Voor wie dit leest


Lieve lezer, de koffers zijn gepakt, de deur staat open. Een laatste keer door de kamers gaan.

Het was wat vreemd om te bloggen. Het is als kijken door een raam wanneer het donker is. Je ziet alleen je eigen spiegelbeeld, je woorden. Vreemd, denk je, wie heeft me zo bedacht?
Wie aan de andere kant van het raam staat, zie je niet. Je wilt iets aardigs zeggen tegen die onbekende, hem of haar uitnodigen om binnen te komen, maar met welke woorden?
Je betwijfelt of je wel iets te zeggen hebt. Of je stem er sowieso toe doet.
Je bent bang dat je woorden verkeerd worden begrepen.
Je vraagt je af of een grapje niet kwetst.
Je hoopt dat iemand glimlacht als hij je daar in die kamer ziet.

Soms werd er op de deur geklopt. Een briefje in de bus gestopt. Dat was fijn. Ik ben hier niet alleen, dacht je, er is iemand die op me wacht.

Ik neem afscheid met een stukje uit het gedicht Voor wie dit leest van Leo Vroman:

Kom, leg Uw hand op dit papier; mijn huid;
verzacht het vreemde door de druk verstenen
van het geschreven woord, of spreek het uit.

Mooi, hè? Toch een krak, die Vroman.

Het hele gedicht kan je nalezen op
http://klassiekegedichten.net/archief/klas039.html

Voor wie dit leest: bedankt voor je bezoek. Hopelijk kruisen onze wegen elkaar nog. Ik zal je herkennen aan de tas onder je arm, met daarin het vermoeden van een heel mooi boek.
Voor de volgende huurder: welkom in dit huis.

Ik kijk om, wuif nog even. Dag.

Š

Over het waarom der dingen

Op lezingen krijg je steevast de vraag ‘Waarom schrijf je?’
Het is een vraag die me wat vreemd overkomt. Aan een voetballer of wielrenner vraagt men ook niet waarom hij sport. Maar eigenlijk is het nog niet zo’n gekke vraag. Waarom wil iemand per se worstelen met de Muze, als er al zoveel moois op papier is gezet, dingen die je heel graag wilt lezen, maar waavoor de tijd ontbreekt?
Is schrijven dan zo plezierig? Hier word je voorzichtig. Een eenduidig antwoord is er niet. Er is het tijdgebrek, het andere werk, de vermoeidheid, de traagheid, het onvermogen om… Mocht men je vragen of schrijven frustrerend is, dan is het antwoord volmondig ja.
Waarom dan toch die drang? Heeft het te maken met je verlangen om iets te maken, iets na te laten, onbekenden te ontroeren met jouw woorden, de fascinatie voor de kracht van het woord? Je knikt instemmend, ja zo is het, maar tegelijkertijd weet je dat dit niet het hele plaatje is. Er is meer. Maar wat?

Een mens denkt dat hij handelt uit vrije wil, maar dat blijkt niet te kloppen, als we de wetenschappers en filosofen mogen geloven. Misschien gaat het met schrijven net zo. Je schrijft, omdat je niet anders kan. Cliché, hoor je in de tribune. Vast wel. Maar clichés bevatten waarheid. Anders zouden ze niet bestaan.

Wat mij betreft heeft schrijven te maken met het bewust zoeken, met de bereidheid om je te verwonderen over dingen en mensen. Het zoeken is daarbij soms belangrijker dan het vinden. ‘Wie wat vindt, heeft slecht gezocht,’ zegt de dichter Rutger Kopland. Dat vind ik nog altijd een van de mooiste regels uit de Nederlandstalige poëzie.

Een schrijver graaft. Zou hij reïncarneren, dan was hij vast een mol. Een dier met zachte handen.

Over mensen en dingen die voorbijgaan

Ik hou van oude kerkhoven, wandel er graag rond. Waarom is moeilijk te zeggen. Het heeft voor een stuk te maken met de rust en de contemplatieve sfeer die je ook in kerkgebouwen vindt. Maar het is meer dan dat. Het is, hoe eigenaardig het ook moge klinken, alsof je op bezoek gaat bij mensen die al lang wachten op een teken van leven.
 

Het eindpunt is niet wanneer je sterft. Het eindpunt is – misschien – wanneer je vergeten bent. Zet dat me ertoe aan om langs de graven van volslagen vreemden te lopen, hun namen te lezen, uit te rekenen hoe oud ze geworden zijn?
 

Het oplezen van de namen, de jaartallen, het bekijken van de foto’s van mensen die je nooit hebt gekend, doet iets met je. Even neemt de overledene bezit van je gedachten, ergens zoekt hij of zij een plekje in je hoofd. Als je aan hen denkt, komen ze weer tot leven, ze bestaan. Je kunt je geen precieze voorstelling maken van hun leven, maar je vraagt je wel af hoe zij waren.
 

Het is een vreemd iets, doodgaan. Al die kennis en ervaring die je hebt opgebouwd, verdwijnt op slag, alsof je een rolluik met een harde klap laat neerzakken op het einde van de dag. Waarom doen wij zoveel moeite om te leren, te ondervinden, om wijsheid te vergaren, als je uiteindelijk toch alles uit handen moet geven?
 

Daarstraks bezocht ik het graf van een vriend van mijn zonen. Hij moest nog 25 worden. Ireëel, niet te vatten. We missen hem. Op geregelde tijdstippen denk ik aan hem. Hij bestaat niet alleen in mijn hoofd, maar ook in het hoofd van alle anderen die hem hebben gekend. Zonder hem waren we andere mensen geweest. Verleg een steen in de rivier, en de loop van het water is anders. Jeroen Brouwers schreef zo mooi: ‘Niets bestaat dat niet iets anders aanraakt.’
 

Er liggen ook oud-strijders op dat kerkhof. Eén ervan werd gefusilleerd in 1944. Je blijft staan bij dat graf, vraagt je af hoe het was, wat hij dacht en voelde op dat laatste moment, hoe het verder moest voor wie achterbleef. Een andere oud-strijder was getrouwd geweest met iemand die Jessie Turnbull heette. Was zij een Britse? Een Amerikaanse? Thuis tik je de namen in Google in, omdat je hoopt meer sporen te vinden.
 

Op het kerkhof ligt ook de schrijver Karel Jonckheere begraven. Het indringende grafschrift is van zijn hand:

Ik blijf leven zonder tijd
weiger zelfs te zijn geboren
mijn volstrekte eeuwigheid
zal niet eens de dood verstoren
 

Er zit geen troost in die woorden. Literatuur troost nu eenmaal niet in het aanschijn van de dood. Ze klinkt hol als je haar daarvoor gebruikt. Literatuur kan evenmin je eigen angst voor de dood bezweren. Hooguit is het een soort virtuele watergewenning, een oefening op het droge. Zwemmen in het diepe zullen we er niet mee leren. Alleen, ze zingt zo mooi.

Noot: de titel van dit stukje verwijst naar ‘Van oude menschen, de dingen die voorbijgaan’ van Louis Couperus

 

Enkele interessante links:

www.dodenakkers.nl

www.schoonselhof.be

www.hasselt.be/content/content/record.php?ID=286

www.inflandersfields.be/#

 

 

Š

Open doekje

‘Kijk nu,’ zegt mijn man. ‘Die overgordijnen zijn gekrompen. Is dat normaal?’

‘Kan best,’ zeg ik. ‘Het ligt aan de gordijnen, niet aan de stomerij. Niet erg, ik ben al blij dat ze schoon zijn.’

‘Kunnen we er geen zoom aan laten zetten?’ vraagt mijn man.

Hij fronst zijn wenkbrauwen als ik lach.

‘Vroeger stopte men een hemd in zijn broek, nu hangt het erover. En we zitten volop in de laagjesmode,’ zeg ik. ‘Iemand moet de trend zetten. We zijn vernieuwers, schat. Gordijnvernieuwers.’

‘Het lijkt nergens naar,’ zegt mijn man. ‘Hoe lossen we dit op?’

Ik zwijg. Moet opeens glimlachen. Het doet me denken aan een verhaal met een open einde. Als lezer vind je dat maar niks, er ontbreekt een stuk, je wilt weten hoe het afloopt. Als schrijver daarentegen vind je een open einde suggestief. Maar toch krabbelt er iemand aan de binnenkant van je schedel: ‘Zou je dat nu zelf wel graag gelezen hebben? Het is niet af, hoe gaat dit verder? Moet je er niks aan doen?’

‘Misschien moet je er gewoon wat aan wennen,’ probeer ik.

Mijn man haalt zijn schouders op. ‘Je doet maar,’ zegt hij. ‘Maar ik vind het niks.’

 

Š

Links gedachtegoed

Ik ga nooit alleen onder de douche, de Muze gaat altijd mee. Gek genoeg krijg ik op die plek de beste invallen. Van schrijven word je proper.

Er zijn wel meer plaatsen waar de Muze graag vertoeft: in de auto bijvoorbeeld, of op de rand van mijn bed, net voor ik indommel. Opgelet, de auto moet zich in rijdende toestand bevinden. ’s Nachts even achter het stuur gaan zitten, werkt echt niet, neem dat van me aan.
Het heeft blijkbaar met de werking van de hersenen te maken, het uitschakelen van je interne criticus, zoals dat heet.

Bij creatievelingen zou vooral de rechterhersenhelft op volle toeren draaien. En wat blijkt? Bij linkshandigen is net de rechterhersenhelft beter ontwikkeld. Bijgevolg probeert men vaak een verband te leggen tussen linkshandigheid en creativiteit. Leonardo da Vinci zou linkshandig zijn geweest, Aristoteles, Gandhi en Mozart ook.

Maar hoe zit het met de linkshandigen die op school nog rechts moesten leren schrijven, zoals de blogger van deze maand?
Heb ik er hersenschade door opgelopen? Ik vermoed dat sommigen nu heel hard ja knikken. Ben ik er minder creatief door geworden? Verklaart het mijn onhandigheid, mijn gebrek aan technologisch en ruimtelijk inzicht, mijn onvermogen om juridische en administratieve taal te begrijpen?

De Muze zwijgt in alle talen.

Leuk ‘weetje’ (of het echt waar is, weet ik niet): in de middeleeuwen waren de trappen in kastelen wenteltrappen, die met de klok mee omhoog draaiden. Het middelpunt van de trap bevond zich rechts. Aanvallers moesten op de trap omhoog vechten en waren in het nadeel, omdat ze door de draaiing van de trap met het zwaard in de linkerhand moesten vechten. Bijgevolg werden linkshandige aanvallers voorop gestuurd. Daarbij zouden veel linkshandige ridders zijn gesneuveld en dat zou volgens sommigen mee kunnen verklaren waarom slechts een klein percentage van de mensen linkshandig is. Linkshandigheid is namelijk voor een stuk genetisch bepaald.

Heeft mijn linkshandige voorouder dan iedereen in de pan gehakt? Stam ik af van een heldhaftige en koene ridder? Hoe meer ik erover nadenk, hoe leuker ik het vind om linkshandig te zijn.