De laatste

Dit is mijn laatste blog. Ik heb er tien geschreven. Anderen wisten in één maand vier of vijf keer zoveel te schrijven. Ik ben duidelijk niet echt geschikt voor dagelijks te produceren columns, maar heb daardoor des te meer bewondering voor wie dat wel voor elkaar krijgt.
Zaterdag begon in het Antwerpse theater HetPaleis weer een nieuwe feestelijke maand, want ze zijn daar een jaar lang jarig. Het thema is nu ‘De eerste keer’. Op hun verzoek maakte ik samen met vormgever Bob Takes een half boekje. Het ziet er wel heel uit, maar op de rechterpagina kun je je eigen antwoorden schrijven op de vragen aan de linkerkant. Er zit ook een ministripje in, een dialoogje over verschillende herinneringen aan hetzelfde verleden.
Toen ik het boek ‘Bezoekjaren’ voorbereidde, over het gezin van een paar gewetensgevangenen in het Marokko van koning Hassan, had ik lange gesprekken met de vrienden die aan de basis van het verhaal lagen. De acht broers en zussen (het Duits heeft daar één woord voor, toch handig) scheelden wel twintig jaar in leeftijd en hadden elk de tijd waarin eerst één en toen twee van hun gevangen zaten op hun eigen manier beleefd. De gesprekken maakten dat ze ook onderling meer met elkaar gingen praten, soms een hele nacht lang. Alleen één broer, de derde, die zo gevreesd had de volgende gevangene te zullen worden, hield zich ver van alles en stortte zich op wetenschappelijke tijdschriften over de ruimte en zo.
Wat zijn mijn eigen eerste herinneringen? Dat alles groter leek dan het bleek te zijn. Dat een kindje in het klasje waar ik sinds mijn derde naartoe ging tegen de juf zei dat ik had gekeken onder het bidden. En dat ik toen dacht: dan moet zij zelf toch ook hebben gekeken? Dat mijn oma een mobiel gebit had. En dat er een geur van bitterkoekjes hing in het huis van een vriendinnetje wier moeder altijd ziek was. Tenminste, dat dacht ik.
Twee vragen uit dat boekje, in verkorte vorm, om in de sfeer te komen:
– Herinner je je nog de eerste liedjes en versjes die je hebt geleerd?
– Weet je nog een van de eerste keren dat je heel bang was?

En bedankt voor het lezen, lezer! En voor het reageren!

Impliciet

Op internet kun je veel gedichten vinden, want dichten, dat is niet iets waar je voor solliciteert met een diploma in je hand.
Ze worden vaak gerubriceerd: zoveel gedichten over afscheid, zoveel over eenzaamheid, zoveel over de dood. Het blijven thema’s die telkens weer terugkomen, alsof poëzie iets vervangt van het gemis aan rituelen. Toen mijn huwelijk, alweer lang geleden, strandde, miste ik een ritueel voor dit afscheid, zoals dat er is wanneer iemand sterft of toen het huwelijk hoopvol begon. Een ritueel geeft vorm aan overgangen en onzegbaarheden, zonder dat je in clichés hoeft te vervallen.
Tot het ritueel zijn kracht verliest en zelf een cliché wordt.
Het is eigenlijk pijnlijk dat veel grote woorden die zoveel belangrijks uitdrukken te veel cliché zijn als ze in een gedicht of verhaal worden gebruikt. De kracht van poëzie ligt in verrassende beelden en woordkeuzes, de kracht van proza in evoceren in plaats van uitleggen.
Iemand zette deze dichtregels op internet: ‘Wat ik voel/ is zo innig diep/ en toch zo veemd en ver/ ik ben zo droevig/ zo pijnlijk moe.’ Je zou meteen een arm om die persoon heen willen leggen en tegelijkertijd mist dit gedicht alles wat poëzie boven jezelf kan uittillen. Als je middenin de shit zit, kun je er niet echt goed over schrijven, behalve als therapie voor jezelf. Ben je in staat wat afstand te nemen, dan kan een gedicht een vorm krijgen die verder reikt dan je eigen pijn, terwijl die pijn toch de bron en de kracht van het schrijven vormde. Bert Schierbeek schreef na de dood van zijn vrouw dit bezwerende gedicht, waar de woorden pijn en droevig niet in voorkomen, maar dat ik aangrijpend blijf vinden:

Maar we zouden niet vergeten dat
we hebben gelachen, gelachen hebben
we veel en dat zal ik niet vergeten
want we hebben gelachen en veel, hè?
En dat zullen we nooit vergeten om-
dat we zoveel gelachen hebben en dat
niet vergeten gvd wat hebben we gelachen
en niet en nooit vergeten dat we zo
hebben gelachen omdat we samen waren
en zoveel gelachen hebben we dat we
het nooit zullen vergeten.

PS. Op Het Andere Boek in het Zuiderpershuis in Antwerpen op 4 oktober om 18 uur presentatie van ‘Alles Nieuw’, een roman met beelden erin, maar geen graphic novel.

DAT WE

Een nog niet gepubliceerd gedicht. Wel af en toe hardop gebracht:

DAT WE

Dat we eerst
dat jij begint te
en dat ik dan
dat ik dan zo
en dat jij dan
zo erlangs en
dat ik jou dan
dat ik dan zo
dat we
dat jij dan zo
dat we
terwijl buiten
wij hier binnen
dat we daarna
wij dan daarna
dat we
ooo

(copyright zit er wel op, hoor dames en heren)

DEUREN

Mijn stadsdichterschap van Antwerpen opent deuren. Ik krijg van verschillende kanten verzoeken om een gedicht te maken. Een deel van die verzoeken betreft sociale vraagstukken. Ik vind het prettig om, voor ik aan het dichten sla, met mensen te praten die, zoals dat tegenwoordig heet, ervaringsdeskundig zijn. Ik zeg er dan wel altijd bij dat een gedicht iets anders is dan een journalistiek verslag. Eergisteren was ik in een buurthuis in Deurne waar Vlaamse vrijwilligers, meestal al wat ouder, samenkomen met inwijkelingen die er al converserend onze taal proberen te spreken. Er ontstonden echte gesprekken, hoe basaal verwoord ook, en er werd veel gelachen. De aanwezigen hebben heel verschillende achtergronden, de een is huisvrouw, de ander heeft in zijn land van oorsprong een hoge functie bekleed.
De werkelijkheid is altijd weer anders dan de clichés.
Gisteren sprak ik met een paar mensen die hier al jaren illegaal verblijven en ik was onder de indruk van hun innerlijke kracht en doorzettingsvermogen. Drie van de vier kwamen als minderjarigen, allemaal zijn ze hier al vele jaren en ze spreken zonder problemen Nederlands.
Dit jaar zullen er in totaal negen stadsgedichten komen. Vier ervan zijn terug te vinden op www.stadsdichterjokevanleeuwen.com. Er zijn er al meer geschreven, maar die proberen we eerst op een bijzondere manier in de stad vorm te geven. Dat heeft veel voeten in de aarde, maar ik zei al: er gaan meer deuren open dan dat er dicht blijven.

Zinnenverzinzin

Ik ben een lezing aan het voorbereiden voor in de Leidse bibliotheek, over poëzie, want dat is het thema van de Nederlandse Kinderboekenweek, die altijd langer dan een week duurt. De Nederlandse CPNB die de Kinderboekenweek in oktober organiseert had me gevraagd een kronkelige kreet te bedenken. (Dat ‘kronkelige’ zet ik erbij, omdat ik dan met mijn blog eens in de categorie ‘Kronkels’ kan vallen. Er is ook een categorie ‘Alles en niets’, daar wil ik ook wel in).

Er moest een versje bij:

Soms kun je zinnenverzinzin hebben:
zin om de zinnen die zingen vanbinnen
naar buiten te spinnen als spinnen hun webben.
Zodra je begint is er al een begin,
een zinnenvanbinnenverzinzinzin.

Overigens is de CPNB een instituut dat vooral de verkoop van boeken bevordert, terwijl de Vlaamse organisator van de Jeugdboekenweek, Stichting Lezen, vooral het lezen stimuleert.

Als ik hier nu nog een wetenswaardigheid aan toevoeg, hoor ik eigenlijk al wel in de categorie ‘Alles en niets,’ denk ik zo.

Wetenswaardigheid (vanwege de stad Leiden waar ik naartoe moet): na de val van Antwerpen bestond meer dan de helft van de Leidse bevolking uit Vlaamse vluchtelingen. Einde wetenswaardigheid.

(Daar zullen trouwens nog wel veel nazaten van zijn, die zich nu heel Hollands voelen).

Dit was alles. Verder krijgt u vandaag niets. Enfin, nog een hartelijke groet, dat wel, want u heeft dit gelezen, tot het laatste woord.
(dat ‘woord’ was)
(maar nu ‘was’ is).
(nee, ‘is’).