Ook kinderen hebben hersenen

Ik heb een passie : hersenen, en bij uitbreiding, het brein.
Maar niet voor consumptie, geprepareerd met een teentje look.
Nee, ik ben gefascineerd door dat stuk van de mens dat huist onder de schedelpan.
Of zijn de termen hersenen en brein geen synoniemen en gaat het toch om twee verschillende dingen. Het ene concreet, het ander abstract, de fysieke vorm, tegenover de werking. Met andere woorden, de hersenen zijn er om ons brein te laten functioneren.
Ik lees over mens en dier, hun onstaan en evolutie, doch ik weet er nauwelijks meer over te vertellen dan de slager. Al vermoed ik dat die nu precies over die ‘fysieke’ aspecten heel veel weet.
De hersenen zijn belangrijker dan het hart, de motor van onze carrosserie die lichaam heet. Laten we daarom, het hart, ‘de fysieke motor’ en het bloed, ‘de benzine’ noemen. Ons brein is de ‘boordcomputer’.
Hersenen en biochemie blijken alsmaar meer verantwoordelijk te zijn voor onze handel en wandel. Hun programmatie bepaalt ons wezen.
Opvoeding en sociaal milieu spelen een mindere rol dan we enkele jaren geleden nog vermoedden.
Zelfs het geluksgevoel is ergens in de hersenen te lokaliseren, het staat op onze genetische kaart. Wij kunnen die G-plek (geluksplek) prikkelen, met voedsel bijvoorbeeld- precies zoals benzine die verrijkt is, effect heeft op de motor en de werking van onze auto. Heel simpel dus maar tegelijk zo vernuftig dat mijn okkernoot niet geheel volgt.
Bijgevolg begin ik daarom soms de psycho-analyse- en meer bepaald de invloed van onze jeugd op ons zijn- te relativeren (soms twijfel ik zelfs aan de filosofie). Want voor veel dingen zal nu een biochemische of neurochemische verklaring te vinden zijn. Bijvoorbeeld in verband met ons geluksgevoel.
Ons brein is machtig. De wetenschap geeft dit gul toe, en af en toe zelfs de fouten die ze in het verleden heeft gemaakt.
Het gevolg van al deze wonderlijke ontdekkingen is bijvoorbeeld de vaststelling dat je pas man of vrouw bent als je uiterlijke geslachtskenmerken matchen met je hersenkaart, xy in de ballen geeft xy in het brein. Zoniet ben je ongedefinieerd of zoekende op vlak van de geslachten.
Of de ontdekking dat het wiggebeentje in ons hoofd – het beentje dat onze evolutie van mensaap tot mens heeft gestimuleerd- nog steeds verandert en dus voor veel speculatie over onze toekomst zorgt.
De ontdekking dat de ontwikkeling van taal hand in hand gaat met de ontwikkeling van het zicht. De overvloedige visuele cultuur waarin we nu leven zal dus ongetwijfeld een onoverzienbare invloed hebben op die taal. Misschien gaan baby’s nu sneller praten, andere dingen zeggen, sneller abstract denken, meer ‘zappend’ denken.
De vaststelling dat de urinebuis van alsmaar meer jongetjes te kort is. Ze komt niet meer helemaal aan in de penis, ze stopt te vroeg. En dat die mutatie veroorzaakt wordt door uitwendige factoren zoals hormonen, pesticiden, vegetarisme…

Met andere woorden: ieder van ons heeft zijn genetische kaart, deze is vrij strak vastgelegd: een Jonagold zal dus nooit een Cox worden, maar kan door genetica, voedingstoffen en milieufactoren bijgewerkt worden. Of de Jonagold daardoor beter wordt…
Toch spannend, deterministisch en tegelijk zo hoopgevend of staan we weer een stap dichter bij de eugenetica van het Derde Rijk.

En waarom zeg ik dit allemaal: omdat wij zo bekommerd zijn over de opvoeding van onze kinderen: we willen zoveel voor hen, zo goed, zo topkwaliteit en tegelijk worden ze minder gezond, dikker, zeurderiger, hebben minder doorzettingsvermogen.
Is deze genetische evolutie terug te brengen tot pure evolutieleer, of is dit een gevolg van opvoedkunde. Geven we het kind teveel krachtvoer, teveel krachtprikkels. Verandert het kind of de wereld?
Is het de schuld van teveel suikers, teveel pcb’s, of een gevolg van de sexuele revolutie en het feminisme, en waar is die dan weer een gevolg van.
Is dit filosofie of wetenschappelijke analyse?
Traceerbaar? Met oorzaak en gevolg.
En wat moeten we hier allemaal mee?

Als die pcb’s, dat vegetarisme, die hormonen op enkele decennia een fundamentele lichamelijke mutatie in gang zetten, wat dan met de effecten op het hoofd van onze schatjes, en hun genetische kaart? En wat met onze opvoedingssystemen? Al weet ik dat denkpatronen als weggetjes in onze hersenen uitgesleten worden en opvoeding wel degelijk telt. En dat oude paadjes kunnen geslecht worden ten voordele van nieuwe. Maar misschien is ook dat niet altijd een rooskleurige gedachte.

Hoe fatalistisch ik ook naar het leven kijk, hoe vreselijk ik de ondergang van de wereld vind, er is een vreemd soort hoop dat verandering goed is, en zelfs de wereld draaiende houdt. En dat we zorgvuldig die verandering moeten bijsnoeien.

Maar nu jankt mijn hond, het is middag, hij is geprogrammeerd. Ik moet hem even uitlaten.

 

 

vervelende zomers

6 augustus 2007

Dag moeder en dag vader,

Kan u het nog aan?
De vakantie.
Nog even volhouden.
We zijn al halverwege.
De regen is opgehouden en
het mooie weer maakt ons hart lichter, houdt het huis properder.
De dweil ligt er werkeloos bij, geen moddersporen, geen parapluplasjes…
Het zomert,
en de kinderen ook.
Ze hengelen naar ijs,
ze schommelen zich suf,
ze hangen
ze zeuren
ze vervelen zich tot hun mondjes in een geeuw verkrampen .
Bij het kleinste teken van ongenoegen veren wij recht en staan met onze goocheldoos klaar om elke verveling met beloftes weg te toveren: straks gaan we…, als je je nu rustig houdt dan, …zullen we over een minuutje…wacht, momentje, ik ben zo terug…
En we lopen meteen naar de speelgoedwinkel waar de wondermiddelen op ons liggen te wachten. In vrolijke kleuren en tegen spotprijsjes. Wondermiddelen vervaardigd door kleine vlijtige kindervingertjes in verre landen waar verveling geen naam heeft.
We feliciteren onszelf om zoveel vindingrijkheid en opvoederstalent.
Wij hebben het dreigende monster der verveling bij het nekvel te gevat.
Weg schuldgevoel.
En zoet zijn onze schatjes, voor de rest van de dag en morgen misschien ook.
Maar overmorgen zullen we alweer een nieuwe truc moeten verzinnen, we bidden nu al om een goede ingeving.
We gaan even op de bank liggen, dat hebben we verdiend. We kijken naar de schaduwen op de muur, en hopla, meteen komen die vervelende koters erbij liggen. Missie mislukt.
Wat nu?
Gelukkig bestaan er boekjes met goede tips om een vakantie in harmonie door te brengen.
Ik koop ze niet vaak, mijn kinderen zijn al een flink stuk opgevoed.
Maar af en toe wil ik postuum bevestiging zoeken voor mijn opvoederstalent.
Ik lig in de tuinstoel in zo’n boekje te bladeren als mijn oog -helemaal niet toevallig- bij een kop blijft hangen: Pleidooi voor verveling.
‘Een uurtje lummelen is goed voor je creativiteit maar zelfs in hun vrije tijd voelt 40% van de mensen zich opgejaagd. Je hersenen hebben rust nodig.
En kinderhersenen zeker. Samen op de bank liggen luisteren hoe de uren wegtikken zonder dat wij er iets voor hoeven te doen.’
Ik kijk op mijn klok, de dag is bijna om.
‘Hopla,’ zeg ik tegen mezelf, ‘ga daar maar een stukje over schrijven.’

 

en nu iets geheel anders,

Of toch bijna.
Ik rij op de ring rond Gent, ik passeer een scherm met een rode 49 erop. Ik weet dat ik maar 50 km mag rijden dus ik denk: Goed gedaan, er net onder.
Tot ik dichterbij kom en meen te lezen dat onder die 49
de toelichting: ‘…dagen voor de arrivé’ staat. Misschien heb ik dit niet goed gezien en stond er iets anders. Ik moet er nog eens langs.
Verder langs de ring zie ik huizen met vlaggetjes. Vlaggensnoeren. Bij het eerste huis denk ik nog aan een kinderfeestje of pas getrouwd, bij het derde huis denk ik aan restjes van de feestvreugde omwille van die Tour de France. Het is vandaag de voorlaatste etappe. Wij zullen deze Tour herinneren als die keer dat hij in Gent passeerde en Tom Boonen niet won. Die keer toen het zo’n slechte zomer was, die keer toen de journalisten in staking gingen wegens de dopingschandalen. Maar alleen de slechte zomer en de passage in Gent zullen we ons nog herinneren.
Niet die Ecuadoriaanse moeder en haar dochter.
Overmorgen vliegen ze weer naar huis. Welk huis?
Zij zullen maandag aanschuiven aan de loketten in de luchthaven, tussen de toeristen die vrijwillig de lucht in gaan. Voor een tijdelijk verblijf. Zullen die overmorgen in een vrolijk straatje van het wonderlijke Djerba of Kreta gecontroleerd worden op hun echtheid? Of is een gebloemde short en fototoestel voldoende om credibiliteit te verwerven, getolereerd te worden. Een gevulde beurs doet alle poorten opengaan.
Dikke pech voor wie in België rondloopt met een een gebloemde tuniek en zonder vette portefeuille op zak, of één waar niet de juiste papieren inzitten.
Wat proberen wij hier te beschermen, welke verworven rijkdommen, welke welstand? Waarom kijken wij op een mondje meer?
Iemand die zijn hebben en houden achterlaat doet dit meestal niet zonder de pijn van ontheemding.
Niemand gaat weg als hij het er goed heeft tenzij om het nog beter te hebben zoals onze zonen en dochters die nog meer fortuin vergaren in het buitenland dan dat ze kunnen in eigen land al kunnen.
Zelfs zij voelen zich ontheemd ook al hebben zij het geluk gevraagd te worden.
Helaas, iemand die ongevraagd ons tuinpad oploopt in de hoop beter leven te vinden in ons keurige, royale voortuin, wordt verdelgd als een parasiet
Het lot zal je maar zo ongunstig zijn dat het je eerst dwingt te vertrekken, je hele geschiedenis achter te laten om je dan in het land van de nieuwe vooruitzichten als een lotje uit de loterij in de handen van politie te doen rollen die er een erezaak van maakt dit onrecht te bestraffen. Welke genoegdoening geeft dit de ambtenaren van vreemdelingenzaken? Hoe leuk is het iemands hoop weg te slaan. Een toekomst de nek om te draaien.
Misschien worden er morgen zelfs premies uitgereikt voor de ijverige controleur die de meeste koppen verzamelt.
Is dit het België waar ik wil wonen?
Waarom is deze vrouw nooit eerder een procedure gestart? Waarom wordt ze een maand opgesloten, welke misdaad heeft ze begaan? Waarom haar nog dezelfde dag van de uitwijzing een retourticket boeken? Waar komt deze vrouw, dat kind terecht? En al die anderen die de vreselijke misdaad begaan te ‘zijn’ in onze straat, in onze staat. Als wij hen nu eens meteen tegen de muur zetten en neerknalden? Wat zou het voor hen uitmaken? Ons goed fatsoen dwingt ons hen nog een kans te geven! De vreselijke kans waarvoor ze gevlucht zijn.
Een tiende van het geld dat de Tour de France de stad Gent heeft gekost, zou deze vrouw, of een andere, jaren vooruit helpen. En haar enige ‘criminele’ doel in haar leven: haar kind een betere toekomst te geven, helpen verlichten.
Ondertussen heb ik me geparkeerd in dorpsstraat van de vrolijke residentiële gemeente waar ik moet zijn.
Ik haal de fiets van mijn dochter uit de auto, breng hem naar de overkant van de straat bij de winkel waar ze een vakantiejob doet. Wat centjes vergaren voor leukigheidjes, begrijpt u. En wanneer ik na welgeteld drie minuten terug naar mijn auto loop zie ik er een parkeerwachter naast staan.
Ik roep: ‘Ik kom.’ Hij kijk op, ziet me en drukt klikklik zijn fototoestel af.
‘Te laat,’ zegt hij, ‘je staat erop. Wegens geen blauwe zonekaart.’
Weet ik veel, nergens heb ik een bord gezien.
‘In de hele gemeente geldt blauwe zone,’ triomfeert de man.
Dat wist ik niet, ik ben een vreemde.
Ik weet alleen dat ik 25 euro parkeerboete heb,
wegens niet opgelet, niemand gehinderd, niemand aangereden, voor niemands poort gestaan, niet dubbel geparkeerd, netjes in een vak, niet op de stoep dus, en toch drie minuten te lang zonder bewijs in deze gemeente aanwezig ben geweest.
Hij geeft me de bon, en loopt naar de volgende auto.
Klik, doet hij en denkt, yes weer een. Ik ben een toegewijde kracht.
Gefeliciteerd.

28 juli 2007, en geen fotootjes meer

De arrivé

Episode 4
De arrivé
(wat vooraf ging: het is maandag, de stad is rustig, ik ben vertrokken op mijn Gazelle, maar de stad is akelig stil en leeg, en ruikt naar kokosolie, ik begeef me tussen de mensen en hou me staande op een graspol…)

Ik sta op een strategische plek, denk ik.
Op de derde of hoogstens de vierde rij achter de dranghekkens.
Plots wordt de massa brutaal uit zijn labiel evenwicht geduwd.
‘Laat die mens een keer passeren,’ roept een man naast mij.
‘Die mens zoekt zijn vrouw, laat hem door, het is een brave mens. Geen paniek.’
En inderdaad, tot mijn verbazing splijt de mensenzee in twee rafelige delen.
De man wankelt ertussen, hij valt een keer links, krabbelt recht en valt dan rechts, maar uiteindelijk vindt hij zijn vrouw. Al wil de vrouw haar man niet meteen kennen en al helemaal niet door hem aangeraakt worden. De man kan zich ternauwernood aan een hekken vastklauwen.
Hij wordt geduwd en gestoempt maar de man is te beschonken om veel weerwerk te bieden.
‘Ze komen eraan,’ roept het meisje op haar balkon.
‘Boone ligt voorop, het zal Boone zijn.’
Dan dringt het tot me door dat ik op een heel onfortuinlijke plaats achter de arrivé sta.
Ik hoor de helikopters, ik zie de wiegende massa, de stijgende opwinding, maar verder niets.
‘Boone wint,’ roept het meisje.
‘Nee, het is Steegmans,’ zegt een ander.
‘Boone.’
‘Steegmans, ze liggen gelijk.’
Uiteindelijk wordt het duidelijk dat niet de favoriet als eerste over de meet gaat.
Er is geen euforie, het grote wachten is niet beloond.
Het lijkt alsof de massa op slag haar interesse is verloren.
De ontbinding is er meteen en ook totaal.
Ik zie de mindere goden op een zondagstempo zich een weg door de massa banen, ze hebben het gehaald. Niet slecht maar ook geen top.
De jongen naast me kent ze allemaal bij naam.
‘Goed gedaan, copain,’roept een man tegen elke renner die langsrijdt.
‘Tu es le meilleur. Astlavista.’ Hij is heel internationaal, die man.
Ik zoek mijn fiets en ga terug naar huis.
Het is beginnen regenen.
Warm en stroperig.
Dit was de arrivé, ik heb slechts de après-arrivé gezien, uitgeputte mannen, diepe groeven in hun gezicht, bruin en vuil. Dom en aantrekkelijk tegelijk.
Wat zullen ze vanavond doen, denk ik.
Naar tv kijken?
Zoals wij allen die hier waren.
Ik kom thuis en knip het televisietoestel aan.
Maar de Tour de France is geen vaste zomerkost meer, maaar misschien vind ik het juiste kanaal niet.
Ach denk ik, ach, en ik drink een sapje.
Ik heb het verdiend.

(en nu iets geheel anders)

Foto: Koen Broos

Episode 3: Hoge hakken maken het verschil

(wat vooraf ging: het is maandag, de stad is rustig, ik ben vertrokken op mijn Gazelle, maar de stad is akelig stil en leeg, en ruikt naar cocosolie…)

Ik fiets door de brede lege laan, de stilte en de leegte maakt me ongemakkelijk.
Alsof iedereen zich stilletjes klaarmaakt om me in de nek te springen.
Ik zigzag tussen de dwars over de weg geparkeerde auto’s.
Hier en daar zie ik toch een verdwaalde, maar niemand lijkt op zijn hoede.
Boven mij nog steeds de helikopters. Ik fiets tot bij het kruispunt, sla de hoek om en dan, als een grote vloedgolf, stroomt het volk de straten binnen. De massa golft in dezelfde richting, roepend en drinkend.
Een jongen duwt een winkelwagentje voort met daarin drie bakken bier.
Hij zwalpt en spreekt warrig. Het is een mooie jongen, met griezelige ogen. Felblauw met zwarte wimpers, hij loert naast mij en roept dat hij het allemaal zat is, dat hij naar huis gaat.
Mensen kijken hem na, hij hobbelt verder met zijn karretje, over de middenberm, de helling van het park op.
En plots zit ik gevangen tussen dranghekken.
Ik word meegezogen met de stroom die naar een punt vloeit.
Ik bind mijn fiets vast en word massa. Naast mij lopen zenuwachtige ouders met kinderen op de schouders, groepjes vrienden die jaloers naar de mensen roepen op de balkons in de huizenblokken, mannen en vrouwen die al uren op wacht staan en het riskeren even van plaats te veranderen. Er wordt geroepen en gezongen.
‘Ze zitten op de ring,’ hoor ik iemand gillen. ‘Nog een kwartier.’
Ik ben dus precies op tijd en zoek me een strategische plek op een grashoopje op de vierde rij naast een dranghek.
Ik verbaas me dat ik een halve hoofdlengte boven de massa uitsteek, ik ben niet bepaald lang maar heb zoals steeds hakken van vijf centimeter aan. Vreemd dat slechts enkele centimeters het verschil kunnen maken.
Op mijn grashoopje probeer ik me overeind te houden, dat lukt me beter dan sommige mannen naast mij die de schouder van een ander nodig hebben om rechtop te blijven staan.
Boven onze hoofden hangen mensen over de balustrades van hun huizen. Superieur in de letterlijke betekenis.Voor een keertje zijn ze blij daar te wonen.
‘Hoever,’ hoor ik roepen.
Een meisje loopt haar flat binnen, de hoofden blijven hoopvol naar boven staan.
Even daarna komt ze gillend terug.
‘Ze zijn gepletst in de bocht. De hele troep,’ roept ze, ‘plets tegen de grond!’
‘Oooo,’ golft het door de massa naast mij. Het meisje lacht, ze heeft alles: een balkon, een televisie en een schitterend uitzicht.
Ik dein mee met de ontzetting die door het volk gonst.
Bon, denk ik, het zal dus twintig minuten worden.
Ik kijk hoopvol in de richting waarvan ik denk dat dit de plek is waarheen ik moet kijken. En wacht. Weggaan heeft geen zin. Ik wil niet tegen een vloedgolf inzwemmen. Dus ik blijf. Wiebelend op mijn hoge hakken.
(wordt vervolgd)

 

Foto: Koen Broos