Noughts and Crosses

Onlangs vond er aan de Universiteit Antwerpen een interessante workshop plaats over culturele diversiteit in de jeugdliteratuur.
Terwijl de sprekers een verhelderend beeld gaven van ‘African-American’ en ‘non-white’ children’s literature in resp. de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk, werd voor het publiek wel heel duidelijk dat de culturele diversiteit in het Nederlandstalige aanbod in vergelijking met de Engelstalige jeugdliteratuur nog in de kinderschoenen staat.
Wat zijn de oorzaken zijn van deze thematische schaarste? Gaat het enkel om commercieel instinct van de uitgevers die het grootste deel van het boekenkopend publiek willen geven wat ze kennen? Wachten we op auteurs met een andere achtergrond dan die van de doorsnee Belgische auteur met zijn witte familiegeschiedenis? En misschien nog een moeilijker vraag: wat kunnen we er aan doen? Allemaal vragen die elders een grondig antwoord verdienen.

Natuurlijk verschijnen er ook hier boeken over kinderen met een andere huidskleur, maar dat blijven witte raven in het totale aanbod. Bovendien is er één boek dat jammerlijk afwezig blijft – een boek dat het hiaat (althans in de adolescentenliteratuur) gedeeltelijk zou opvangen en dat vreemd genoeg niet vertaald geraakt. Ik heb het over Noughts and Crosses van Malorie Blackman.

Malorie Blackman is sinds begin jaren negentig een productieve Engelse schrijfster. Haar personages zijn vaak zwart – net als zijzelf – maar zij plaatste in de eerste jaren van haar schrijversschap het thema van raciale en etnische identiteit niet op de voorgrond in haar boeken. Dat was een bewuste keuze: ze had geen zin om door haar uitgevers in het hokje ‘zwart auteur voor een zwart publiek die enkel over het multiculturele thema schrijft’ geduwd te worden.

En dan verscheen in 2001 Noughts and Crosses.

Noughts and CrossesHet is het verhaal van een Montague en een Capulet en hun onmogelijke liefde in een dystopische maatschappij. De liefde tussen Cal en Sephy is niet verboden omwille van een vete tussen hun families, maar omdat de maatschappij waarin ze opgegroeid zijn verscheurd is door de extreme sociale ongelijkheid tussen de heersende elite, de Crosses, en de noughts (niet toevallig zonder hoofdletter), de verdrukte klasse van de ‘nullen’.
Sephy en Cal brachten hun kindertijd samen door, maar naarmate ze ouder worden, wordt hun vriendschap steeds minder getolereerd door hun beide families en maatschappelijke standen.
Pas na een pagina of vijftig dringt het tot de lezer door dat de polarisatie in deze maatschappij gebaseerd is op huidskleur, en dat de heersende klasse in dit boek zwart is.

Et voilà: in deze confronterende inversie schuilt de kracht van dit boek. Door de simpele omkering maakt de auteur aan niet-zwarten duidelijk hoe het voelt om zwart te zijn in een blanke maatschappij. Maar Malorie Blackman doet meer dan dat. Want hoe weldenkend ik mezelf ook achtte, het is gênant hoe ik mezelf tijdens het lezen telkens aan deze rolverdeling moest herinneren. Het is een klap in je gezicht, een schokkende confrontatie met vooroordelen waarvan je dacht dat je ze zelf niet had.

Er is veel te zeggen over en te analyseren in Noughts and Crosses en de boeken die daarop volgden (Knife edge, Checkmate, Double Cross). Over de mechanismen van macht en hoe macht corrumpeert, over de (on)toelaatbaarheid van terrorisme in een onrechtvaardige maatschappij.
Maar eerst: het boek lezen – en als het even kan ook vertalen.

Noughts and Crosses
Malorie Blackman
Doubleday, 2001

(Eva Devos)

Kleine Adam

Kleine AdamWie herinnert zich Kleine Adam nog? Echt een verhaal voor wie opgroeide in de jaren ’80, de tijd van Greenpeace-acties en geëngageerde kinderboeken. Wij vonden het in ieder geval heerlijk om het toen felgesmaakte prentenboek van Mariette Vanhalewijn en Rita van Bilsen jaren later weer vast te nemen. Dit keer op zoek naar het verhaal achter het boek: Wie maakte het? In welke context? Waren enkel wij, kinderen, dol op het boek of konden volwassenen het toen ook smaken? De bibliotheek van het Focuspunt Jeugdliteratuur wist raad.  

Zo lazen we dat Vanhalewijn debuteerde in de jaren ’60 met sprookjesachtige verhalen. Illustrator van die verhalenbundels was Jaklien Moerman. Het duo bleek immens populair. Rita Ghesquiere verklaart in Uit de schaduw (1997:240) waarom:

“De verhalenbundels beantwoorden aan wat een intellectueel gevormd publiek op dat ogenblik van het betere kinderboek verwacht. Een verzorgde uitgave, met stijlvolle illustraties en verhalen die pedagogisch verantwoord zijn. De hoofdfiguren zijn herkenbaar, de toon is optimistisch.”

Vanaf de jaren ’70 taant het succes van het duo. Van Jaklien Moerman wordt gezegd dat ze ‘zichzelf plagieert’, van Vanhalewijn dat ze – tegen wil en dank – een ‘scenarioschrijfster’ is geworden.

Het is daarom een verrassing als Lannoo in 1983 het prentenboek Kleine Adam publiceert met tekeningen van Rita van Bilsen, wiens werk ook in het buitenland sterk gewaardeerd wordt. Met Kleine Adam heeft Vanhalewijn een nieuwe, succesvolle stem gevonden. In 1986 krijgt ze er de Staatsprijs voor jeugdliteratuur voor.

Het boek is een product van zijn tijd: een aanklacht tegen milieuvervuiling, tegen anonimiteit, tegen een maatschappij waarin kinderen geen stem krijgen. Adam is verschrikkelijk ongelukkig met de wereld zoals die is: vervuild en vol met mensen zonder tijd en met verschrikkelijk veel haast. Zijn oplossing is eenvoudig: hij veegt de hele wereld de afvoerpijp in en begint gewoon van nul af aan. Met een stukje krijt verzint hij zelf een ideale wereld bijeen. Dat probeert hij althans…

Want gaandeweg beseft Adam dat scheppen geen eenvoudige opgave is. Hij balanceert daarbij voortdurend tussen optimisme en moedeloosheid. De eerste schetsen stemmen hem blij: de hele verrotte wereld krijgt weer kleur. Maar doorheen het tekenproces gaat Adams schepping steeds meer lijken op de wereld zoals die was.

Het is logisch dat het pessimisme een plaats krijgt in Kleine Adam,  zegt Vanhalewijn in Pluizer (1985):

“Je wil opnieuw beginnen, een aantal dingen veranderen, maar je merkt voortdurend, ook als volwassene, ik kan dat en dat niet missen. […] Dat is met Kleine Adam ook zo: hij schept zijn eigen wereld, maar daarmee automatisch ook de negatieve dingen.”

Eindigen doet Vanhalewijn dan weer met een sprankje hoop: de regenboog die Adams schepping opnieuw mooier kleurt.

Het is duidelijk: Kleine Adam betekende een mijlpaal in de wereld van de prentenboeken. De zachte sfeer en artistieke illustraties konden op veel bijval rekenen. In Buiten de lijntjes gekleurd prijst Marita Vermeulen de feilloze vormbeheersing van Rita van Bilsen en de manier waarop ze het gevoel dat het verhaal uitstraalt, weergeeft in beelden. Pluizer  merkt op dat met de tekenende Adam een verhaal op meta-niveau verteld wordt, namelijk ‘het verhaal over tekenen an sich’. Dat Kleine Adam zo’n succes werd, is dan ook evenzeer te danken aan de tekeningen van van Bilsen die in deze uitgave net zo belangrijk zijn als de tekst.

(Sofie Dewulf en Fieke Van der Gucht)

Meer weten?
“Over Kleine Adam en hoe het boek gemaakt werd: interview met Mariëtte Vanhalewijn (auteur) en Rita van Bilsen (illustrator)” / J. De Wit en A. Devos, in: Pluizer, vol. 1 (1984-1985), afl. 6, p. 4-7
“Applaus voor kleine wereldverbeteraar : 1983 Mariette Vanhalewijn, Kleine Adam” / Rita Ghesquiere. – In: Uit de schaduw : een beknopte geschiedenis van de West-Vlaamse en de Westfaalse jeugd- en kinderliteratuur / Rita Ghesquiere, Jan Van Coillie e.a. (Provinciale Dienst voor Cultuur, 1997) p. 204-242
Buiten de lijntjes gekleurd: uitgelezen Vlaamse illustratoren in de kijker / Marita Vermeulen (Lannoo, 2006), p. 23-24

[Dit, en meer, is te vinden in de bibliotheek van het Focuspunt Jeugdliteratuur.]

De wei van Koe

In de maandelijkse rubriek In de vitrine tipt een boekhandelaar een opmerkelijk boek uit de nieuwe oogst. Deze maand de keuze van Annick Lion van de Kleine Johannes in Leuven.

*

de wei van koeTussen het massale aanbod van nieuwe boeken in de aanloop naar de boekenbeurs viel mij een klein pareltje op. Paul de Moor, mij vooral bekend van zijn gevoelig en vaak ook filosofische werk naar iets oudere kinderen toe, heeft zich nu aan een teder verhaal voor beginnende lezers en …’fijnproevers’  gewaagd: De wei van Koe. Er hangt iets in de lucht…maar wat precies,  dat komen we pas in de laatste bladzijden te weten.
Het is onvoorstelbaar welke gevoelens hij op meesterlijke wijze met eenlettergrepige woorden kan blootleggen. ‘Koe staart voor zich uit. Ze zegt niets. Ze kauwt op wat ze denkt.’
Dit is maar een klein voorbeeld van de verbale originaliteit van de Moor! Of wat dacht je van: ‘Wat is link… Het lijkt wat op slim… Het is slim met iets erbij.’
De Moor leverde volgens mij een smaakvol boek af om rustig te lezen en elk woord ‘fijn te proeven’!

De wei van Koe / Paul De Moor en Martijn van der Linden (ill.) (Lannoo, 2009)