bedankt

Het zou een oefening worden in het leren omgaan met de tijd schreef ik. Dat was het ook wel een beetje. Nu het bloggen, eerder schrijven van een dagboek meent één van mijn (nerdse)vrienden, ten einde loopt, kijk ik er met een tevreden gevoel op terug.

Tijdens het uur leesbevordering is iedereen ‘verplicht’ om gedurende beperkte tijd in een zelfgekozen boek te lezen. ‘Vrij lezen’ noemen we dat. We hebben dat ogenblik, dat naarmate de kinderen ouder worden, langer duurt, bewust ingebouwd. In het lessenrooster van elke dag dreigt het vaak te moeten wijken voor wat belangrijker is of lijkt. Hier in de boekenklas heeft het vrij lezen een vaste plaats gekregen. De jongste klassen hebben er vaak moeite mee, gewoon stil zitten en proberen om in een boek/tekst verdiept te raken is niet altijd vanzelfsprekend. Maar eens ze het lezen goed onder de knie hebben, zien we, hoe ze de tijd die op dat ogenblik toch niet anders ingevuld mag worden, geconcentreerd doorbrengen. Vooral wie thuis geen leescultuur kent, hopen we op die manier te leren dat het prettig kan zijn om even tijd te nemen voor’ lezen’.  En daar slagen we ook wel in, stel ik vast wanneer ik de oudste klassen zie neerstrijken.

Dit schrijven deed me aan die verplichte leesmomenten denken. ’t Was niet altijd makkelijk. De laatste weken zaten ook overvol. Maar toch was het aangenaam mezelf te verplichten voor de computer te gaan zitten en stil te staan bij wat er was gebeurd.
Nu vrijdagavond, ben ik blij dat de week er op zit. ‘k Had misschien nog willen vertellen over de eersteklassers die trots de titel van hun boek voorlezen. ‘Heb je dat gehoord, dat was zonder hakken en plakken, juf’ … over de diepzinnige gesprekken die de tweedeklassers voeren naar aanleiding van Bart Moeyaerts Brief die Roosje vond… Maar mijn energie is op, zoals een vulpen die laat voelen dat het laatste restje inkt in het reservoir wordt aangesproken.

Straks mijn verwaarloosd paardje met liefde (al prefereert ze eerder wortelen) overstelpen.  Morgen op zoek naar De thuiskomst van Shaun Tan en later misschien wel eindelijk een keer ongestoord met de poes en een boek op de schoot.

Bedankt voor de uitnodiging, het voelde goed om even in jullie huis te mogen logeren,voor de fijne reacties, op de blog, in de mails en zomaar tussendoor.

Tot ziens

Wat heeft poëzie met de kachel gemeen?

“Of we iets zouden doen voor gedichtendag?” Vroeg een collega me een hele tijd geleden. “Natuurlijk.”  We zouden er nog even over broeden.  Maar plots was het eind januari, de tijd holt hier door de school en wij bleken nog niet uitgebroed. Heb dan gisterenmiddag doorgebracht met het kopiëren van gedichten uit alle bundels die ik had verzameld. Voor elke leeftijd, voor elke stemming, van alle mogelijke schrijvers. Op bezoek bij mijn ouders het aangename aan het nuttige gekoppeld en elk blad voorzien van een kleurrijke (aantrekkelijke) toets.

Woensdagnamiddag, door het raam scheen de winterzon, in mijn rug brandde het houtvuur en voor me een tafel vol papier, krijtjes, waterverf en potloden. Het leek wel alsof de tijd 40 jaar stil was blijven staan.

Achter elk raam van de school hangen nu kleine posters en boven in de boekenklas hebben de winterse boeken plaats gemaakt voor poëziebundels waaruit de fragmenten afkomstig zijn. Eén raam is voorlopig nog leeg. Daar kunnen de kinderen hun mooiste gedicht ophangen. Misschien zullen we plaats tekort hebben, misschien komt er weinig respons … afwachten.

Op gedichtendag 2009 is dit alvast mijn mooiste gedicht:

Vrede in jezelf

is een kacheltje

dat altijd brandt.

In de laagste

of de hoogste stand.

Wat er ook gebeurt,

altijd brandt.

Vrede in jezelf

spaart energie.

Haal diep adem,

voel en zie…

Theo Olthuis

Boffen

Maandagochtend.

Het is goed om terug in de routine opgenomen te worden.
Een jongetje (een ander) dat maar geen vat krijgt op de taal, enthousiast te horen lezen.
Hij boft, lezen we. Bof! dat is zoals in het Frans meent hij en hij drukt met zijn lichaam de ontgoocheling uit waar dat woord voor staat. Moeilijk, want dat is het nu net niet.
We gaan op zoek naar voorbeelden van momenten waarop hij zelf ‘boft’. Momenten waarin hij geluk heeft. Gelukkig vindt hij er veel, ogenblikken waarop hij chance heeft. Maar hij blijft het raar vinden bof!, boffen en chance hebben…
Het duurt nog wel even eer hij het woord ‘boffen’ opneemt in zijn woordenschat. Maar op dit ogenblik is het mooi te zien hoe hij nieuwsgierig worstelt met taal, hoe we daar samen mee kunnen spelen en vooral hoe vaak hij al heeft geboft in dit leven.

En ik denk terug aan het voorbije hivo-weekend op de Hoge Rielen. Eén van de deelnemers vroeg me of ik wist of het woord weifelen bestaat. Ik heb immers zoveel gelezen. Zijn vraag bracht mij aan het twijfelen. Jawel, net zoals dat bij hem het geval was, zei ook mijn gevoel dat het woord weifelen een vorm van twijfelen was. Maar hoe meer ik hier over nadacht, hoe meer ik twijfelde. Het woord weifelen behoort niet echt tot mijn dagelijkse spreektaal. Zou ik het dan toch lezend hebben opgenomen?

…Zondagnamiddag in bad met een boek, een poging om thuis te komen na een intens weekend, lees ik op één van de eerste bladzijden van ‘De vijgenboom van Ramiro Pinilla’,  “… door zijn weifelende aard duurde het even voordat hij zich actief in de oorlog mengde….”. En ik bedenk,  jawel weifelen bestaat en die bevestiging kwam ik lezend tegen.

Maar dit bleek echter niet het boek waarmee ik mijn gedachten kon verzetten. Claude zou pas tegen het avondeten thuis zijn. Ik moest het nog even met mezelf stellen. Beneden lagen de kranten van het voorbije weekend te wachten. Maar ook daarin stonden  geen artikels die mijn overvolle geest wisten te ontspannen. Het gebeuren in Dendermonde riep gevoelens en bedenkingen op waarvoor ik geen woorden vond. Hoe zou er op school gereageerd worden? Hoe zou ik dan reageren?

Op school werd er niet gereageerd. In de leraarskamer natuurlijk wel, maar zelf hoorde ik er geen kind naar verwijzen. In de groepen die tijdens de namiddag in de boekenklas kwamen werd er niet gesproken over wat een groot deel van ons land bezig hield. Gezien ze  slechts één uur per week bij mij doorbrengen en ze er zelf niet mee kwamen aanzetten, leek het me niet nodig dit onderwerp zelf aan te raken. Mocht ik elke dag met hen werken dan zou dat misschien anders zijn geweest. Nu zette dit gebeuren vooral aan om midden in de drukte van elke dag bewuster te luisteren, te wachten, tijd te geven. En vast te stellen hoe kinderen van die onopvallende betrokkenheid genieten…Terwijl ik dit schrijf bedenk ik, dit klinkt een beetje melig. Maar op dit moment ontbreken andere woorden.

Mijnheer Eekhoorn

We hebben de week afgesloten met ‘Mijnheer eekhoorn en de eerste Sneeuw’. Toen ik het boek een jaar geleden kocht, was mijn enige motivatie ‘Het is gewoon mooi.’  Vandaag las ik het voor aan de vijfjarige kleuters, de tweedeklassers en tot slot aan de zesdeklassers. We zitten dan zoals in de cinéma of in theater. Een halve cirkel, de laatste rij op houten kratjes, daarvoor een rij op kussens en helemaal vooraan nemen ze plaats op de (verwarmde) vloer. Dicht bij elkaar zodat de illustraties goed te zien zijn. Ik doe dat wel vaker een boek dat ik de avond voordien uitzoek voor de kleuters ook nog een keer aan de volgende groepen voorstellen. Zelf zit ik op een houten trapje. Misschien ken je het wel zo’n Ikea trapje dat je tegenwoordig in vele huizen ziet. Prettig om te horen is hoe de kleuters thuis ook op dat trapje gaan zitten en op dezelfde manier aan het voorlezen (vertellen) gaan. Voor de kleuters houd ik het boek geopend naar hen toe en volg ik onopvallend met mijn wijsvinger de tekst. We lezen van links naar rechts en de woorden die ik lees zijn de zwarte tekens waar ik met mijn vinger zachtjes over glijd. Mijn mimiek en houding ondersteunen wat ik uitspreek en af en toe blijven we stil staan bij een uitdrukking. De eekhoorn heeft de winter altijd verslapen. Wat tweedeklassers leerden in W.O. over winterslaap en winterrust leggen ze mij nog een keer uit voor het geval ik dat verschil niet zou kennen. En verslapen vinden ze wel erg mooi als woord. De winter die de tijd neemt. ‘Nee, juf de winter neemt niet de tijd tussen zijn pootjes, hij doet het gewoon op zijn gemak, hij heeft heel veel tijd, het duurt een tijd eer hij komt,… En op de aansluitende bladzijden is dat aan de houdingen van de eekhoorn ook heel goed te zien. Voor mezelf lezend viel dat niet zo op maar nu stelde ik vast dat de tekeningen vaak gewoon voor zichzelf spreken. Waarom het voor de egel en de beer geen zin heeft om te gaan slapen zolang Mijnheer Eekhoorn op de winter wacht. Waarom de egel geen zin heeft in beweging in de frisse lucht. Zacht gegrinnik wanneer de drie dieren op zoek gaan naar de eerste sneeuwvlok die misschien al gevallen is zonder dat ze het hebben gemerkt. Luider gelach wanneer egel met zijn gevonden tandenborstel komt aandraven, geschater wanneer de bladzijde wordt omgedraaid waarop we zien hoe mooi zal de winter zijn, als het eenmaal echt gaat sneeuwen…. Bewonderende uitroepen ook naar aanleiding van het effect van de nachtblauwe achtergrond met daarin neerdwarrelende witte tandenborstels. Diezelfde reacties krijgen we nog een keer als de eekhoorn met zijn conservenblik als sneeuwvlok komt aanzetten. Bij de tweede groep wacht ik af wie die eerste vlok zal zien neerdwarrelen. Dat duurt heel even, maar ze wordt door iedereen luid onthaald. We proeven nieuwe woorden zoals weliswaar, dat is gewoon wel is waar, maar dan een beetje gezongen meent een tweedeklasser. Na de laatste bladzijde is er in elke groep een ontspannen zucht hoorbaar, alsof de voorstelling in de cinéma of het theater is afgelopen en de werkelijke wereld weer verschijnt. Het boek krijgt een plaats op de vensterbank, daar kan het, eer het in de rekken verdwijnt, opnieuw gelezen worden tijdens de middagpauze. Telkens weer verbaast het mij hoe verschillende leeftijden op een andere manier van een verhaal kunnen genieten. De vijfjarige kleuters hebben nood aan twee keer lezen. De eerste keer al luisterend, de volgende keer vertellen ze mee en zoeken we samen verduidelijking van wat nog niet helemaal begrepen leek. De tweedeklassers hebben tussendoor wat verduidelijking nodig, kort, zodat de kracht van het boek niet verloren gaat. De zesdeklassers hebben genoeg aan mijn stem en de illustraties. Met één oog bewaak ik hun reacties en pas ik mijn toon, ritme en mimiek aan. En ook al zijn dit vaak niet de boeken waar kinderen van deze leeftijd in de bib. of boekhandel spontaan naar grijpen, het zijn boeken waarmee ik hen kan boeien en waarmee ik de kracht van woorden en beelden op een ontspannen manier kan doorgeven. Ze leggen een basis om open te staan voor wat ik (en met mij gelukkig ook nog een aantal andere volwassenen) mooi en waardevol vind (en).
Vrijdagavond en ik vertrek op weekend.
Ongeveer 15 jaar geleden volgde ik het hivo (hoger instituut voor opvoedkunde) onder de vorm van weekends op de Hoge Rielen.
Vanavond vertrek ik opnieuw naar die Hoge Rielen. Nu om die hivo-weekends mee te begeleiden. Dit wordt mijn eerste begeleidingsweekend, spannend, uitdagend, …
Tijd om te bloggen zal er niet zijn, tijd om te lezen wellicht evenmin. Maar misschien stop ik Mijnheer Eekhoorn in mijn tas…

een jongetje

‘Waarom noem jij een kind van een vierde leerjaar nog een jongetje?’ vraagt iemand mij, refererend naar mijn uitspraak op de blog. Daar moet ik even over nadenken. Ik gebruik dat woord inderdaad erg vaak en vind het ook mooi klinken. Geregeld zie ik in de mannen om mij heen een jongetje. Of een stukje van het jongetje dat ze eens zijn geweest?
Beroepsmisvorming? Ik kijk vaak naar wildvreemde mensen en vraag me dan af ‘Hoe zouden die zijn geweest toen ze de leeftijd hadden waarop ze op de schoolbanken zaten?” Ik vraag me soms ook af hoe zou dit kind er binnen een tiental jaren uitzien? En nog meer beroepsmisvorming ‘Wat heeft het van ons (school) nu juist nodig. Hebben wij een invloed op hoe het later wordt?’ Weinig mensen maakte ik vanaf hun kinderjaren een groot stuk van hun leven mee. Het houdt me wel bezig. Vandaar wellicht dat ik op ogenblikken waarop er veel tijd is om te lezen teruggrijp naar ‘De halfbroer’ van Lars Saabye Christensen. Ik las en herlees het verhaal zoals ik een uitzonderlijk lekker ijsje eet. Langzaam, bewust van elke smaak.  De manier waarop Christensen mij meenam in de emoties en belevenissen van de jonge Barnum heeft mijn kijken naar kinderen gevoed. Dat is ook wat ik bij Guus Kuijer, Peter van Gestel, Jacques Vriens, Kaat Vranken, Bettie Elias, Cynthia Voight en Rindert Kromhout (en ik vergeet er wellicht een paar) terugvind.
Terug naar het jongetje uit de vierde klas. Hij zit zelden rustig in zijn bank, neuriet een liedje tijdens het rekenen, laat gum en slijper balanceren op de lat tijdens het luisteren naar een instructie, roept zonder zijn vinger op te steken, houdt van Janosch, vond de toespraak van Obama lang maar ook wel mooi en ‘papa had om het te vieren een fles wijn, of was het champagne open gemaakt.’ Uit dat jongetje groeit nog wel een jongen, een man, daar heeft en krijgt hij nog al de tijd voor.