Dagboek

Eind december 2009 viel het laatste administratief stukje doek over het Nationaal Centrum voor Jeugdliteratuur (NCJ), dat actief was van 1976 tot 2005. We zijn niet van het nostalgische type, maar een bijna 19 jaar oud knipsel roept de sfeer van een toch wel ver verleden op:

 

Dagboek

 

In: “Dagboek” in De Bond, 25 januari 1991, geschreven door Greet Spaepen, die van 1 oktober 1990 tot 1994 en van 2002 tot 2005 directeur was van het NCJ.

De babysittersclub

Herlees nooit een boek waar je in je jeugdjaren helemaal wild van was. Dat eindigt altijd in teleurstelling. Ik deed het voor deze rubriek toch.

Vaarwel PetraIk was – in de roemruchte jaren ’90 – wég van de Babysittersclub. Pulp van de bovenste plank, maar ontzettend verslavend. En ik was niet de enige fan. Duizenden prepubers werden al snel close friends met Gertie, Petra, Joke, Inge en Betty. Wie als meisje opgroeide in die tijd, kon er niet omheen: de Babysittersclub was hot. Nu nog veroorzaakt de clubnaam een zweem van nostalgie bij vele twintigers. Reden genoeg om de reeks – voor even – weer boven te halen.

Ik las Vaarwel, Petra, nummer 13 in de rij. Niet toevallig, want ik herinner me dat ik hierdoor als twaalfjarige tot tranen toe ontroerd was. Een echte tearjerker.
Tijdens het lezen werd ik opnieuw twaalf en dat vond ik best leuk. Hallo weemoed! De oude ‘vriendinnen’ leken plots weer zo vertrouwd. Maar al snel maakte mijn nostalgie plaats voor een nieuw gevoel: ergernis. Ergernis om de oer-Hollandse en vaak ronduit slechte vertaling. Ergernis om de wel erg voorspelbare en flauwe verhaallijn, de weinig originele karaktertekeningen, de uitleggerige toon. Maar – en dat verklaart meteen waarom ik er toen zo gek op was – ik leefde wel mee.

Het is een trucje dat in elk boek wordt gehanteerd: het verhaal wordt telkens door een ander Babysittersclub-lid verteld. Petra spreekt je dus haast persoonlijk aan. Een typisch kenmerk van series voor kinderen, verklaart Fiona Collins in Pop fiction: ‘The narrator of series books also has a central role in engaging the young reader in the plot. Authors attempt to make the readers feel that they are being written for individually and this need is addressed in a variety of ways.’

Elk boek is opgebouwd volgens hetzelfde stramien: een korte voorstelling van het hoofdpersonage en een introductie tot de plot vormen het eerste hoofdstuk. In het tweede hoofdstuk wordt het ontstaan van de club toegelicht en worden de vriendinnen voorgesteld, en dan begint het echte verhaal. Weinig verrassend dus. En ook stilistisch stellen de boeken niet veel voor, volgens Fiona Collins: ‘In most series books the style of writing is not over-challenging even to the newly fluent reader. The action is often mediated through the dialogue while long passages of description, with the use of figurative language, are unusual. The vocabulary used is unsophisticated and does not hinder or challenge the reader avid for action. The plot moves at a fast pace giving little attention to thought and reflection.’

De Amerikaanse Ann M. Martin schreef de reeks en heeft verder weinig noemenswaardigs op haar palmares. Het was ook niet haar idee om een reeks op te bouwen rond babysittende meisjes. Uitgeefster Jean Feiwel van Scholastic merkte het succes op van een weinig opvallend boek uit hun fonds: Ginny’s Babysitters Job.
‘As I watched the numbers every month, I noticed that a book called Ginny’s Babysitters Job, which had a rotten cover and which was listed all the way back on the third page of the offer, was always the highest selling book. I thought, it must be something about baby-sitting because it’s not something about Ginny or the cover. So I took the idea for a baby-sitting series to Ann Martin.’

Zo simpel kan het gaan. Na het zesde boek ‘boomde’ de Babysittersclub. Het was de eerste kinderboekenreeks die in de USA Today Bestseller List opdook. Over de hele Verenigde Staten ontstonden clubs. Het groepsgevoel dat de boeken opriep, werkte aanstekelijk. Ook in Vlaanderen, waar de reeks enkele jaren later door Deltas werd opgepikt, werd de Babysittersclub een succes.

Jean Feiwel vertelt: ‘The success of the series is always about more than the series premise. The Baby-Sitters Club is about the friendship between the girls, but it’s also about a sense of independence. The girls are doing something on their own. They are treated seriously. There’s a sense of respect for them. Girls like reading about that. It’s an aspirational kind of idea. Even girls who couldn’t baby-sit themselves liked reading about girls who were in charge.’ Onafhankelijk waren de dertienjarige babysitters inderdaad. Zelfs té onafhankelijk. Want toen ik als twaalfjarige met mijn vriendinnen een eigen Babysittersclub oprichtte, werd de groep na de eerste vergadering ontbonden door onze ouders. Twaalfjarigen konden de verantwoordelijkheid over andere kinderen nog niet aan, vonden ze. Meteen een belangrijke verklaring voor mijn idolatrie: de meisjes waren nog maar dertien maar gedroegen zich op vele vlakken een heel stuk ouder. Ze hadden echte vriendjes, gingen shoppen, droegen juwelen. Ik was net de basisschool ontgroeid en keek maar wat graag op naar deze meisjes. Ik was verslaafd.

Hoewel mijn verslaving zeer onschuldig leek, schuilt er volgens Fiona Collins wel degelijk een gevaar in het consumeren van hapklare reeksen. ‘Young readers are hooked immediately into the narrative, with little difficult language and few real issues to reflect on. However series reading does encourage the young reader to develop stamina and possibly also a critical edge through discussion of these books with friends. But when young readers only read series books, avoiding more literary texts, adults may have cause to worry about their diet, which might be compared to only eating hamburgers. The serial series reader could be in danger of thinking that the superficial fast fix of series books is what reading is all about, something which accomplished adult readers know not to be true.’

Goed dat ik niet veel later ook Bart Moeyaert en Johan Ballegeer ontdekte. Het heeft mijn honger naar ‘iets anders’ vergroot. Al zet ik nog steeds af en toe een dosis pulp op mijn menu. Gráág.

(Tine Kuypers)

Meer lezen?
“An interview with Jean Feiwel” / Leonard S. Marcus, in: The Horn Book Magazine, September/October 2009, p.465-478
“Reader beware you’re in for a scare: the continuing appeal of series books” / Fiona Collins, in: Pop fiction / Pat Pinsent (NCRCL, 1999) p. 125-135
“Political Correctness and the Subversive: Judy Blume and the Baby-Sitters Club”. – In: Children’s literature and its effects: the formative years / Cedric Cullingford (Cassell, 1998), p. 135-151

[Dit, en meer, is te vinden in de bibliotheek van het Focuspunt Jeugdliteratuur.]

Tom Schamp over cadeauboeken

In de rubriek Het Mini-Interview antwoorden auteurs en illustratoren op één enkele vraag.
Geïnspireerd door de nakende feestdagen, vroegen we illustrator Tom Schamp of hij wel eens boeken cadeau geeft. En heeft hij nog goede tips?

*

Tom SchampJe kan wel stellen dat ik aan levende promotie voor het prentenboek doe. Met prentenboeken kan je mensen nog echt verrassen. Vooral volwassenen komen er weinig mee in contact, dus vind ik het fijn om hen te laten kennismaken met illustratoren.
Romans geef ik minder vaak cadeau. Niet alleen heb ik daar zelf minder voeling mee, maar ik vind het ook moeilijker om in te schatten wat bij iemand past. Iedereen heeft doorheen de jaren een smaak ontwikkeld als het om romans gaat, en die is toch wel erg moeilijk te voorspellen. Nee, doe mij dan maar een prentenboek.

Ik vind het geen probleem om boeken van mezelf cadeau te doen. Meer nog, sommige kinderen uit onze vriendenkring verwachten dat haast van mij. Maar wanneer ik boeken met eigen illustraties geef, probeer ik toch steeds een titel te kiezen die echt bij het kind past. À la tête du client dus. De Otto-reeks (Otto rijdt heen en weer, Otto in de stad) doet het erg goed, zelfs bij meisjes. En ik merk ook dat kinderen er echt blij mee zijn. Vaak krijg ik nadien mailtjes waarin kinderen of hun ouders me vertellen wat ze leuk vonden aan het boek. Mijn oudste zoon van zeven – zelf nochtans een echt leesbeest – vindt het echter niet (meer) zo’n geslaagd idee om een boek met werk van zijn vader mee te nemen naar een verjaardagsfeestje: illustraties uit eigen nest zijn voor hem net niet ‘geschenk’ genoeg.

Ook van Richard Scarry deel ik wel eens iets uit, omdat zijn boeken toch de inspiratie waren voor de Otto-boeken. Helaas zijn de uitgaven van vandaag niet meer zo mooi als de oorspronkelijke.
Dat geldt niet voor de boeken van Miroslav Sasek (o.a. Londen, New York, Parijs). Uitgeverij Casterman geeft die erg verzorgd uit, in zowel Nederlands als Frans. Daar heb ik al veel mensen blij mee gemaakt. Zijn werk dateert al van de jaren ’60 maar is nog steeds even mooi. Tijdloos en toegankelijk: een perfect geschenk dus.

Ik koop graag boekengeschenken op reis. Buitenlandse beurzen zijn een goede bron van inspiratie. Aangezien ik heel wat tweetalige kinderen ken, kan ik op de Franse boekenbeurzen echt mijn slag slaan. De boeken van de Japanse illustrator Taro Gomi zijn prachtig. Bijvoorbeeld A bord du merveilleux navir: heel Japans, erg uitgepuurd, met grote prenten en een sober kleurgebruik.
Ook van Marc Boutavant ben ik grote fan. Moek gaat op wereldreis met de fiets werd door Lannoo in het Nederlands uitgegeven. De laatste boeken van Pieter Gaudesaboos, Mannetje Koek schrijft een boek en Het boek van Mannetje Koek zijn eveneens voltreffers. Wat ik met Nieuwjaar zeker cadeau doe is Choses qui font peur van Bruno Gibert en Pierre Mornet. De tekst is al even sterk als de schilderachtige illustraties. Dit boek ligt klaar voor een tweetalige vriend.

Let it snow

Zo gauw ik via via opvang dat de Amerikaanse jeugdauteur John Green een nieuw boek heeft, laat ik het door Amazon aan huis komen. Altijd een feest, zo’n pakje op de mat, en zeker als er iets van John Green in zit.

Let it snowLaatst bestelde ik Paper towns, ondertussen vertaald bij Lemniscaat: Paper Towns – Waar is Margo Spiegelman?. (Een aanrader!) En omdat Amazon altijd zo vriendelijk is mij te wijzen op meer van hetzelfde moois, bestelde ik in één moeite door Let it snow: three holiday romances. Dat blijkt een bundel onvervalste (puber)romantiek met verhalen van Lauren Myracle, Maureen Johnson en John Green.

In de fijnste verhalenbundels zijn de verhalen (min of meer) met elkaar verbonden. Zo ook in Let it snow. Myracle, Johnson en Green schrijven elk één verhaal. Alle drie spelen de verhalen zich af in dezelfde omgeving, tijdens en rond dezelfde storm die dezelfde kerstdagen lam legt. Maar elk verhaal focust op andere personages.

Verhaal 1 – Jubilee’s ouders sturen Jubilee voor de kerstdagen naar haar grootmoeder. Maar de trein loopt vast door ‘de grootste sneeuwstorm in 50 jaar’. Jubilee zelf geraakt vast in een Waffle House in de buurt – samen met vijftien cheerleaders, een vreemdeling met een gebroken hart en een kerel gehuld in plastic tasjes.

Verhaal 2 – Midden in een James Bond marathon worden drie vrienden (m/v) opgetrommeld door Keun. Die werkt in het Waffle House, waar zich middels vijftien cheerleaders net een wonder voltrokken heeft. De drie zijn vastbesloten de sneeuwstorm te trotseren en vatten de tocht aan. Tegen de tijd dat ze in het Waffle House arriveren, is niets meer wat het was.

Verhaal 3 – Addie huilt dikke tranen omdat haar vriendje haar liet zitten. Hij zat vast in de sneeuwstorm en in het Waffle House, maar dat weet zij niet. Wanneer haar vriendinnen zeggen dat ze moet stoppen met zeuren en dat ze minder self-absorbed moet zijn, besluit ze haar leven te beteren.

Oh, the joy van sneeuwstormen, ochtendlijke dates bij Starbucks, gebroken harten en hete krokodillentranen! Maar het ware plezier in deze bundel ligt in de hilarische avonturen, de licht absurde maar altijd herkenbare personages en (vooral in het verhaal van John Green) de vinnige dialogen. Let it snow is ideale achtergrondliteratuur bij de kerstdagen.

Voor wie niet genoeg kan krijgen van John Green is er het licht fantastische www.sparksflyup.com, met blog en filmpjes en al.

Let it snow: three holiday romances
John Green, Lauren Myracle, Maureen Johnson
Puffin, 2008

(An Stessens)

Waar is juffrouw Adora?

In de maandelijkse rubriek In de vitrine tipt een boekhandelaar een opmerkelijk boek uit de nieuwe oogst. Deze maand is Iris van Germeersch van I*boeks in Ledeberg aan het woord.

*

Waar is juffrouw Adora?Een trendy maar tegelijk ook klassiek aandoende cover trekt de aandacht. Het herinnert me aan een favoriet boek uit mijn jeugd en de nieuwsgierigheid is meteen gewekt. Het blijkt uiteindelijk een complexloos boek voor jonge lezers van een jaar of tien te zijn, half grappig – half mysterieus, een origineel verhaal dat bij deze groep lezers past.
De moeder van Ida heeft zangles nodig om mee te kunnen doen aan de jaarlijkse Miss Aardbeiverkiezing, het hoogtepunt van haar leven. Wat onzeker gaat Ida op zoek naar de oude zanglerares Juffrouw Adora, iemand met ervaring in missverkiezingen. Ze vindt haar in de trein waar juffrouw Adora het zich gezellig heeft gemaakt en geen aanstalten maakt om uit te stappen. Ida stapt dan ook maar de coupé binnen en begint zo een vreemde reis met een trein die alleen stopt wanneer de passagiers op het station door enthousiaste mensen worden opgewacht. Niemand wacht Juffrouw Adora op en aan de reis lijkt geen einde te komen totdat het bizarre dametje plots is verdwenen. Ida gaat weer op zoek en rolt van het ene fantasierijke avontuur in het andere.
Er komen in dit boek geen toverformules of pratende dieren aan te pas maar wel romantische figuren als een verliefde treinconducteur en een vergeetachtige dichter. Een boek dat niet noodzakelijk, maar toch vooral meisjes zal aanspreken.

Waar is juffrouw Adora? / Tanja Seegers (Manteau, 2009)