubers tot leven probeer te wekken, voel ik ineens een hevige hunkering naar dat toetsenbord van mijn prachtige laptop. Als een gitarist naar zijn snaren.

Ik wil op reis gaan in mijn verhalen. Want tenslotte is het dat wat ik ben, en wat ik wil zijn: een verteller van verhalen.

Tot morgen, liefste lezers. Dan neem ik nogmaals afscheid van u en dan ga ik een erehaag voor Kaat vormen. Jawel. Ik in mijn eentje. Een erehaag. Ik kan dat.

PS. Een paar dagen geleden verscheen er een commentaar van een zekere ‘Jan Simoen’ bij het stuk ‘Bumperstickers’. Natuurlijk was ik dat niet. Ik ben wel tamelijk stom somtijds (‘somtijds’, nóg zo’ n mooi woord!), maar niet zó stom! Iemand op een verkeerd knopje gedrukt wellicht. Was trouwens een zeer grappige commentaar. Dank u, commentator! Š

…en de beelden van Jan Rosseels

Dingen die het leven de moeite waard maken (in willekeurige volgorde):

– de American Recordings van Johnny Cash

– mosselen met friet in restaurant Sirene aan de Belgische kust, in gezelschap van mijn moeder

Black Box van Amos Oz

– de foto’s van Cartier-Bresson

– lesgeven aan Leuvense pubers

– schandalig lekker koken voor mijn kinderen, en dan veel zeveren en lachen tijdens het gezamenlijk opeten van al dat lekkers

– mailen tot diep in de nacht

– mijn Nikon D70

– de Matheüspassie van J.S.Bach

– Calvin & Hobbes

– rode wijn

– schandalig lekker koken voor mijn vrienden, en dan veel zeveren en lachen tijdens het gezamenlijk opeten van al dat lekkers

– het zicht op het Ile de la Cité vanop de Pont des Arts in Parijs

– de koffie verkeerd in de Komeet (maar die van de Metropole is ook niet mis)

– een lange wandeling met Rie door de velden van Wakkerzeel

– verhalen schrijven op mijn prachtige laptop

– bladeren in een woordenboek

Inspector Morse en Heimat (ex aequo)

– uitgenodigd worden door mijn vrienden, schandalig lekker eten en daarbij veel zeveren en lachen

– de beelden van Jan Rosseels, zoals bijvoorbeeld dit hier:

Rare kwieten

Dertig jaar geleden had je Sjarel. Of was het Charles, ik weet het niet meer, een oude tandenloze linkse militant en zwerver, die je in alle Leuvense cafés aantrof maar vooral in de Cercle (later het Stuc met c – het STUK met K ligt nu aan de Naamsestraat), aanpappend met elke student die hij tegenkwam om de revolutie te prediken en sigaretten en drank te bedelen. Op de avond van de grote veldslag tussen Amada en VMO, dat was in september 1975 of ’76, ik wil er van af zijn, liep Sjarel onverschrokken achter de stoottroepen van het VMO aan en schold ze luidkeels uit: ‘Fascisten! Klootzakken! Nazi’s!’ Het VMO (voor de jongeren onder u: de toenmalige militaristische vleugel van extreem-rechts in Vlaanderen) maakte die avond dertig zwaargewonden. Maar Sjarel werd geen haar gekrenkt.

In diezelfde periode reed er door Leuven een klein mannetje op een koersfiets rond. In zijn onderbroek, met een wollen muts op zijn kop. Af en toe stapte hij van zijn fiets en schreef met zwarte viltstift, in een uiterst sierlijk handschrift, allerlei vriendelijke antiklerikale boodschappen op reclameborden: ‘Godsdienst is de grootste smeerlapperij die er bestaat.’ ‘Nonnen en pasters zijn de grootste deugnieten ter wereld.’

(Nu, in 2006, zie ik op reclameborden slogans opduiken in ongeveer hetzelfde handschrift, met dezelfde zwarte viltstift, maar nu gericht tegen de auto-industrie en de nieuwe Passat en de nieuwe Renault enzo, en de slogan is altijd dezelfde: ‘En nog steeds veel te vervuilend!’ Zou het mannetje met de wollen muts, de onderbroek en de koersfiets teruggekomen zijn?)

In de Brusselsestraat en omstreken tref je vaak een in het zwart geklede man aan, soms te voet, soms op de fiets, rosse baard en ros haar, soms heeft hij een soort amulet of halfedelsteen op zijn voorhoofd geplakt of vastgebonden met een elastiekje of iets dergelijks, en vaak praat hij halfluid of heel luid in zichzelf, en altijd gaat het over godsdienst en de kerk. (In Leuven gaat het gerucht dat de man ooit eens een moord gepleegd heeft, op een pater nog wel! Amai zeg! En dat loopt zomaar in de Brusselsestraat rond!)

En Jimmy, de gitarist, loopt ook al heel lang in Leuven rond. (Wij hebben hem lang geleden leren kennen als Jimmy, maar de jongere generaties noemen hem nu blijkbaar anders, ik ben vergeten hoe). Jimmy is een mentaal gehandicapte straatmuzikant en in het begin kende hij één akkoord, ik weet echt niet welk, maar het klonk indrukwekkend. Hij ging op de straatstenen zitten, ging een paar minuten zijn gitaar te lijf met een werkelijk ontroerende fysieke overgave, en kwam vervolgens rond met een plastic doosje, waar iedereen een paar frank in gooide. Een jaar of tien later zagen wij, de geprivilieerden op de caféterrasjes, dat Jimmy een nieuwe gitaar gekocht had. Hij had ook een akkoord bijgeleerd, zo hoorden wij. Meteen voelden wij ons schuldig, wij vette doorvoede bourgeois, want Jimmy had ongetwijfeld die gitaar geduldig bijeengespaard van al die kleine muntjes die wij in zijn plastic doosjes hadden gegooid door de jaren heen. En misschien had hij ook wel gitaarlessen genomen met zijn zuinig verdiende centjes! Meteen gooiden wij wat royalere muntstukken in zijn plastic doosje.

Onlangs zag ik Jimmy terug aan de ingang van de Match op de Bondgenotenlaan. Hij draagt nu een bril en zijn haar wordt een beetje grijs. Hij ramt nog steeds vol overgave op zijn gitaar, en dat doet me plezier. Iedereen wordt ouder, ook de rare kwieten van Leuven, maar ze zijn nog altijd springlevend. Tegenwoordig zamelt Jimmy geld in met een bekertje van McDonalds, zo merkte ik op. Iedereen moet met zijn tijd mee.

De bevroren zee

Jules Verne | 20.000 mijlen onder zee

Op 6 december 1962 kreeg ik van Sinterklaas het boek 20000 Mijlen onder Zee van Jules Verne cadeau. Ik was toen negen. Twee uur later had ik het boek uit en tot op de dag van vandaag weet ik nog door welk gevoel ik werd overvallen op het moment dat ik het boek dichtklapte. Het was geen mooi gevoel, nee, en het was ook geen aangenaam gevoel – volgens de katholieke kerk en volgens Humo is het zelfs een van de zeven hoofdzonden: het was jaloersheid.

Nee, ik was niet jaloers op de helden van het verhaal, de uiterst geleerde en dappere professor Arronax of Ned Land, de stoere harpoenier, of Kapitein Nemo, de geheimzinnige gezagvoerder van de mysterieuze duikboot – nee, ik was jaloers op de schrijver van dat ongelooflijke boek! Ik was jaloers op Jules Verne! Waarom had hij dat verhaal verteld en niet ik? Die smerige Jules Verne had dat verhaal van mij afgepakt, noch min noch meer! Ik had dat moeten schrijven! En van pure colère en jaloersheid ben ik rechtgesprongen, ik heb de voordeur van ons huis opengerukt en ik ben in één woeste race recht naar de zee gerend. Dat stelde niet zoveel voor, want in 1962 woonden wij in Middelkerke, aan de Belgische kust, op ongeveer honderd meter van de zee.

Wat wél iets voorstelde was dat de zee op dat moment bevroren was. De winter van 1962-’63 was namelijk de strengste winter van de eeuw (of zoiets) en de Noordzee was – echt waar! – bevroren. Bij eb bevroor het zeewater tot op zo’n vijftig-zestig meter van het strand en bij vloed werd al dat ijs op het strand gestouwd, en dat stapelde zich op, en op den duur lagen er heuse ijsbergen op het strand van Middelkerke. Eén à anderhalve meter hoog, minstens. Echt waar!

Bevroren zee winter 1963

En daar stond ik dus, boven op z’n ijsberg op het strand van Middelkerke, minstens twee meter boven de zee, kwaad te wezen op Jules Verne. ‘Wacht maar, Jules Verne!’ ging het door mijn hoofd. ‘Ik zet het je betaald, wacht maar!’

En ineens had ik het: ik zou zelf een boek schrijven! En niet zomaar een boek, nee: ik zou een trilogie schrijven! Een trilogie in drie delen (ha!), en ik had zelfs al een titel: ‘De bevroren Zee’, zou de trilogie heten! Ik zag het al helemaal voor me.

DE BEVROREN ZEE

Trilogie

door

Jan Simoen

Deel I: De Zee bevriest

Deel II: De Zee is Bevroren

Deel III: De Zee ontdooit

En ik ben in één woeste ruk naar huis gerend, de volle honderd meter, ik heb de voordeur achter mij dichtgeklapt en ik heb keihard naar mijn vader geschreeuwd: ‘Papa, papa, snel! Ik heb een schrift nodig!’ Mijn vader, moet u weten, was onderwijzer en derhalve had hij steeds een aantal van die kleine schoolschriftjes in huis, en waarempel, ik kreeg er eentje van hem. Er prijkte een vliegtuig op de kaft en achteraan stonden de tafels van vermenigvuldiging. ‘Zuinig zijn hoor!’ sprak mijn vader streng. ‘Geen papier verspillen!’

Schriftje 1

Schriftje 2

Ik heb dat schriftje meteen helemaal volgeschreven, vooral met titels van delen en titels van hoofdstukken. Boekdelen werden vijf keer onderstreept, hoofdstukken maar drie keer. Mijn eigen naam, ‘door Jan Simoen’, werd acht keer onderstreept, in vier verschillende kleuren en voorzien van allerhande ingewikkelde krullen en versierselen.

Tekst kwam er ook in voor. Zeker een halve pagina, minstens.

Mijn trilogie van de bevroren zee heeft helaas het leven niet overleefd, zij is ergens verdwenen in de plooien van de tijd. Meer dan veertig jaar later, in 2005, heb ik wel een trilogie voltooid. Een andere trilogie weliswaar. Meer dan waarschijnlijk veel minder mooi dan die eerste, die verloren is gegaan. Verloren dingen hebben altijd een streepje voor op bestaande dingen. Je kunt ze namelijk niet bestrijden, net omdat ze afwezig zijn. In hun afwezigheid zijn ze altijd mooier dan de bestaande dingen.

Maar één ding weet ik zeker.

Dankzij Jules Verne ben ik schrijver geworden.