Zo, het is gedaan.

En ik vind het jammer. Het was heerlijk om zo veel lieve reacties te krijgen. Dank jullie wel. En de blog van Villa Kakelbont als een vriendelijke stok achter de deur om te schrijven – het werkte wel.
Mijn hoofd mocht gewoon vollopen met herinneringen aan mijn grootouders. Mijn laatste grootmoeder stierf vorig jaar in de lente en mijn laatste grootvader deed dat in de herfst.
Met mijn grootvader had ik een bijzondere band. Ik mis hem, het stemt me soms stil, soms triest. Net als het onverwachte telefoontje dat ik nu net kreeg, van een goede vriend van wie de moeder heel plots op sterven ligt. Net als het leven en de dood van de verlamde man in het wondermooie Mar Adentro dat ik zopas voor het eerst zag. In geen jaren heb ik zo’n intense film gezien. Hij blijft maar nadeinen, de zee vanbinnen …

‘Pépé, waar denk je aan?’ Hij was al erg ziek en veel stiller dan vroeger. We zaten tegenover elkaar aan tafel en hij staarde langs me heen naar buiten.
Hij zuchtte. ‘Och, zoeteke, aan alles en niets. Aan niets en alles.’ Hij glimlachte naar mij met lieve ogen. Ik werd er blij van, en ook een beetje verdrietig.
Hij zuchtte nog een keer en begon toen toch te praten. Een stroom van gedachten kwam naar buiten. Hij zei: ‘Mars is zo ver weg en dat is maar een stukje van wat we weten. We zien sterren vallen die niet eens meer bestaan en honderdduizend jaar geleden stierven al mensen. Niemand weet nog iets van hen.’
Hij vroeg: ‘Er moet toch een begin zijn? Waar is het begonnen? En het moet toch ook een keertje stoppen? Wat doen we hier? Bestaat God wel? Waarom weten we zo veel en begrijpen we zo weinig? En Siskatje, denk jij dat er iets is, een hiernamaals of iets anders?’
Ik werd duizelig van zijn vragen. En antwoorden had ik niet. Ik kon alleen maar opstaan en mijn armen voorzichtig om zijn magere schouders leggen.
Hij drukte een zakdoek tegen zijn ogen. Ik keek naar hem, naar zijn warrige witte haar en zijn vlekkerige handen. Het deed pijn in mijn borst. Ik dacht aan het moment dat hij er niet meer zou zijn en miste hem al van tevoren.

Hij vond het zo erg om te moeten sterven. Hij kon niet tegen de gedachte er op een dag niet meer te zijn. Hij zei: ‘Jij zult me nogal missen, hé, als ik er niet meer ben.’ Hij vroeg: ‘Ga je huilen als ik dood ben?’ En: ‘Schrijf je later een boek over mij?’

Misschien telt dit ook al een beetje.

Tot later.

Siska

Een bijzonder moment

We schrikten op. Met veel lawaai en gezwaai van armen kwam Tsjeden binnenvallen. Hij wilde dansen, daar was hij dol op. Mijn grootvader stond op en zocht tussen de platen naar Tsjedens lievelingsmuziek. De platen waren bijna zo oud als hijzelf. Het waren kromgetrokken, roestige ijzeren schijven met gaatjes erin en ze draaiden alleen op de mooie grammofoonspeler in het met krulletters versierde houten kistje. Pas als je flink aan een hendel draaide, begon de muziek te spelen.
Na een halve minuut van geknars en gekraak schalde plots de muziek hard en ritmisch door de kamer. Van Duitse marsmuziek, met trompetten en tuba’s, hield Tsjeden het meest. En ook mijn grootvader vond het mooi: zijn hoofd bewoog mee op het ritme van de mars.
Ik legde mijn handen op mijn oren. De opgezette eekhoorn op de kast hield zijn kopje scheef, alsof hij nog altijd verwonderd was om wat zijn oogjes niet meer konden zien.

Tsjeden marcheerde met grote passen door de kamer. Hij lachte kinderlijk blij en kwijl liep over zijn kin. Zijn armen zwaaiden wild, bij elke pas tilde hij zijn been hoog op. Verwonderd keek ik toe. Mijn grootvader stak een sigaar op en knipoogde naar mij. ‘Laat hem maar genieten. Hij heeft niemand.’
Ik ging veilig achter zijn stoel staan en legde mijn armen om zijn nek, mijn wang tegen zijn stoppels. Ik hield van de geur, van de rook, van de sigaar. Ik voelde: dit is een bijzonder moment, ik mag het nooit vergeten.

De oude man danste en danste op de schetterende muziek, onvermoeibaar, zonder schaamte, in de donkere kamer. Buiten brandde de zon en draaide de wereld.
Mijn grootvader keek intens tevreden toe.
Hij was een verzamelaar van bijzondere momenten.

Zomerochtend (2)

Pas toen mijn boterham al op was, begon hij te praten. Langzaam zocht hij de woorden, zijn blik was ver weg.
‘Je grootmoeder was een mooie vrouw, kind. Ze bruiste, mijn Madeleintje. Ze babbelde altijd, als een waterval, zonder ophouden. En ze nodigde graag mensen uit. Dan verkleedde ze zich en speelde toneel voor hen. Het waren zalige avonden. En toen – opeens – werd ze ziek. In het begin begreep niemand wat er aan de hand was. Ze struikelde vaak, over haar voeten, over haar woorden. Soms viel ze opeens, of zakte met een knik door haar knieën. De mensen roddelden, dachten dat ze dronken was. Onnozelaars. Een smerige ziekte was het, die ongemerkt naar boven kroop. Van haar tenen langs haar benen, naar haar buik en borst, tot ze helemaal verlamd was. Zelfs haar stembanden vielen stil. Dat was nog het ergste. Dat ze zelfs niet meer kon praten.’

Hij zat diep in zijn herinnering. Buiten ronkte de grasmachine, ik haalde nauwelijks nog adem.

‘Je weet het misschien nog wel. Je was nog heel klein. Ik zette haar in de groene zetel met de hoge rugleuning, midden in de kamer. Alleen haar ogen bewogen nog. En ze keek … ze keek … Ook naar jou, ons eerste kleinkind. Ik zette je op haar schoot, want je speelde zo graag met haar handen en vingers. Je greep ze vast met je koppige handjes en tilde ze op, zo hoog als je kon, en liet ze dan ineens weer los. En haar handen vielen als pittenzakjes in haar schoot. Je vond het een heerlijk spel. Je kraaide van plezier, telkens weer, en haar ogen lachten. Ja. Dat was mooi.’ Hij zuchtte diep.

Het geluid van de grasmaaier zwol aan en nam weer af.

‘Ik gaf jullie soms samen te eten, de kinderstoel naast de zetel. Ik las verhalen voor, voor jullie tweeën, en zette jullie allebei op het toilet. Ze vond het zo erg, was zo trots. Ze huilde dikwijls, heel stil, als ze dacht dat niemand het zag.’
Hij zweeg, nam zijn bril af en veegde met een haastig gebaar langs zijn ogen.

Ik keek vlug weg. Ik staarde naar mijn bord en toen naar zijn verweerde handen met de witte vlekjes: ooit had hij een brandende frietketel met blote handen opgetild en naar buiten gedragen. Mijn grootvader was een held.
Ik wilde de vlekjes voelen en legde voorzichtig mijn hand op de zijne.

Zomerochtend (1)

Heel lang geleden schreef ik een briefje naar huis en liep naar buiten. Een eindje verderop in de straat stond een brievenbus. Ik hoefde mijn grootvader niet te zeggen dat ik wegging – in het stille huis weerklonk luid zijn gesnurk.
De bomen aan weerszijden van de straat vormden een beweeglijk groen dak. Het was gewoon mooi. Hoewel het nog ochtend was, drong de zon alweer warm tussen de bladeren door. Er was niemand op straat – heel stil. Ik werd er rustig van, zoemde een beetje en liep zo langzaam mogelijk terug.
Zo wit als het huis vanbuiten was, zo donker was het er binnenin. Het was een vreemd huis. Er zat verdriet in de muren. Mijn grootmoeder Madeleine was er doodgegaan, in het bed met de vuilroze sprei. In de kamer boven, aan het eind van de gang.

Ik nam een reep chocola uit de keukenkast. Op vakantie bij mijn grootvader mocht ik gaan en staan waar ik wilde, en eten en drinken waar ik zin in had. Dat was ronduit heerlijk. Ik ging in de woonkamer op mijn plekje aan tafel zitten en pakte mijn boek. Plots een harde klop op het raam, vlak achter mij. Met bonzend hart keek ik om.
Een morsige man staarde me aan. Hij stootte onsamenhangende keelklanken uit en gebaarde heftig naar mij. Speeksel liep langs zijn kin over zijn groezelige hemd. Ik lachte van opluchting. Het was Tsjeden maar. Op zijn vreemde gezicht verscheen een grote grijns toen ook hij mij herkende.
Ik liet hem binnen en liep met hem naar de garage. Met harde, onbeheerste geluiden probeerde hij mij iets duidelijk te maken. Ik begreep er niets van. Mijn grootvader was de enige mens die Tsjeden verstond en kon vertalen. Ik haalde mijn schouders op en trok mijn wenkbrauwen in een vraag. Zijn antwoord was een schokkende lach en een natte spetter op mijn wang. Hij greep de stang van de grasmaaier beet en zonder om te kijken, verdween hij met de machine naar buiten. Ik rende naar de keuken en pakte een papieren doekje. Buiten sloeg met veel gesputter de motor aan.

Het geluid wekte mijn grootvader. In een lichtblauw onderhemdje en een kreukelige grijze broek kwam hij de keuken binnen. Hij begon verward te rommelen in een la. Ik leunde wat tegen de deurstijl en bekeek hem tersluiks. Het hemdje spande om zijn buik en toonde een stukje van zijn grijze borsthaar. Zijn vel dat nog nooit de zon had gezien, was wit en rimpelig en stak bleek af tegen zijn roodverbrande hoofd en armen. Zijn witte kuif stond alle kanten op, zijn gezicht zag er een beetje katerig uit. Afwezig keek hij me aan, alsof hij totaal niet meer wist wie ik was en waarom ik me in zijn keuken bevond. Ik moest vanbinnen zachtjes lachen en keek afwachtend terug. Toen schoot hij luid in de lach. ‘Goeiemorgen, Siskakaatje!’ Hij roefelde met beide handen stevig door zijn haar, hoestte eens hartgrondig zijn diepe rokershoest en begon resoluut de tafel te dekken voor het ontbijt.

Moeilijke sokken

De laatste maanden kon hij zich niet meer bukken. Dat deed zijn broze botten te veel pijn. Toch wilde hij nog het koste wat het kost op stap. Hij was veel te graag onder de mensen. Hij wilde ze laten zien dat hij níét ziek was, maar nog altijd onbetwistbaar die schone, fiere meneer. Omdat hij die dag alleen was en zo verdomde trots, vertrok hij naar zijn stamcafé zonder sokken aan.

Hij stak zijn ruwe, blote voeten moeizaam in zijn koude zondagse schoenen, stopte zijn sokken netjes opgerold in de zak van zijn kostuum en ging op weg. Traag en moeizaam en met de hulp van zijn krukken schuifelde hij over het voetpad, vastberaden om op te gaan in de mensen en het leven.

Toen hij eindelijk zat, in de walm van geroezemoes en rook, slaakte hij een zucht van genoegen. Dat gewoel verwarmde hem en gaf hem even het idee dat alles bij het oude bleef, dat alles wel goed kwam en hij de honderd jaar zeker zou halen.
Hij bestelde een whisky en toen de serveerster die bracht, haalde hij de sokken resoluut uit zijn vestzak: ‘Meiske, trek mijn kousen eens aan.’ Niemand had haar ooit zoiets gevraagd.
Maar ze bukte zich zonder verpinken, trok hem de schone sokken aan en schoof de glimmende schoenen aan zijn oude voeten. ‘Zo goed, meneer?’
Hij knikte kort, dronk een slok van de whisky en keek toen vergenoegd om zich heen. Alles was goed.

En waarom zou híj geen honderd jaar worden?