De laatste dag

Als het licht wordt, kijkt de pekinees naar boven. De zon schijnt maar het is kil in de put. Dan verschijnt er een gezicht. Iemand kijkt over de rand naar beneden.
Het is mijnheertje Kokhals die toevallig voorbijkwam.
Hij wil de pekinees vast helpen.

‘Hallo,’ zegt hij, ‘wat doe jij daar?’
‘Ik weet het niet,’ zegt de pekinees. ‘Ik ben hier gewoonweg terechtgekomen.’
‘Zomaar?’
‘Zomaar.’

‘Ik help je wel,’ zegt mijnheertje Kokhals.
Hij springt in de kuil en tilt de pekinees met moeite er uit. ‘Vrolijke staart,’ merkt hij terecht op.
‘Dank u zeer,’ blaft de pekinees. ‘U hebt mij echt geholpen.’

En de pekinees vervolgt zijn levenspad. Een beetje wankel van de honger en de kou. Maar toch, hij verlangt alweer naar nieuwe vrienden…

‘Hoe moet ik hier nu uitraken?’ vraagt mijnheertje Kokhals zich af.
‘Het is hier kil en donker en de rand van de kuil is net te hoog . En het is zo’n afgelegen plek dat hier vast niemand komt.’

Wie aandachtig luistert, hoort die nacht in de verte iemand die om hulp roept.
Maar de mensen zijn te druk in de weer om bij een verre stem stil te staan.
Want morgen is het 1 mei, een dag van feesten en plezier maken!

Nog pekinees

Het avontuur van onze pekinees duurt veel te kort.
En toch ook weer te lang.
Het is een verhaal met een begin en een einde, maar het middenstuk is veel te kort.

In het circus weten ze niet wat met hem gedaan. Als levende kanonskogel is hij niet meer geschikt. Hij slaakt een zeurderig geklaag uit dat het publiek afschrikt.
Ze schieten hem dan maar zo ver mogelijk weg. Hij suist door de lucht, hij weet niet hoe lang het duurt, misschien wel een dag en een nacht en een dag en een nacht, om tot stilstand te komen in een donkere put. Er is niemand, alleen wat modder en ondoordringbare duisternis. Het is beangstigend maar er is geen gevaar.

Op de tast maakt hij er het beste van. Hij installeert zich zo goed en zo kwaad het gaat.
Slurpt een beetje regenwater. Hij droomt van thuis. Van een likje op zijn snuit. Circusroem is even niet aan hem besteed.
Hij mijmert over de Italiaanse zon die ooit zo heerlijk op hem scheen.
Zo valt hij in slaap. Hij is niet ontevreden.

Nog Porselein

Als ik wakker word, is ze al vertrokken. Haar bed is opgemaakt. De kamer baadt in hetzelfde schemerlicht als altijd. Op de tafel staat een bord met brood en een beker melk. De deur is op slot.
Ik kleed me snel aan zonder me te wassen. Ik wacht. Ik eet. Ik drink.
Ik teken een mannetje dat in de lucht springt.
Ik denk aan Maurice. Zou hij me missen?
Verlangt hij naar mij zoals ik naar hem?
Het meisje komt de kamer binnen. Even valt iets van daglicht binnen. Ze ruimt de tafel af. Ik vraag haar wanneer ik naar buiten mag. Ze slaat haar ogen neer.
Ze vertrekt. Weer een streep licht. Ik houd me in om niet naar buiten te glippen.
Dan ben ik weer alleen.
Ik teken een auto.
Het is een sportwagen.

 

Š

gefluister

De pekinees is een beetje ziek en moe.

In een donker kamer schrijft iemand aan het verhaal van Porselein.
Het schiet niet op. Alleen fluisterstemmen vinden de juiste toon…

– Was hij alleen?
– Wie dan? Porselein?
– Ja. Was hij alleen daar bij het water?
– Ik weet het niet. Misschien was er iemand bij hem. Een jongen. Een oudere jongen.
– Wat deden ze?
– Ze fluisterden. Hij fluisterde iets in het oor van Porselein.
– Wat zei hij? Vertel me wat hij zei.
– Niets.
– Ik moet het weten.
– Ik verstond niets van wat ze zeiden. De jongen stond naast Porselein. Alsof hij hem aanmoedigde.
– En Porselein?
– Hij keek naar het water. Onafgebroken.
– Was het nacht.
– Er was licht van de maan. Het water was een zwarte vlek.