Donderdag 31 januari 2008
(late avond)

In mijn schoolboeken en -schriften zag ik Opmerking staan, of Noot. Heel lang heb ik die noten of opmerkingen gelezen als dit is iets wat je ook nog moet lezen, maar heel belangrijk is het niet. Terwijl het omgekeerde waar is. Onder opmerking of noot komen juist de uitzonderingen te staan, de niet te vergeten feiten, dat ene belangrijke detail.
Het dringt ineens tot me door dat ik in brieven het post scriptum altijd wél als erg belangrijk heb gelezen, terwijl een post scriptum eigenlijk iets is wat aan een brief wordt toegevoegd, iets wat geen relatie met het bericht zelf heeft, iets wat u aan het einde van uw boodschap zelfs vergeten bent — dat is de definitie van een P.S.

Als de notities van de voorbije eenendertig dagen een brief zijn, waarin ik één en ander heb verteld wat ik nodig vond of wilde benadrukken, dan is dit geen P.S.: Beste Daisy, Emilie, Liselot, Silke, Lieve, Véro, Inge B., Inge M., Eva, Nelia, Liesbet, Fey, Joke, Mareli, Gerda, Katrien, Els, Katrijn, An, Griet, Janien, Diane, Vera, Frauke, Dion, Hector, Maarten, Richard, Jan, dank u wel voor jullie Comment. Dat is Engels voor ‘Opmerking’.

(Wat een mens vandaag nog kan doen: naar deze slimme site gaan, gratis inschrijven, en een listing maken van de blogs die u graag leest. De site houdt voor u bij of er iemand ergens een bericht heeft toegevoegd. Deze tip komt van iemand die vanaf morgen meer tijd heeft.)

Donderdag 31 januari 2008
(avond)

Toen ik een maand geleden dit dagboek begon, kon ik u echt niet voorspellen wat voor tijd het met mij zou worden. Nu geldt hetzelfde voor u: u weet ook niet wat voor tijd het zonder mij zal worden. En u kunt zich waarschijnlijk ook niet voorstellen naar welke plek ik terugga, morgen. Van die plek heb ik dan weer wél een idee. Ik heb een hoofdstuk afgesloten, of nee: het hoofdstuk loopt door, omdat het een deel van mezelf is natuurlijk, maar er begint wel een nieuw hoofdstuk dat niet op het voorgaande lijkt, omdat er een stuk van de wereld uit wegvalt, namelijk de stad waar ik woon.
Telt u mee af?
(4) Ik ga morgen naar zee. Ze voorspellen veel wind aan de kust, en dat vind ik prima. Ik rij naar Zeeland, trek laarzen aan (de laarzen die ik nota bene twee jaar geleden gekregen heb toen ik stadsdichter werd) en ga letterlijk uitwaaien. U mag bellen, u mag mailen, ik ben er niet. Ik ben er twee jaar geweest, toegankelijk, bereikbaar, bereid, maar nu een tijdje niet meer. Ik ga terug naar mezelf. (3) Ik ga naar Frankrijk, waar Broere in april verschijnt. De uitgeverij heeft mij het omslag bezorgd, er staat precies dezelfde foto op als die waarmee mijn website tegenwoordig opent. Het is grappig dat ze die foto als omslag gebruiken. Als ik het Franse omslag zie, besef ik weer eens dat een foto een moment vastlegt. In Frankrijk denken ze straks: dat is dus Bart, terwijl het de Bart is van even geleden, bij een fotosessie op de Draakplaats in Antwerpen, met de beslommeringen die ik toen had en de persoon die ik toen was. (2) Het hoofdstuk van de stadsdichter heeft twee jaar geduurd, wat betrekkelijk lang is — u moet maar eens bij Alma Mahler te rade gaan, een paar dagen geleden in dit dagboek, hoe zij erover denkt. Voor mij was het de perfekte duur om op een beetje vreemde manier op adem te komen, te beseffen waar ik thuishoorde en naartoe wilde. Ik weet beter dan vroeger wat ik absoluut niet meer in mijn leven duld, en vooral wie ik niet meer in mijn leven wil. Bewust heb ik op deze plek mijn laatste eenendertig dagen als stadsdichter gedeeld met anderen. Deze plek bestaat, zoals er meer plekken op het web bestaan, maar deze plek valt nog te weinig op. Tenminste: ik weet niet of de mensen deze plek vanzelf vinden. Het is niet de blog van Knack of Radio 1, daar had ik mijn dagboek ook mediatiek kunnen bijhouden. Neen: dit is de blog van de kinder- en jeugdliteratuur, de blog die buiten beeld valt, om niet te zeggen dat ze schaduw vangt, en daarom juist heb ik hier mijn laatste eenendertig dagen gevierd. Overigens, over dat buiten beeld vallen: het is een kwestie van licht willen. Niet vragen, niet eisen, niet halfslachtig, niet twijfelend, maar met de gedachte: het is haast schandalig dat mensen deze plek niet vanzelf vinden. Drie jaar geleden heb ik een stuk voor een Nederlandse krant geschreven, een stuk dat overgenomen is door een Vlaamse krant, en dat is me toen door een paar mensen kwalijk genomen omdat ik volgens hen licht eiste. Ik neem van toen geen woord terug, en ik ga er ook geen woord van herhalen. Ik eis niks, ik vind het gewoon evident dat er licht op de kinder- en jeugdliteratuur valt. Ik ga er zelfs geen discussie meer over beginnen. Ik zing net als drie jaar geleden nog altijd wat Madonna zingt (want erg veel is er nog niet veranderd): Time goes by so slowly for those who wait. No time to hesitate. Those who run seem to have all the fun. I’m caught up. Ik heb geen zin om opgehouden te worden. Ik heb geen tijd te verlullen. Hier is de (jeugd)literatuur, te nemen of te laten. (1) Over negen dagen, als er een beetje ademruimte is geweest, reis ik mee met Saint-Amour. Elf avonden op rij zijn dat, maar dat vind ik prima, want dat is weer een soort van cocon waar ik in kan kruipen, mee kan gaan. En als Saint-Amour voorbij is, op 20 februari 2008, verdwijn ik echt.

Donderdag 31 januari 2008
(middag)

Op de fiets waai ik naar huis. De overdracht van het stadsdichterschap is achter de rug, en in sommige straten heb ik wind mee. In mijn fietszakken zitten bossen bloemen, aan mijn stuur hangt een zak met cadeautjes. Zo gaat dat dus, afscheid nemen. Met Zeven tips voor wie gelukkig wil worden zonder mij heb ik mijn stadsdichterschap afgesloten. Mijn manier om te bedanken, met twee liedjes erbij die u tot mijn spijt hier niet kunt horen, eentje van Esmé en eentje van mij. (Vroeg of laat komen ze wel op de site van de Stadsdichterpodcast terecht.) Op de receptie vanmiddag vroegen mensen of ze de zeven tips nog ergens konden nalezen. Ik heb ze verteld van de eenendertig dagen op deze blog, en dat ik de tips daar zou posten. Vandaar:

ZEVEN TIPS VOOR WIE GELUKKIG WIL WORDEN ZONDER MIJ

1. Wees uw eigen moeder. Moeders fatsoeneren hun kinderen, zodat ze de straat op kunnen. Ze knopen de schoenen dicht, trekken de broekband goed, rukken de jas recht, ritsen hem dicht, aaien de mouwen, geven een tikje tegen de schouders, doen spuug op een hoek van hun zakdoek en vegen de mondhoeken schoon. Moeders verwachten dat hun kinderen er bij elke handeling een beetje beter op staan, en het werkt ook: bij elke beweging vallen hun kinderen beter in de plooi.
Zo is het gegaan, de afgelopen twee jaar. Ik ben mijn eigen moeder geweest. Ik heb mezelf gefatsoeneerd en ik ben de straat op gegaan.

2. Wees voorzichtig met grappen. Vaders halen uit een rapport alleen getallen die hun kinderen niet willen horen. Ze hebben een negen voor tekenen, maar vaders wijzen naar de zessen voor geschiedenis en de drieën voor rekenen, en als ze eens een goed rapport onder hun neus krijgen, met veel zevens bijvoorbeeld, dan vragen ze als grap waar de rest van de punten gebleven zijn, de drie punten die nog nodig waren om de hele tien te halen.
Ik heb geen last gehad van de gedichten die ik geschreven heb. Ik heb last gehad van de stadsgedichten die ik niet heb geschreven. Er is altijd een onderwerp waar je op een bepaald moment in je leven niet mee bezig bent. Je fietst door de stad en je zit met een gedicht over armoede in je hoofd, en je wordt bijna van je sokken gereden en je denkt: de veiligheid van de fietser, daar moet ik ook nog iets aan doen. En kijk daar, een hoofddoek. En daar: een verdwenen gebouw. Op elk moment is er wel iets waardoor je op de resterende drie wordt gewezen, de twee, de anderhalve die nog nodig zijn om de hele tien te halen.

3. Blijf ademen naar uw buik. Kinderen doen het van nature: als ze door hun moeder gefatsoeneerd worden of door hun vader op hun drie gewezen worden, kunt u het zien: hun longen en hun buik bewegen gelijkmatig. Kinderen ademen beter dan volwassenen. Er zijn volwassenen die dik worden en een baardje laten staan en snel transpireren, ze hebben een knellend boordje, en als ze iets zien wat ze gevaarlijk vinden, en ze proberen iets te verbieden, en soms lukt het nog ook, en ze maken dan amechtig lawaai. Dat heeft allemaal met hun ademhaling te maken, echt waar, in die twee jaar heb ik een paar mensen leren kennen die heel verkeerd ademen.

4. Leer heel zachtjes zingen. Daar bedoel ik de dingen mee die u kent, ze vallen onder de noemer zelfbehoud. Dat u andere mensen moet aanleren in bomen te klimmen, naar de maan te lopen, dat u uw vingers moet oefenen, de woorden foert, tarara en weetewattagijkunt moet leren. Ik heb deze tip poëtisch verpakt in Leer zachtjes zingen. Niet alleen omdat ik besefte dat ik soms zachtjes ga zingen als ik tegen de stroom in toch mijn eigen zin ga doen. Ik sta tegenover die persoon die mij raad geeft, en ik denk zingend — niemand kan het horen — dagaanikniedoen, dagaanikniedoen. Leer heel zachtjes zingen.

5. Slaap genoeg, en vooral op uw twee oren. De dingen komen altijd goed, omdat er in uw buurt altijd wel een Michaël Vandebril is, of andere mensen die u helpen bij het realiseren van uw plannen, gedurende de 24 maanden stadsdichterschap. Ze helpen een gedicht groot te brengen, als u het groot wilt brengen. En als u het klein wil houden, dan respecteren ze dat.

6. Bedank. Bedank altijd. Besef dat niet alles maar evident is. Neem de deurkruk in uw hand, zwaai de deur open, draai u om in het deurgat, en zeg: ik ben blij met wat jullie voor mij gedaan hebben, bedankt, bedankt. En als u er behoefte aan heeft, pak de persoon in kwestie nog eens goed vast, en vraag niet of ze dat goedvinden.

7. Wens iedereen geluk en trek de deur altijd achter u dicht.
Dat is niet onvriendelijk bedoeld. Als de deur blijft openstaan, gaat het tochten. Zo eenvoudig is dat.

Donderdag 31 januari 2008

In de nacht vóór ik stadsdichter werd, waaide het ontieglijk hard. Omdat ik erg vroeg op moest en bang was dat ik door de wekker heen ging slapen, was het alsof ik de hele nacht waakte en sliep tegelijk. Ik zag het kwart over drie worden, honderd keer op mijn linkerzij, honderd keer op mijn rechterzij, en tussendoor een paar keer op mijn rug, en toen was ik eindelijk klaar met nadenken.
Vóór het licht werd zouden meer dan tweehonderd vrijwilligers ergens in een wijk of een straat in Antwerpen de kou trotseren. Ze zouden dertigduizend deurhangers over de deurklinken van de stad verdelen — met mijn gedicht in zes talen erop.
Van iedereen zou ik er het minst verdelen, ik heb dat die dag aan niemand verteld. Ik kreeg de kans niet om er veel te verdelen. Er liepen een journaliste en een fotograaf en een televisieploeg met me mee. Het was zes uur in de ochtend en ik liep te doen alsof ik het gewend was om op dat onzalige uur vragen te beantwoorden. Geef mij een koe en ik melk haar, zo wakker deed ik. ‘Dat is een mooie deur,’ zei de televisieploeg. ‘Wil je daar eens een gedicht aan hangen? Dat heb je goed gedaan, maar wil je het nu nog eens doen — en naar de camera lachen? En wil je het nog eens doen, we zeiden: lachen.’
Om acht uur zat ik terug thuis, een beetje suf van het harde werken. Het was Gedichtendag, donderdag 26 januari 2006, en de wind was gaan liggen. Ik had nog een paar uur vóór ik echt aangesteld zou worden. Ik stopte een stapel deurhangers in een plastic tas, trok mijn jas aan en liep de wijk rond het De Coninckplein in. Er was bijna niemand op straat, maar in mijn hoofd was het druk. Er liepen mevrouwen in kamerjas naar de brievenbus, en onderweg vonden ze een deurhanger. Er waren meneren die met hun koffertje naar de tram holden, en nog snel een deurhanger meegristen. In mijn hoofd zag ik de hele stad wakker worden met mijn gedicht, terwijl ik stil van deur naar deur liep in de Van Arteveldestraat.

NIEUWSTAD 14

Ik was bezoek dat langer bleef en anders sprak,
maar ik misstond niet in de kamer. Een beetje
als een schemerlamp die op den duur de sleutel kreeg.
Ik deed niet ongezellig, en in mijn buurt was het
aan tafel minder leeg. Maar nog liet niemand na
mij af en toe te wijzen op mijn tong, mijn grond.
Dan noemden ze mij onverwacht weer anderman
en zonden mij naar huis, terwijl ik juist begon
te wennen aan de lucht en onderhand ook dacht
dat ik een hart veroverd had. Maar niets was
minder waar dan dat. Op tijd en stond werd
naar mijn stoel gekeken, gepolst of ik al wortel
schoot. Ik hield mijn mond en vond het krassen
van de meeuwen geen goed teken. Hoe kwam het
dat ik binnen zat en tegelijk nog buiten stond.

En nu is het 31 januari 2008. Ik ben net thuis uit Amsterdam. Vóór ik naar huis reed ben ik nog in Moshi Moshi, een eenvoudig, maar lekker Japans restaurant in de Leidsekruisstraat, in mijn eentje sushi gaan eten. Aan het tafeltje naast me zaten drie dames het literaire wereldje te bespreken. Er bleef weinig van heel, wat ik wel grappig vond, omdat ik net uit Paradiso kwam, waar erg veel literaire wereld verzameld was. De dames hadden het over prijzen weigeren, over niet in dezelfde ruimte als een collega willen zitten, over het air van die jongen-hoe-heet-hij-ook-alweer, en later bleek die jongen een schrijver van 52 te zijn. ‘Die schrijvers,’ zei één van de dames. ‘Dan maken ze eens kans om geld te verdienen, en verknoeien ze de boel. Als ik jurylid zou zijn, ik zou me zwaar beledigd voelen.’
Ik had alleen oog voor de kappa maki en de sashimi op mijn plankje, niet te geloven hoe interessant ik mijn sushi vond, maar ondertussen had ik wel een heel groot linkeroor. Jammer dat de dames nog vóór ik alles ophad de rekening vroegen. Hun gesprek was erg leerrijk, zeker als een mens zelf schrijver is en hoort hoe mensen over schrijvers denken.
Toen de dames weg waren, zag de zaak er erg leeg uit. Eerst was ik verplicht van een beetje somber te worden door een ouder echtpaar dat — heel opmerkelijk — niet recht tegenover elkaar zat, maar diagonaal tegenover elkaar zat en niets te vertellen had. Ze staarden allebei voor zich uit, naar de man of de vrouw die niet recht tegenover ze zat. Dat was niet mooi om te zien.
Dus toen ik keek maar naar een paar herinneringen. Vóór de optredens van vanavond heb ik nog een uurtje bijgepraat met Yasmine Allas, met wie ik afgesproken had in Café Americain aan het Leidseplein. Met Yasmine ben ik afgelopen oktober meer dan drie weken lang Zuid-Afrika doorgereisd, van universiteit naar universiteit, en die ervaring heeft een band gesmeed. Lange reizen maak je doorgaans met iemand die je heel goed kent. Wij kenden elkaar niet. We hadden een boek van elkaar gelezen, dat was alles. En dat is niet veel. Ik mag er niet aan denken als gebleken was dat we elkaar vanaf dag één niet hadden kunnen uitstaan en dan nog door Zuid-Afrika hadden gemoeten, met alle tegenstellingen en alle sensaties, en samen lezingen geven. Tegen het eind van dag drie zouden we elkaar vermoord hebben. Wij hebben niet aan moord gedacht. Wij hebben elkaar zelfs prettig overleefd. Als we verhalen over die lezingenreis vertellen, is het alsof we nog altijd aan het verwerken zijn hoe we Zuid-Afrika hebben ervaren, en dat was niet altijd van zijn mooiste kant.
Ik geloof dat we allebei een beetje foto van toen voor elkaar zijn. Als ik Yasmine zie, dan herinner ik me meteen hoe ik me voelde toen de laatste maanden van het stadsdichterschap waren ingezet. De foto’s die we hebben versterken het gevoel, maar als ik Yasmine zie, dan weet ik weer hoe ik via Zürich (!) naar Johannesburg ben gevlogen, dat we elkaar net voor het inchecken bij de transfer hebben begroet, zij kwam uit Schiphol, ik uit Zaventem, en toen gingen we de rare, lange nacht in — wat een lange-afstandsvlucht altijd is.
Dat inchecken is voor mij, nu ik erbij stilsta, een ijkpunt geworden. Vóór ik naar Zuid-Afrika vertrok heb ik samen met Tessa van der Waals (zie 28 januari op deze blog) beslist hoe Gedichten voor gelukkige mensen eruit zou zien. Tot net na Zuid-Afrika heb ik de laatste correcties of veranderingen aan de gedichten kunnen doorvoeren. Tot begin december kon ik er nog een gedicht aan toevoegen. En het inchecken had — echt waar — toen al iets van afscheid.

Dat dacht ik, terwijl ik sushi at. En daarna stapte ik in mijn auto en reed naar huis. Naar Antwerpen. (Daar ging ik.)

Woensdag 30 januari 2008
(middag)

Zometeen rij ik naar Amsterdam. Vanavond is er in Paradiso een evenement waar ik in het gezelschap van Gerrit Komrij (die Dichter des Vaderlands is geweest) en Adriaan Jaeggi (die vanavond afscheid neemt als stadsdichter van Amsterdam) ga vertellen hoe ik mijn ambt heb beleefd. Vóór het Dichtersbal begint is er nog een ander optreden: ik ga een paar gedichten voorlezen uit de nieuwe bundel. Het is de tweede keer deze week dat ik met Gedichten voor gelukkige mensen op het podium sta, en de gedichten niet langer van losse vellen aflees. Het is een erg fijn gevoel om met die twee jaar in boekvorm in mijn handen te staan, te bladeren, te kiezen.
Na afloop blijven om met dichters te dansen ga ik niet doen. Niet dat ik er geen zin in heb, maar mijn dansschoenen spaar ik voor later, nu ben ik te rustig vanbinnen — ik zou het ook moe kunnen noemen.
Voor onderweg in de auto heb ik een cd gebrand, met alleen maar liedjes waar ik nu zin in heb. Er zitten meebrullers tussen, en ook een nummer dat ik vanochtend heb ontdekt (leve Google). Ik kwam via via op een site terecht die me getipt was omwille van de vormgeving. Ik zat gebiologeerd te kijken, en interactief te zijn (want dat is de bedoeling), en vond het geheel erg mooi gemaakt. Pas later besefte ik dat het om de video-clip van een groep gaat, The Arcade Fire, die net een nieuwe cd hebben uitgebracht en blijkbaar iedere keer bijzondere clips op het web zetten. Met Neon Bible rij ik naar Amsterdam. U moet er eens op letten hoe poëtisch beelden kunnen zijn, en hoe poëtisch het internet ineens wordt.