Dag Norbert

De immer alerte journalist Willy Schuyesmans berichtte maandag al over jouw afscheid van het boekenvak. Tussen de regels door stond dat jouw pad niet altijd over rozen liep, - zeker niet tijdens de jaren na de clash bij uitgeverij Averbode. Laten we het daarom hebben over de goede jaren, de jaren van vlijt en vrolijkheid en vriendschap, en van veel goede boeken voor veel kinderen in Vlaanderen.

De schrijvers van die boeken waren kind aan huis in Averbode, jouw deur stond altijd open, we hadden allemaal het ‘Fanfare-van-honger-en dorst- gevoel, het grandioze lied van Jan De Wilde waarin hij zingt over dromen en soldidair zijn en samen iets moois willen maken. Jij was het die ervoor zorgde dat Henri Van Daele en Ed Franck in Bologna op dezelfde hotelkamer sliepen, daar grootse plannen smeedden, die ook uitvoerden, zodat jij de door hen hertaalde Klassiekers kon uitgeven. En Gregie! Hoe die als een wervelwind door kinderboekenland raasde, altijd met een schallende groet en een schouderklop, terwijl hij ook een stille, tedere en langzame kant had. Allemaal vonden ze de weg naar Averbode: Karel Verleyen, Daniel Billiet, Riet Wille, Jan Van Coillie, Kolet Jansen, Annelies Tock, Paul Kustermans, Roger Schoemans, Katrien Seynaeve, Maria Heylen, Marita de Sterck, Gaston Van Camp, Gerda Van Cleemput, René Swartenbroeckx, Johan Ballegeer, Geert Spillebeen, Maria Jacques, Patrick Bernauw, Bart Moeyaert, Willy Schuyesmans, en anderen.

Jij doorgrondde ze allemaal, net als  de illustratoren van hun boeken. Je wist hen  aan te moedigen, te prikkelen, uit te dagen, – te doen dus wat een goede uitgever hoort te doen. Lang voor iedereen ging e-mailen, schreef jij honderden kattebelletjes (groene letters op wit papier), of je nam de foon en belde, belde, belde. Je wist drommels goed dat er, zonder een goede communicatie, van een succesvolle relatie uitgever-auteur geen sprake kan zijn. We hebben allemaal geprofiteerd van jouw vakmanschap, van jouw inzicht dat goede verhalenvertellers moeten gekoesterd worden, dat ook literaire boeken toegankelijk moeten blijven, dat goede illustratoren kinderboeken een ziel kunnen geven, en ademruimte, en een kijk op schoonheid. Enzovoort.
Vriend Norbert, ik herhaal nog even wat professor Rita Ghesquière in het vuistdikke boek over Averbode over jou schreef: “Op relatief korte tijd drukte hij zijn stempel op de uitgaven, vooral door een gedurfde vertaalpolitiek. Tegelijk slaagt hij erin om van Averbode een huis van vertrouwen te maken, waar auteurs zich thuis voelen.” Zo staat het geboekstaafd, en zo was het.

Nu ben je weer “meester van je tijd”, zoals je dat zelf zei. En vrij. En volop Vranckx. Geniet ervan!

Kinderen en kunst

In ‘De Morgen’ van 22 februari staat een interview met Waut Koenen die de opera Aladin & de wonderlamp voor kinderen realiseerde, zoals hij daarvoor al deed met de Toverfluit van Mozart. Op de vraag of hij graag voor kinderen werkt, zegt hij: …”Ik vind het een geschenk. Je publiek is zo onwaarschijnlijk eerlijk. Anderzijds weet ik dat zowel Toverfluit als Aladin tamelijk ouderwets theater zijn. Het is het soort magisch-verrukkelijk theater waar ik zelf op verliefd ben geworden en van waaruit ik andere dingen zelf ben beginnen ontdekken. (…) Ik verafschuw het merendeel van het aanbod voor kinderen op tv. Het is fantasiedodend op een huiveringwekkende manier. Kabouter Plop is alleen een zwakke afstraling van wat volwassenen denken dat kinderfantasie is: kabouterland, punt.”

Behartenswaardig wat Waut hier vertelt, en getuigend van de durf kinderen te confronteren met kunst, schoonheid, gelaagdheid van een vertelling, andere muziek dan wat flutcomponisten aan de lopende kilometer produceren. Vlaamse illustratoren van kinderboeken hebben al langer dan vandaag begrepen hoe inspirerend de grote Meesters van de schilderkunst voor hun eigen werk kunenn zijn. Zie Breughel in Dulle Griet van Carl Cneut; Jeroen Bosch in Wat de ezel zag van Klaas Verplancke, of Permeke in de boeken van Gerda Dendooven. Met vreugde, en niet zonder trots, verwijs ik ook naar de jonge Nederlandse illustratrice Femke Gerestein. Zij tekende, vind ik, prachtige prenten voor Vertelopa (De Eenhoorn) waarvoor ik de tekst schreef. Op de pagina waar de steeds zieker wordende opa vertelt over de hartverwarmende, grote liefde tussen zijn vader en moeder, tekende Femke een kussend ouderpaar. Je moet geen kenner zijn om Klimt te zien. In Leeswelp schreef Jen de Groeve, naar aanleiding van de illustraties bij De zee van mama’s buik van Leen van den Berg: …”Al bij al debuteert ze hier overtuigend en met lef.” Dat wil zeggen: hou Femke in de gaten!

Ik weet heel goed dat niet alles direct naar de Grote Kunst moet verwijzen. Goed geschreven en geïllustreerde, spannende, humoristische en/of ontroerende verhalen blijven broodnodig. Maar wie écht om kinderen geeft, confronteert hen ook met wat Waut Koenen het ‘magisch-verrukkelijke’ noemt, en dat kan theater zijn, muziek, een schilderij, een boek, – alles wat de verbeelding prikkelt, want, zegt Waut: …”Van op een vliegend tapijt krijg een ander overzicht van de wereld.”

Ons Erfdeel

Het Vlaams-Nederlands cultureel tijdschrift ‘Ons Erfdeel’ bestaat vijftig jaar. Vijftig! En zeggen dat het blad pas aan zijn tweede hoofdredacteur toe is, met name Luc Devoldere. Hij volgde in 2002 Jozef Deleu op de ‘op rust’ ging. Op rust? Binnen de kortste keren was Jozef hoofdredacteur van weer een nieuw tijdschrift: ‘Het Liegend Konijn’. Hij stopt het vol met gedichten die hij bij de dichters van het nest gaat roven. ‘Ons Erfdeel’ heeft hij gesticht en vele decennia met vaste hand geleid, altijd met hetzelfde doel voor ogen: de culturele samenwerking bevorderen tussen de Nederlandssprekenden, en de cultuur van Vlaanderen en Nederland in het buitenland bekend maken. Hij heeft daar ongelooflijk veel energie in gestoken, altijd wakend over de kwaliteit, altijd op zoek naar fondsen, altijd nieuwe namen zoekend, en altijd vrank en vrij en ongebonden.

Zijn opvolger Luc Devoldere is net als Jozef uit het goede hout gesneden. Hij is, naast hoofdredacteur, een voortreffelijk stylist en essayist, – bijvoorbeeld over Marguerite Yourcenar- en auteur van mooie boeken als ‘Grand Hotel Italia’, ‘Wachtend op de barbaren’, en ‘De verloren weg’.

Niet zonder trots stelt hij het eerste nummer van de vijftigste verjaardag voor. Het staat propvol goed geschreven bijdragen over zeer uiteenlopende maar interessante onderwerpen. Ik lees altijd eerst de boekrecensies, en zie dat ook hier het nieuwste boek, ‘Dis’, van Marcel Möring wordt afgebrand. Ook Tom Lanoye oogst met ‘Het derde huwelijk’ geen onverdeelde lof. Onder de rubriek Kunsten vind ik een fraai stuk over Bart Peeters en zijn Nederlandstalige liedjes. Er wordt bericht over film, architectuur, poppentheater, schilderkunst; er zit een lange bijdrage in over Stefan Brijs, en journalistieke verslagen van Tom Nagels (over Nederland) en Bart Dirks (over Vlaanderen). En er is nog zoveel meer.

Het is waar dat je voor lectuur van deze 200 pagina’s tijdschrift rustig de tijd moet nemen. Reken niet op een snelle hap, je krijgt drie maanden tot het volgend nummer verschijnt. Wie nieuwsgierig wordt moet maar eens ‘Ons Erfdeel” intikken bij Google.

 

Spoken en een kluizenaar

Kinderen vragen tijdens een lezing soms: ‘Mijnheer, welke boeken las jij vroeger graag?’ Omdat ik het knechtje was van de bibliothecaris mocht ik rijp en groen door elkaar lezen, maar twee boeken sprongen uit het rijtje: ‘De waanzinnige kluizenaar’ en ‘Spoken op de ruwe heide’, het ene van Hans Appel, het andere van de onvolprezen John Flanders, die huiveringwekkend griezelig kon schrijven. Zijn spokenverhaal begint als volgt: …’Het lijkbiddersvrouwtje blies de laatste kaars uit, en het werd akelig donker in de kamer. Sir Harold Seagrave lag daar al drie dagen bleek en koud in zijn eiken kist, en zijn vrienden waren hem een laatste groet komen brengen.’ Het boek werd in 1992 nog heruitgegeven bij Altiora-Averbode. De story ben ik kwijt, maar de plezierige schrik waarmee ik het destijds las, herinner ik me alsof het gisteren was.

‘De waanzinnige kluizenaar’ was, vergeleken met de spoken van Flanders, minder literair maar zeker zo spannend. De kluizenaar in kwestie leed aan godsdienstwaanzin. Het was al ‘Salvator Mundi’ en ‘Het naderend Godsrijk’ wat de klok sloeg, er stond een geheimzinnig raadsel in het boek waar je je als lezer het hoofd op brak, en zinnen als: ‘Hij trok van onder zijn kleed een groot mes en bevoelde het lemmer’, – een gewéldig boek!

Ook spannend waren de boeken van Karl May en zijn helden Winnetou en Old Shatterhand. In de oorlogsedities zaten houtschilfers, op de rugzijde stond dat je De Vlasschaard en Streuvels en Boerenpsalm van Timmermans kon kopen voor 8 frank, maar wij lazen May, en we speelden in het hoge Kempens helmgras sporen zoeken, en cowboy en indiaan, – en het was alsof de wereld stilstond, terwijl het volop oorlog was.

De literaire critici van nu zouden Hans Appel weggelachen hebben, denk ik, en of Karl May door de beugel kon, is nog maar de vraag. Als ik  hun soms wat zure stukjes lees, vraag ik me altijd af welke spannende, niet-literaire boeken ze zelf als kind hebben verslonden…

Kim Clijsters en Kommil Foo

Mooie televisiezondag was dat, met de spannende finale van Kim Clijsters tegen Amélie Moresmo, en ‘s avonds laat, ook op Canvas, het portret van de zonen Walschaerts en hun moeder, of omgekeerd.

Laten we met Kim beginnen. Ze verloor de finale, maar won verder zowat alles: veel geld, veel tornooien, de sympathie – zeg maar de genegenheid – van miljoenen mensen, bij ons en elders. Koen en Kris van Clouseau zongen het treffend: ‘Ze heeft alles gegeven. Is nooit beginnen zweven. Want tennis is een spel. Kim Clijsters dankuwel!’ Kim heeft altijd beweerd dat het haar te doen was om het spelplezier, – niet om de trofeeën (zie Bart Peeters van gisteren: ‘Verzamel geen trofeeën. Wees blij met wat je hebt’). Haar grootste prestatie is dat ze zich niet liet overrompelen door alles wat pompeus is, en glans en glitter en nep. Het is machtig moeilijk, denk ik, voor jonge tennissterren om, ondanks het circus en het gewoel om zich heen, geheel onbevangen zichzelf te blijven. Niet voor niets dankte Kim haar vader Lei; ook hij was, is en blijft, overal en altijd, onwrikbaar zichzelf. Het hele televisievertoon van zondagmiddag had kunnen ontaarden in melodramatiek en meligheid, maar Kim stak daar, door haar autheticiteit, een stokje voor.

Kommil Foo dan, en het portret van de moeder van Raf en Mich. Mooie beelden leverde dat op, twee volwassen slungels en hun ‘moeke’, samen aan tafel, pratend, grappend, plagend, foto’s kijkend. De broers spreken over hun kinderjaren, over liefde en gelukkig zijn, over relaties toen en nu. Ze lezen elk een brief. Pakkend. Moeke gaat “een keer of tien per seizoen” naar een optreden van haar zonen, en dan raakt ze zeer onrtoerd: ‘Tedere gekke artiesten’, schrijft ze in een versje. Ze ziet ze bezig, ‘een beetje wazig, door mijn trotse tranen.’
Een mooie reeks over moeders is het, van Leo De Bock. Ik denk dat Leo er ook blij mee is, na de wat woelige, moeilijke tijd die hij achter de rug heeft.