vol-au-vent

Eerst is er al dat dienblad. Moet je bij het binnenkomen nemen. Een groot als je voor het hele assortiment gaat, een klein als je voor een kleinigheidje komt. Als je nu niet ineens je bestek meeneemt heb je je kans verkeken. Het werkt op mijn gemoed. Het is een combinatie van ik weet niet wat allemaal maar het heeft te maken met een triestheid, een honger naar vol-au-vent en een sociaal isolement. Ik kan er niet tegen, word er droevig van en kan het arriveren van massa’s neutrale gezichten niet verdragen. Waarom lijkt niemand blij in een zelfbedieningsrestaurant? Je kan de meest rose aarbeienpuddinkjes kiezen, de grootse rijstvlaaien en de bruinste boomstammetjes met purree. Je hebt een enorm toestel met alle soorten drankjes in alle soorten glazen. Je kan nog extra mayonaise, suiker, melkjes en servietten nemen aan de kassa en toch…

Niemand is blij in een zelfbedieningsrestaurant.
Een mama, een papa en minimum twee, maximum drie kinderen. Een heel oud koppelt. Twee beste vriendinnen met (haar)problemen. De een slentert achter de andere van de kroketten naar de saladbar. Er wordt verdacht weinig gepraat. Laat staan gelachen. Je eet, je drinkt, je eet, je drinkt je glas leeg, je wacht even en dan zet je je dienblad op het afruimrek.

rommelmarkt

Nadien jeuken mijn benen altijd maar zondag is steevast onze rommelmarktendag. De hamburgers en hete filters achteraf laten we voor wat ze zijn maar dat hele rommelmarktensfeertje is zo echt. De geur doet mij duizelen maar ook tintelen van heimwee naar vroeger. Ik vind de hele week geslaagd wanneer ik een blikken trommel met Fabeltjeskrant-figuren op de kop heb kunnen tikken voor 70 cent in plaats van 1 euro. Het is een verslaving.

Best is heel vroeg vertrekken. En al aan de inkom staan wanneer de standen nog in opbouw zijn. Maar spannender is nét voor sluiting, wanneer alles weer wordt ingepakt. Goedkoper ook.

Ik zie onmiddellijk of het een goeie of een slechte markt is. De goeie ruiken vies. Naar die hamburgers dus maar vooral naar muffe kleding, verdufte boeken en dingen die al geleefd hebben. Op de slechte staan mensen die hip doen, oude kleertjes in plastiekfolie wikkelen alsof ze nooit uitgepakt en dus nooit gebruikt zijn, onvriendelijk zijn en niet willen onderhandelen.

Soms kom ik thuis met wéér een plastieken Maria (met of zonder water), wéér een ‘Klein klein kleutertje’ boekje, wéér een kopje van Boch en wéér een ding dat ik niet kan plaatsen. Vanaf ik die spullen in ons huis plaats is heel het mysterie verdwenen. Verwondering en melancholie weg. Al die objectjes die zo hard geleefd hebben in iemand anders’ leven passen niet in dat van mij. Of toch niet direct. Ze moeten nog wat wennen. Aan onze witte muren, aan onze plakkende en pakkende kinderhandjes, aan onze huisspin en tochtgaten, aan onze kuren in ‘t algemeen.

Veilige zone

Ik heb zo van die dingen die ik steeds als reserve in mijn hoofd heb wanneer ik een illustratie maak. Noem het mijn veilige zone. Het gaat om dingen die ik doodgraag zie en teken. Dingen die helemaal niks, of niet veel, met het verhaal te maken hebben maar toch een belangrijk deel van de tekening worden. Bomen. Kale bomen zijn een kado voor mij. Ik hou van de beweging in de takken (zolang ze maar niet gaan kronkelen), van fragiele stammetjes, van zware knotwilgen… Maar ik hou ook van opvulsels als vogelnesten, vogels, eekhoorns en houtstructuur. Ik hou dan weer niet van bloesems en frisse blaadjes en appelen of peren. Misschien hou ik over ‘t algemeen niet van teveel lente en zomer in een tekening.
Bomen. Maar ook huizen. Huizen zijn heel veilig. Heel dankbaar ook. In een probleemsituatie kom ik altijd wel weg met een huis. Ik hou van bakstenen, raamgarniering, bloembakken, bloemen, schoorstenen met rook, trapjes naar de voordeur, vensterbanken… Maar ik raak helemaal in de war bij het tekenen van flatgebouwen, hutten en iglo’s.

haken

Het stelt niks voor. Het zijn ondefinieerbare brouwsels van stof en wol maar dat is niet erg. Ik haak gewoon wat tekeningen. Figuren plak ik, of knip ik, of schilder ik met zwarte acryl maar sinds kort haak ik ze ook. Volgens mijn man nog naweeën maar volgens mij normaal. De wol moet dik en ruw zijn, zoals mijn lijn. Ik wil sneller en sneller. Zoals mijn oma vroeger deed. Ik wil met kant afgeboorde jurken maken, en overgooiers voor mijn dochter, een strak gehaakte das voor mijn man, sjaals met Zorro’s voor mijn zoon… Ik wil zo’n echte worden. Zo een die haakt op de bus en hardop steken telt. Zo een die op e-bay fantastische bollen wol op de kop tikt en daar ook echt wat met gaat doen. Ik wil zo’n echte haakster zijn.

buren en pantoffels

Vlak voor mij, vlak voor mijn werktafel, zit een venster. Een groot venster waar aan de randen nog steeds plakband van het schilderen zit. Het kijkt uit op onze traphal. En ook daar zit ook weer een raam in die naar buiten kijkt. Eigenlijk kijkt alles door alles heen. De bomen door de stiften. De papierresten door de lantaarnpalen. En de buren door ons.

Gordijnen zouden een oplossing zijn. Maar gordijnen vind ik zo moeilijk. Ik kan zoiets niet kiezen, niet meten, laat staan kopen. Dus blijft alles gewoon open. Ik zie buren ramen wassen, brievenbussen leegmaken, vertrekken en weer thuiskomen, opgetut, in peignoir, blij of slechtgezind,met het hele gezin of alleen. Bij valavond worden het donkere vlekjes en als alles donker is, dan pas zijn ze weg.

Bij ons begint het nu pas. Trap op trap af. Licht aan, licht uit. Pampertjes, badjes, pantoffels. Marius én Rose op mijn arm. De wasmand op mijn hoofd. Net uit bad in joggingbroek. Rose in bed maar toch nog honger. Marius wil op computer naar de Barbapapa’s kijken. Oef.
Iedereen slaapt of zingt nog wat in bed. Mijn man en ik zitten in onze de werkkamer van glas. Ik kan beter werken als alles stil is. Geen muziek, geen praatjes en geen bewegende buren. Overal brand licht: in de gang tegen de enge dromen, in de keuken tegen de inbrekers en in de werkkamer voor de hele straat. En toch voel ik me niet bekenen. Ik schilder en pak misschien wel beter als ik een beetje geviseerd word. Het idee dat de hele straat ziet wat ik teken, hoeveel cola light ik drink en hoelang mijn pauzes zijn, kan mij niet deren.