Over gepakte koffers en laatste woorden

Vrijdag 29 april.

6.00u

Heel vroeg vanmorgen heb ik mijn koffers gepakt. Ik heb de Villa opgeruimd, schone lakens op het bed en een snoepje op het hoofdkussen gelegd. In het eerste morgenlicht, hijs ik mijn rugzak op mijn rug en trek de deur zachtjes achter me dicht. Dag Villa, bedankt dat ik hier een maandje mocht logeren. Het was erg fijn. Er zijn leuke mensen met lieve reacties op de thee geweest. Het was soms wat druk, om bij te houden wat er in mijn hoofd gebeurde, maar ik heb toch ook wel veel over mezelf geleerd. Ik heb bewuster geschreven, denk ik. Het verhaal is nog niet af, maar zo dadelijk ben ik weer onderweg en dan komt het wel, dat einde. Twee uur en dertig minuten zit ik straks op het vliegtuig. Naar het Hoge Noorden. Finland. Een week lang in de bossen, tussen de meren, de robben en de elanden. Een week lang offline, in alle rust. Mijn rugzak is gevuld met veel boeken, warme truien en mijn onderweg-netbook.

finland

12.00u

Op het vliegtuig heb ik nog nooit geschreven, maar ik ga ervan uit dat het hetzelfde is als schrijven op de trein. En ja, hoor, het lukt. Ik geef mezelf het eerste half uur vrij om wat te slapen. Het vroege opstaan zit me nog in de kleren. En daarna, vooruit, geen getreuzel, niet door het raampje staren. Een tussenstuk waar ik mijn tanden op stukbijt. Hoe maak ik de overgang? In hoeveel stappen werk ik naar de climax toe? Moet er nog een stap bij, of wordt het dan te ‘obvious’? Opnieuw de vraag over het doseren van informatie. Ik kom er niet uit en besluit om het stukje gewoon over te slaan. Dan kijk ik later wel of er nog iets tussen moet. De gasten gaan aan tafel. En ik voel het einde aan me trekken. Eén vloeiende stroom. De gastheer wil zijn toespraak houden, maar hij krijgt de gelegenheid niet. Meneer Patterson onderbreekt hem. De gastheer wordt woedend en verlaat de eetzaal. En dat was waar ik hem hebben wilde. De ontknoping.

Met een bijna sacrale traagheid tik ik de laatste woorden in. Klaar. Einde.

Het vliegtuig zet de daling in. De eerste versie is klaar. Mijn maand in de Villa is ten einde. In bijlage krijgen jullie mijn verhaal, omdat jullie het de moeite vonden om mee te lezen hoe het groeide. Een eerste versie die nu zal moeten rijpen. Na mijn vakantie zal ik het met nieuwe ogen kunnen lezen. Maar dan ben ik hier niet meer.

Over achterdochtige lezers en nietsvermoedende gastheren

Dinsdag 26 april

Vandaag kwam ik verheugd tot de constatering dat ik al zowat het hele verhaal op de trein geschreven heb. Ik moest naar het verre Koekelare voor twee lezingen (met een heerlijk driegangendiner tussendoor!) Voor twee lezingen van elk anderhalf uur zat ik dus meer dan vier uur op de trein. Vroeger bleven de verhalen in de trein beperkt tot mijn hoofd. Omdat ik het schrijven heb afgeleerd. Schrijven op papier lukt me eenvoudigweg niet meer. Nochtans schrijf ik graag, ik hou van de zachte pennestreken die je geruisloos over papier trekt, de vloeiende bewegingen en de dikke lijnen die mijn –speciaal voor mij gecombineerde- vulpen maakt. Ik word kinderlijk blij als ik glad, blinkend papier vind waarop het schrijven nog zachter gaat. Maar dat is schrijven, het ambachtelijke schrijven van losse woorden en zinnen, en eventueel beknopte ideeën, niet het uitschrijven van een verhaal. Daarvoor heb ik een computer nodig. Waarbij ik alle overbodige zinnen zonder sporen kan wissen. Waarbij de zinnen die mogen blijven staan leesbaar zijn en niet in een kribbelig, groot en onhandig handschrift verdoken zitten. Netjes en overzichtelijk moeten mijn zinnen zijn zodat ik ze zonder moeite kan herlezen. Want door dat herlezen, trek ik nieuwe zinnen uit de bestaande zinnen. Het is dus lang geleden dat ik zo veel volzinnen schreef in een trein. Maar sinds ik enkele weken geleden een netbook heb gekocht die niet groter is dan een boek, kan ik opeens wél verhalen uitschrijven, zo blijkt. Ik ben geen gadgetmens. Ik heb geen Ipod, geen Ipad, geen Iphone, geen andere Iapparaten, ik heb zelfs geen mp3-speler. Maar nu heb ik dus wel zo’n klein laptopje. Schrijven op het perron, dichtklappen, instappen, schrijven in de trein. Het landschap glijdt voorbij en het gebabbel van de andere passagiers vervaagt. Antwerpen-Kortemark is de afstand van anderhalve bladzijde. Anderhalve bladzijde! Daarvoor moet ik thuis lang uit het raam zitten staren. Het verhaal is dus in de helft. En de gastheer begint zich te ergeren. De bedienden kijken zijn richting niet uit als hij dorst heeft. Zijn gasten onderbreken hun gesprek niet als hij zich bij hen voegt. Ze roddelen maar verder over meneer Andrews en een man die hij zou hebben gedood. Zelfs zijn vrouw lijkt afwezig en heeft geen aandacht voor haar man. De lezer heeft ondertussen wel door dat er iets niet klopt, maar heeft (hopelijk J) nog geen idee wat het juist is. Waarom negeert iedereen hem? Zelf denkt de gastheer dat ze hem misschien willen verrassen, maar de lezer weet beter, daarvoor klonk de beginzin iets te dramatisch. Ik denk goed na over het doseren van de informatie. Een heikel evenwicht tussen je lezer voldoende informatie geven zodat hij vermoedens begint te koesteren en linken probeert te leggen maar tegelijkertijd niet te veel prijsgeven zodat het einde toch nog als een verrassing komt. Het is dat moeilijke evenwicht dat ik in elke detectivereeks die ik op televisie bekijk, probeer te ontrafelen. Wanneer krijgen we welke informatie? Hoe subtiel worden we op het verkeerde been gezet? Worden belangrijke elementen en personages niet te dik aangezet? Of te weinig? Een goede dosering is belangrijk, maar moeilijk. Het is als met medicatie. Te weinig en je merkt niets, te veel en je gaat eraan dood.

poetry-writing-all-writing

Over arrogante gastheren en verraderlijke gasten

Donderdag 21 april

Ik ging vandaag naar Amsterdam. De trein vertrok al met een half uur vertraging, maar daarna had ik anderhalf uur (want hij liep nog meer vertraging op) in een makkelijke stoel om verder te schrijven aan mijn verhaal. Ik had ondertussen al bedacht hoe het feest zou verlopen; eerst een rustig keuvelen met pianomuziek, daarna een diner. Ik liet mijn gastheer naar boven gaan, waar het feest zou plaatsvinden, en terwijl ik dat schreef, nam hij het plots van me over. Ik zat in zijn hoofd en sprak met zijn stem en zo leerde ik hem pas helemaal kennen. Tijdens het schrijven ontdekte ik zo niet alleen zijn karakter, maar kwamen er ook andere elementen bovendrijven die pasten bij de geheimzinnige sfeer van het verhaal.

Hij hield niet van dansen. Hij hield niet van zwetende en zwierende mensen. Een keurig feest, daar stond hij om bekend en daarom kwamen zijn gasten elke keer terug. De pianist probeerde enkele melodieën uit en zijn vrouw knikte. Hij glimlachte. Het zou perfect zijn, en dat moest ook, want vanavond zou hij zijn mededeling doen. Voor al zijn vrienden en kennissen. Hij vroeg zich af hoe ze zouden reageren. Geschokt? Kwaad? Of zouden ze zijn keuze begrijpen? Onwillekeurig tastte hij in de zak van zijn jasje naar zijn toespraak. Hij had ze zorgvuldig voorbereid. De woorden gewikt en gewogen, hier en daar een toepasselijk citaat en een referentie naar een oude mythe. Het was een belezen toespraak en hij was er trots op. Ze zouden alleen nog maar meer respect voor hem krijgen. En misschien waren ze wel zo onder de indruk van zijn retorische talenten dat ze de boodschap die erin verpakt zat met milde goedkeuring innamen. Als een pil in een lepel stroop.

Daar zat ik dus met die mededeling. Ik weet zelf nog niet wat hij wil zeggen. Maar dat het te maken heeft met einde van het verhaal is zeker. Op het einde is hij dood, dat kan ik jullie wel al verklappen. En die mededeling heeft er iets mee te maken. Wat? Dat zoek ik nog uit.

En omdat het vandaag Witte Donderdag is, de dag van het Laatste Avondmaal en het verraad van Judas, vond ik dat een van de gasten een soort Judas moet zijn, die een reden heeft om de gastheer naar het leven te staan. Maar wie? En waarom?

Ondertussen liet ik mijn gastheer de binnenkomende gasten begroeten. En toen hij binnenkwam, wist ik het. Meneer Andrews is mijn Judas.

Mevrouw Andrews omhelsde zijn vrouw op een ietwat houterige manier. De Andrews’ waren een zonderling stel. Hij begreep niet waarom zijn vrouw erop stond om hen steeds uit te nodigen. Meneer Andrews mocht dan wel van adel zijn, zijn voorouders hadden al hun geld verbrast met drank en gokspelen en hadden hun erfgenamen met niets meer achtergelaten dan een oud, vervallen kasteel dat tochtig was en vocht in de muren had. Niemand wilde het kopen, dus waren meneer en mevrouw Andrews gedoemd om erin te blijven wonen. Hun kleren roken naar de vochtige schimmel op de muren en hun gezichten hadden dezelfde vale kleur als het verschenen behangpapier. De gastheer was nog maar één keer in hun kasteel geweest en dat was een avond die hij zich liever niet herinnerde. Hoogst onplezierig. Mevrouw Andrews wisselde nog enkele woorden met zijn vrouw. Hij lette er niet op en wilde dat ze zouden verdergaan. Het was moeilijk om zijn afkeuring te verbergen en meneer Andrews voelde dat.

Het is duidelijk dat wat mijn gastheer als ‘hoogst onplezierig’ beschouwt voor meneer Andrews véél dieper zit.

Dames en heren, het volgende station is Amsterdam Centraal, eindstation van deze trein.

Ik klapte mijn laptop dicht. Waarom meneer Andrews zo’n wrok koestert tegenover mijn gastheer was dus voor een andere keer.

eerste_treinDe eerste trein, ca 1830, iets trager dan de Thalys vandaag …

Over eerste zinnen en vroege ochtenden

Dinsdag 19 april.

Ik was vanochtend een uur vroeger wakker dan mijn wekker. Ik raakte niet meer in slaap, want opeens besefte ik dat ik over mijn beginzin lag na te denken die ik gisteren geschreven had. Beginzinnen zijn belangrijk. Ofwel grijpen ze de lezer vast en trekken ze hem in het verhaal, ofwel fronst hij en wacht hij wantrouwend af wat de volgende bladzijde brengt. Ofwel gooit hij het verhaal meteen aan de kant. Meestal begin ik gewoon ergens midden in een scène. Zodat de beginzin ook meteen de rest van de paragraaf uit mijn vingers trekt. Maar toen ik vanochtend over mijn zin begon na te denken, vond ik dat het bij dit kortverhaal toch wel wat meer mocht zijn. Waarom zou ik bij het begin niet meteen op het einde alluderen?

Als je het hem gevraagd zou hebben, zou hij gezegd hebben dat hij al in het begin van de avond wist dat er iets niet in orde was. Maar hij zou gelogen hebben.

Na een kwartier roerloos, maar met een op volle toeren draaiend hoofd, in bed te liggen, had ik besloten dat het voorlopig die zin moest worden. Het was nog altijd drie kwartier voordat mijn wekker zou aflopen, maar ik ging naar beneden, waar de zon zo fel binnenscheen dat het al ochtend genoeg leek. Ik krabbelde de zin alvast op een papiertje terwijl de computer opstartte.

Als je het hem gevraagd zou hebben, zou hij gezegd hebben dat hij al in het begin van de avond wist dat er iets niet in orde was. Maar hij zou gelogen hebben.

Hij was te zelfingenomen om te beseffen dat alles niet was zoals het hoorde, toen die avond de bel voor de eerste keer ging en Maud naar de voordeur rende om de eerste gasten binnen te laten. Hij hoorde hoe ze de gasten begroette, maar bleef niet staan luisteren wie er was binnengekomen. Met grote passen liep hij naar de grote kamer op de eerste verdieping waar het feest zou doorgaan en controleerde alles voor de laatste keer.

En ik had warempel nog de tijd om dit stukje te schrijven ook!

hittegolf_morning

Over makkelijke titels en moeilijke personages

Maandag 18 april

Ik was begonnen met de titel. Die was makkelijk. Het feest. Om in de stijl van mijn vorige ‘Edgar Aline Poe’ kortverhalen te blijven, behoort die titel één liefst nietszeggend woord te zijn. Het genootschap, het kistje, de voorlezer, … Toen ik mijn notities in mijn boekje las, twijfelde ik nog even over De gastheer. Dus schreef ik dat ernaast. Ik zou nog wel zien. En daarmee was mijn blad ook al niet meer leeg.

‘De schrijver is de enige die door het raam kan staren en mag zeggen dat hij aan het werk is’, las ik ooit. Ik heb vanavond dus wel degelijk gewerkt. Maar veel concreets heeft het niet opgeleverd. Ik kwam er niet echt in. Het begin vind ik altijd het moeilijkste van een verhaal. Het zit wel al in je hoofd, maar nog niet in je vingers. Eens mijn personages ook op papier kunnen leven, kan ik verder, dan gaat het makkelijker. Maar het duurt altijd even voordat ik vind dat ze op het papier net zo leven als in mijn hoofd … Dat probleem ervaar ik nu ook met de roman waaraan ik aan bezig ben. Drie verschillende hoofdpersonages in drie verschillende verhalen. Dat betekent dat ik niet één, maar drié keer dit startprobleem heb … Ik heb er al mee geworsteld! Volgende keer toch maar weer gewoon één verhaal.

Mijn kortverhaal is na een hele avond nog maar een halve paragraaf lang. Een paragraaf die wellicht nog vier keer herschreven zal worden. De beelden in mijn hoofd waren blijkbaar nog niet concreet genoeg om al op papier te komen. De kamer waar het feest doorgaat, bijvoorbeeld. Staat er eten op de tafels? Of brengen bedienden dat rond? Kan je je zelf inschenken? Of doen de bedienden dat? Kan het kaarslicht weerspiegelen in de glazen of zetten Victorianen hun glazen niet in rijen klaar? Staan er sofa’s of moet iedereen rechtstaan? Welke gasten komen eerst aan? En hoe begroet de gastheer hen? Vooral dat laatste is een belangrijke beslissing in het licht van het hele verhaal… Een beslissing die ik dus nog niet gevonden heb door uit het raam te staren.

Hij wreef verheugd in zijn handen toen de bel ging en hij Maud naar de voordeur hoorde rennen om de eerste gast binnen te laten. Hij hoorde hoe ze de gasten begroette, maar bleef niet staan luisteren wie er was binnengekomen. Met grote passen liep hij naar de grote kamer op de eerste verdieping waar het feest zou doorgaan en controleerde alles voor de laatste keer.