30 juni – TOEKOMST

2104

Zal ik er nog zijn

als ik er niet meer zal zijn?

Zal ik nog voelen

als ik jou niet meer voel?

Zal ik nog denken

als ik aan jou niet meer denk?

Zal ik nog zoeken

als ik jou niet meer vind?

Zal ik nog missen

als niemand ons nog mist?

© Sabam, Wally De Doncker

Voor Marianne

28 en 29 juni – ER VALT NOG ZOVEEL TE DOEN

Marianne heeft gisteren het schooljaar afgesloten met een receptie en een personeelsfeest. Ze werd dit jaar bijzonder verwend door haar leerlingen en ze was daar zichtbaar blij mee.

Zeven jaar geleden heb ik mijn laatste schooljaar afgesloten. De laatste week van dat schooljaar had ik het bijzonder moeilijk. Tot de laatste minuut heb ik graag les gegeven. Ik kreeg alle vrijheid om een eigen vak (leesbevordering) te geven, de leerlingen waren enthousiast en ik genoot van de sfeer onder de collega’s. Toch heb ik de keuze gemaakt om me volledig toe te leggen op het schrijversschap. Een mens doet soms gekke dingen. Financieel en statutair neem je op dat moment zeker risico’s. Vrijheid is echter onbetaalbaar. Natuurlijk mis ik de sfeer van de school, waar ik fantastische tijden kunnen beleven heb, al ging het er in het verleden ook wel eens hard aan toe (Zie blog 11 juni). Maar je kunt pas iets veranderen als je durft te bewegen. Mijn keuze om voltijds te schrijven heb ik niet betreurd. Als ik me fysiek wat minder voel haat ik de vier muren van mijn werkkamer. Alleen zijn met je eigen gedachten is niet altijd leuk. Maar meestal geniet ik met volle teugen van het schrijversschap. Er komt zoveel op je af. Bijna elke week duikt er wel een verrassing op en telkens ontmoet ik nieuwe mensen die creatief met mij willen samenwerken. Daar krijg je een kick van, ik ontken het niet.

Maandag sluit ik deze blog af. Ik zal de regelmaat van het bloggen wel wat missen. Tot mijn verbazing wordt er sterk op gereageerd. Mensen geven rechtstreeks commentaar, mailen me en spreken me er gewoon over aan. Het ene onderwerp ligt al gevoeliger dan het andere. Dat directe van een blog is voor mij een nieuw gegeven. Meestal duurt het een paar jaar vooraleer je reacties krijgt op een geschreven tekst of een boek. Van de eerste geschreven zin tot een boek in de boekhandel ligt duurt vaak al een paar jaar. De reacties komen pas maanden en vaak jaren later.

Een grote vakantie zit er als schrijver niet echt meer in. Ik probeer elke dag (ook in het weekend) een paar uur te werken. Zelfs als ik op reis ben maak ik tijd vrij om te schrijven of om te brainstormen over nieuwe projecten. Wat staat er in de nabije toekomst op mijn werkprogramma? Drie schrijfprojecten (zie vorige blogs), twee theaterprojecten rond mijn nieuwe boeken, een ‘pilot’ voor een animatiefilmreeks rond mijn boeken (project op lange termijn), twee lezingen die ik speciaal moet voorbereiden: de lezing in augustus voor buitenlandse neerlandici aan de universiteit Gent en de lezing in september voor het IBBY-congres (Zie blog 17 juni).

Ik geef tijdens deze blog ook een primeurtje mee: De beide IBBY-secties van België dragen me in Kopenhagen voor als kandidaat voor de verkiezingen van de leden van het EC (wereldbestuur) van IBBY. Het internationale selectiecomité van IBBY heeft me hiervoor al een paar keer benaderd. Er zijn dertien kandidaten uit de hele wereld voor tien zitjes. De voorgedragen kandidaten krijgen telkens drie minuten om zich voor te stellen tijdens de algemene vergadering. Zo’n verkiezing is altijd onzeker. Wat zijn de criteria om iemand te verkiezen? Internationaal staat de reputatie van België op een laag pitje. Let wel: IBBY is een vrijwilligersorganisatie en dat geldt ook voor de leden van het EC.
IBBY en de missie van Jella Lepman liggen me heel na aan het hart (zie blog 17 juni). Ik hoop dat we in de toekomst de internationale wereld van het kinder- en jeugdboek ooit eens naar hier kunnen halen. We hoeven ons zeker niet te schamen op dit vlak. En… een betere verstandhouding door middel van de kinder- en jeugdliteratuur is zelfs in België hard nodig. De know-how en de goede banden met onze vrienden van IBBY-Nederland zouden in het voorbereidingsproces een belangrijke rol kunnen spelen. Het is één van mijn IBBY-dromen. Er valt wereldwijd nog zoveel te doen. Ik ben er in elk geval klaar voor.

27 juni – MOEDER, WAAROM LEZEN WIJ?

Geerdt Magiels schrijft vandaag in ‘De Standaard der Letteren’ aan de hand van het boek ‘Proust and the squid. The story and science of the reading brain’ (Maryanne Wolf, Harper) over de evolutie van het leesproces. Ik lees daarin een aantal interessante zaken: Een vijfjarig kind dat opgroeit in een gezin waar veel gepraat, gelezen en voorgelezen wordt, heeft 32 miljoen woorden meer gehoord dan een kind uit een taalarme omgeving. Hersenen die Nederlands lezen werken anders dan hersenen die Chinees lezen. Wie nu mijn blog leest moet weten dat zijn/haar brein vooral actief is aan de linkerkant. Altijd goed om weten.

Leren lezen doet me onvermijdelijk denken aan de taalleesmethode ‘Leesdraak’ die ik samen met een aantal collega’s ontwikkeld heb. ‘Leesdraak’ (Standaard Educatieve, 1996) is vooral gegroeid uit grote ergernis. We hadden genoeg van methodes die kinderen beschreven als emotieloze wezens met de boerderij als decor. Ondanks de positieve kritieken kreeg onze aanpak te weinig kansen. De methode was te duur en voor sommigen ‘te’ gedurfd. Toch hebben er tienduizenden Vlaamse kinderen met ‘Leesdraak’ leren lezen. In Gent is er zelfs een hele muur aan ‘Leesdraak’ gewijd. Het verhaal van ‘Leesdraak’ gaat tot mijn grote verbazing nog altijd verder. Vaak clandestien.

Gent Leesdraakmuur (illustraties Bart Van Nuffel)

Genoeg over ‘Leesdraak’, eigenlijk zou ik het vandaag over mijn eigen leesproces willen hebben. Mijn eerste leeservaringen hebben iets met strips te maken. Ik las als kleuter Jommeke en Nero zonder woorden. Bij meester Antoine leerde ik lezen met globaalzinnen zoals : ‘rik zit op de muur met fik’… Van zodra ik vlot kon lezen heb ik meteen de strips herlezen maar dan met tekstballonnen.

Tot mijn elfde levensjaar was er geen bibliotheek in Hamme-Zogge. Ik heb tot dan veel gemist. Gelukkig konden we boeken uitlenen in de klas. De meester legde een aantal boeken op de trede. Een na een mochten we dan boeken gaan uitkiezen. Gulzig probeerde ik zoveel mogelijk boeken in handen te krijgen. Dat lukte vaak want heel wat klasgenoten hadden weinig interesse voor literatuur. Als zevenjarige was ik gek op de boeken van Pietje Puk van Henri Arnoldus. Later las ik in kritieken dat Pietje Puk niet levensecht en te karikaturaal was. Helemaal onterecht! Ik kan het weten, want alle figuren die Henri Arnoldus in Pietje Puk beschreef liepen ook rond in mijn dorp.

Thuis werden er vooral strips en stapels tijdschriften gelezen. Vanaf mijn acht jaar begon ik ook met gretigheid de krant ‘Het Volk’ te lezen. Het lijkt misschien gek maar ik geloof dat we toen vroeger rijp waren. Vanaf mijn negende reed ik met de auto, vanaf mijn elfde met de vrachtwagen en de kraan. Mijn vader was een aannemer. Wie auto kon rijden, kon ook meehelpen in het bedrijf. Niemand vond dat een probleem. Ik ook niet, integendeel. Mijn moeder heeft me aangemoedigd om boeken te lezen. Ik begrijp eigenlijk niet waarom. Het lag niet meteen in onze gezinscultuur. Als de krantenman kwam afrekenen gaf moeder me telkens de kans om een nieuw boek te kiezen. De vraag ‘Moeder, waarom lezen wij?’ kan ze nu niet meer beantwoorden, vrees ik. Maar dat hoeft ook niet.

Ik had een enorme leeshonger (en hij is nog altijd niet gestild). In de familie vonden ze me ‘nen specialen’. Soms was dat ook zo. Ik was bijvoorbeeld gek op de bezoekjes aan mijn tante Alice in Oostakker. Niet alleen om met de mooie nichtjes te kunnen spelen maar ook om de Winkler Prins Encyclopedie te kunnen lezen. Ik was daar uren zoet mee. Een afbeelding van een centaur schiet me nu nog voor de geest.

Na de opening van de Zogse bibliotheek ging er een enorme wereld voor me open: ‘De Rode Ridder’ van Leopold Vermeiren, ‘Winnetou’, ‘De Daltons’, Jules Verne, Astrid Lindgren, wetenschapsboeken… Ik las dag en nacht. Vanaf het middelbaar onderwijs verslond ik de Vlaamse klassiekers. Als de schrijver me beviel las ik het hele oeuvre: Claes, Gijsen, Geeraerts, Walschap, Ruyslinck, Boon… Daarna de Nederlanders: Multatuli, Couperus, Bomans, Fabricius, Mulish… Tijdens mijn onderwijzersopleiding maakte ik een forse inhaalbeweging naar de jeugdliteratuur. De boeken en het engagement van Annie M.G. Schmidt vielen heel erg in mijn smaak. Ik trouwde met Marianne, ook een leesbeest. We kregen twee leesbeestdochters, de ene al wat meer dan de andere.

Het rijtje van schrijvers zette zich alsmaar verder en de jeugdliteratuur kreeg door mijn leraarschap alsmaar een groter gewicht. Tegenwoordig lees ik heel graag biografieën, Japanse schrijvers (Junichiro Tanizaki is mijn favoriet) en filosofische werken. Ik herlees regelmatig ‘Essays’ van Montaigne , ‘Gedachten’ van Pascal en de werken van Plinius. Ik ben gek op oude wijsheid.

Ik koop bijna alle boeken die ik wil lezen. In de bibliotheek mag je een boek niet langer dan een paar weken houden. Dat is een te grote hinderpaal voor mij. Ik doe soms maanden over een boek omdat ik er verschillende tegelijk lees. In elke kamer ligt er een ander boek. Het is zo en het is altijd zo geweest. Soms lees ik een boek bewust traag omdat ik dan veel langer kan genieten. Roland Barthes omschreef lezen als een vervoering (jouissance). Ik heb het altijd zo bekeken, zelfs als leraar leesbevordering (zie blog 20 juni)

Mijn hiernamaals zal een hemel met boeken moeten zijn. Het kan niet anders. Ik zal tijdens dit leven nooit alle boeken kunnen lezen die ik wil lezen. Trouwens ik wil ook de boeken lezen die in een verre toekomst zullen gepubliceerd worden. Naast boeken wil ik ook kunnen discussiëren over wat ik gelezen heb met mijn geliefden en andere leesbeesten. Graag met een glaasje wijn en een zachte westenwind!

26 juni – VLAAMSE SCHRIJVERS BESTAAN ALLEEN IN BELGIË

Joël De Ceulaer beschouwt in zijn rubriek (‘Op het tweede gezicht’, Knack, 25 juni 2008, p. 21) de discussie rond het maken van een nieuw boekenprogramma op een kritische en een satirische wijze. Wellicht heeft hij de blog van 19 juni ‘Een televisieprogramma rond literatuur’ niet gelezen? Toch lees ik tussen de regels dat hij zich bij mijn lijstje van tips zou kunnen aansluiten. Vooral tip 1, 2 en 6 zullen hem bevallen.

De Ceulaer haalt scherp uit naar dé Vlaamse schrijvers. Ik citeer: ‘Met het beeld van de schrijver als intellectuele waarzegger kon je misschien in de negentiende eeuw nog onder de mensen komen, maar vandaag slaat het nergens meer op. Wil men de werkelijkheid en de tijdgeest doorgronden? Men wende zich tot wetenschappers, filosofen, historici, economen enzovoort – maar niet, of toch niet uitsluitend, tot schrijvers. En zeker niet tot Vlaamse schrijvers, op een handvol uitzonderingen na. Als ik denk aan de binnenkant van de meeste Vlaamse schrijvers, dan komt mij een uitgestrekte zandvlakte voor de geest waar, behoudens de occasionele windvlaag, niets van betekenis gebeurt.’ Ik zie al heel wat mensen met het hoofd schudden en slikken. Maar misschien zijn De Ceulaers woorden wel terecht? Of helemaal onterecht? Hij heeft alle recht om zoiets te schrijven. Het is een mooie aanleiding om kritisch naar onszelf te kijken.

Wat is een ‘Vlaamse schrijver’? Met het begrip ‘Vlaanderen’ kom je in het buitenland niet ver. Lezingen in Duitse scholen en bibliotheken hebben me geleerd dat de gemiddelde jonge Duitser nog nooit over Vlaanderen heeft gehoord. Voor Japanners is Vlaanderen uitsluitend het decor van ‘The Dog of Flanders’ (geschreven door de Engelse schrijfster Marie Louise de la Ramée). Voor de Britten is het een oorlogsgebied. In Amerika spreek je maar beter niet over het onooglijke Vlaanderen. Zeg maar meteen Europa. En zelfs in Nederland zijn we getransformeerd naar ‘Belgische’ schrijvers. ‘Vlaamse’ schrijvers en illustrators bestaan alleen in België. En dan nog… in Wallonië denken ze dat Carll Cneut een Nederlander is.

Ik vertoef al een tijdje aan de binnenkant van het schrijverswereldje. Ik geef het niet graag toe maar De Ceulaer kan op bepaalde punten wel gelijk hebben. Een collega zei me ooit dat hij hoegenaamd niet in literaire congressen geïnteresseerd was omdat hij toch niets meer te leren had. Schrijvers hebben af en toe eens last van een te groot ego en gedragen zich soms heel verwaand. Mensen stellen zich daar dan vragen bij en je kunt ze geen ongelijk geven.

Een programma waarin academici én een kransje van schrijvers over hun werk vertellen, zoals De Ceulaer het voorstelt, zal het niet makkelijk hebben om nog maar in de buurt te komen van de kijkcijfers van concurrerende programma’s met al die boeiende BV’s. ‘Gelukkig’ zijn er schrijvers die het al tot TV-BV geschopt hebben. Zij zijn zo interessant dat je de metafoor van een uitgestrekte zandvlakte vergeet.

Natuurlijk zijn er in Vlaanderen voldoende auteurs (en illustrators) die de werkelijkheid en de tijdsgeest doorgronden. De aandacht voor bijvoorbeeld de Vlaamse jeugdliteratuur in het buitenland groeit jaar na jaar. De lofuitingen in buitenlandse literaire middens lijken in Vlaanderen soms wel onhoorbaar, toch zijn ze niet mis te verstaan.

Desalniettemin moeten we ondanks de stijgende aandacht van het buitenland met de voeten op de grond blijven. De kans op binnenlandse verwaandheid en navelstaarderij is groot. Teveel ‘in de watten gelegd worden’ doodt de creativiteit. De kans om doodgeknuffeld te worden is niet ondenkbaar.

Ik geef een paar tips mee voor de beginnende schrijvers onder de bloglezers:
1. Blijf jezelf.
2. Vrijheid is het hoogste goed.
3. Vermijd afhankelijkheid.
4. Vermijd debutantenprijzen.
5. Heb geduld.
6. Vernieuw.
7. Kijk over de grenzen heen.
8. De weg is lang.
9. Alles kan beter.
10. The sky is the limit.

25 juni – EEN VERREZEN MENS

Elke dag maak ik een ochtendwandeling met Spot. Het wandelpad achter mijn huis leidt naar een klein natuurgebied met een bosje en een beschermd moeras. Ik geniet van de druilerige regen op mijn gezicht. Ik heb soms nood aan de natuurelementen die op mij inwerken: rukwinden die me uit mijn evenwicht proberen te brengen, harde regen kletsend als een natuurlijke douche, voetstappen maken in de verse sneeuw, de donder boven mij horen rollen… De westenwind geniet mijn voorkeur omdat hij de geur van de zee voor mij meebrengt. Ik geef toe dat ik op een zalig plekje woon al verandert het soms in een stormgebied.

25 juni Ochtendwandeling Gavers Hamme-Zogge

25 juni Gavers Hamme-Zogge

Vandaag kwam ik een verrezen mens tegen. Dat gebeurt me niet zo gauw. Raymond, een achtenvijftigjarige man was de graskant van zijn weide aan het maaien. Gek om hem weer te zien. Vlak na de storm van 16 juli, die ook mijn tuin verwoest had, klom hij op zijn schuur om het dak te herstellen. Hij struikelde over een vermolmde balk en hij dook met zijn hoofd zes meter naar beneden. Maandenlang lag hij verlamd op een ziekbed. Langzamerhand werd er aan zijn revalidatie gewerkt en nu staat hij er weer, levend en wel. Desalniettemin hoort hij nog een hinderlijk geruis in zijn rechteroor en zijn vingers blijven stram, maar daar valt mee te leven.

Het was eigenlijk al de tweede keer dat hij door het oog van de naald was gekropen. Hij werkt als vrachtwagenchauffeur bij een bouwbedrijf. Dag en nacht. Twintig jaar geleden sliep hij maar 25 uur per week. Door dit helse en vermoeiende werktempo viel hij uiteindelijk in slaap tijdens het werk. Hij werd niet meer wakker. In allerijl voerden ze hem naar een algemeen ziekenhuis en meteen daarna naar het U.Z. in Gent. Diagnose: hersenvliesontsteking. Door oververmoeidheid kon zijn lichaam geen weerstand meer bieden. Zijn vrouw en kinderen stonden er bij toen hij door een priester berecht werd. Een Gentse professor liet als laatste redmiddel een nieuw medicijn uit het buitenland overvliegen. Dat werd op Raymond uitgetest en wonder boven wonder werkte het onmiddellijk. Raymond stond op en wandelde weg van zijn sterfbed.

‘Ik heb het laatste jaar voortdurend liggen denken,’ zei hij, ‘Waarom heb ik dertig jaar onophoudelijk gezwoegd? Was dat nu mijn leven? Ik keek voortdurend in de spiegel van mijn eigen leven. Financieel gewin kan me niets meer schelen, het stelt zo weinig voor. Vanaf nu ga ik mijn leven anders aanpakken.’

Raymond heeft drie keer geluk gehad!