De eend op de pot

Marijke is gek
op honden en katten.
Marijke houdt veel
van haar kleine marmot.
‘Maar mijn lievelingsdier,’
zegt Marijke,
‘staat hier!
En dat is de eend op mijn pot.’

De eend op de pot, in de originele uitgave van 1981Wanneer ik de zinnen lees, hoor ik ze tegelijk. De eend op de pot moet me honderden, duizenden, miljoenen keren zijn voorgelezen, anders zou het ritme, het rijm, de kadans me niet zo ingebakken zijn. De eend op de pot verscheen in 1981 en na twee krakende krantenartikels uit die tijd weet ik dat het taboedoorbrekend heette te zijn. Nou. Ik ken ten minste twee kleuters die dat destijds niet in de gaten hadden.

Het verhaal gaat over Marijke die bang is van de grotemensen-wc: ‘Als je erdoor zakt, neemt het water je mee.’ Ze is gek op haar potje (zo’n ding dat tegelijk een eend is), sleurt het overal mee naartoe, neemt het mee in bad, kookt er soep in. Wanneer de eend op de pot per ongeluk en noodgedwongen een nachtje van huis is, vergeet Marijke haar angst en gaat ze wel op de grotemensen-wc. Probleem opgelost.

Probleem? Bij het verschijnen van De eend op de pot – en zeker nadat het een Gouden Griffel kreeg – verschenen er talloze interviews met Nannie Kuiper. Die beginnen – nadat ze de auteur gekaderd hebben in een gezellige flat – wel eens met de vraag of het verhaal van de eend een probleemboek is. Dat vindt ze niet. Toch is De eend op de pot niet zomaar een boekje over zindelijkheidstraining. In De eend op de pot speelt Nannie Kuiper expliciet in op de angsten waarmee een kind geconfronteerd wordt. Daar wil ze wat mee doen, daar wil ze wat over vertellen. Ze wil kinderen en hun ouders helpen:

‘Marijkes ouders accepteren haar angst. Ze mag de pot overal mee naar toe nemen, wat ik heel belangrijk vind voor kinderen van die leeftijd, en uiteindelijk durft ze wel naar de wc zonder dat het einde betekent van haar liefde voor de eendepot’ – NRC Handelsblad, 22 juni 1982

Maar wie is er hier eigenlijk het bangst?

‘In De eend op de pot speel ik in op het feit dat veel ouders moeite hebben om wat betreft het zindelijk-worden het kind zijn eigen ontwikkeling te laten volgen. Er wordt ontzettend veel afgedwongen door ouders. Uit angst: wat zullen de buren wel zeggen, zal het wel goed gaan met mijn kind, is mijn kind niet achter bij andere kinderen. Heel begrijpelijke angst. In het boek laat ik zien dat als ouders de angst van het kind kunnen accepteren, het kind die angst vanzelf wel overwint.’ – Margriet, 1982, nr. 41

De mensen van De Kleine Wereld hadden al die goede bedoelingen van Nannie Kuiper in 1982 goed begrepen toen ze deze kop boven een (overigens giftig) artikel zetten: ‘De grote boodschap van de eend op de pot’. Het valt keer op keer op hoe enorm bewust Nannie Kuiper zich was van de ontwikkeling van een kind – of het nu om lichamelijkheid of psychologische aangelegenheden of taal gaat – en hoe ze dat bewustzijn verpakte in haar werk:

In De eend op de pot gaat het zijdelings over het omgaan met het eigen blote lijf. ‘Kinderen gaan nu eenmaal heel natuurlijk met hun eigen lichaam om. Dat heeft vanzelfsprekend een erotisch tintje, maar ik geloof dat dat een garantie is tegen frustraties met sexualiteit op latere leeftijd,’ zegt ze en haar opvallende helblauwe ogen kijken ernstig. Zo mag Marijkes vriendje en leeftijdgenoot Jasper ook eens op haar pot en van puur plezier plast hij met een wijde boog over de eend heen. ‘Dat jongetje zal van al dat gedoe ook best een beetje opgewonden zijn geraakt,’ lacht ze dan weer. – Trouw, 17 juli 1982

plassende Jasper

 Over diezelfde Jasper verscheen later Mijn beer heeft altijd wat (eveneens een klassieker uit mijn kinderjaren): Jasper heeft slaapproblemen. Het is altijd wat! Ik vraag mij stilaan af welke problemen mijn broer en ik indertijd hadden, ondertussen verdrongen en/of van de baan dankzij Marijke en Jasper. Wanneer ik uitzinnig van verbazing verslag doe bij collega Tania, komt zij aanzetten met Blootje spelen. Dat is zoveel jaar na datum nog steeds onvoorstelbaar taboedoorbrekend, maar heeft vandaag vooral iets krampachtigs.

Terug naar de eend: is dat hele zindelijkheidsgedoe wel zo moeilijk en dramatisch? ‘Het gevaar is niet denkbeeldig dat soms gedachten of emoties van volwassenen of oudere kinderen op een peuter worden geprojecteerd,’ zegt Anne de Vries in het NRC Handelsblad (8 oktober 1982). Hij twijfelt of ‘zindelijk worden voor een kind een buitengewoon emotioneel proces is’ en is niet onder de indruk van de hele eend op de pot. De peuters van kinderdagverblijf Borgheem in Amsterdam zijn dat in 1982 evenmin: ‘Later is nog eens geprobeerd het verhaal voor te dragen of al vertellend over te brengen, maar de kinderen bleven verdwaasd of ongeïnteresseerd kijken.’ (De Kleine Wereld, 1982, nr. 133) Al durf ik vermoeden dat de mensen van De Kleine Wereld – die De eend op de pot duidelijk een boek van niks (of te taboedoorbrekend?) vonden – in dikke hoofdletters tussen de regels spraken toen ze de opdracht voor dit veldonderzoek gaven.

Was De eend op de pot dan zo’n griffelboek dat geen kind leest? Ik ken ten minste twee kleuters die het stukgelezen hebben – pardon: stukgehoord. En laat die beklijvende taal, het ritme en het rijm – en niet de taboes, de fundamentele angsten, laat staan de erotische opgewondenheid van Jasper – net datgene zijn waar de Griffeljury zo warm voor liep:

Het bijzondere van deze poëzie is dat de gedichten met elkaar een vlot lopend en goed uitgewerkt verhaal vormen. De gedichten zijn ritmisch geschreven. Het ritme is gevarieerd en dikwijls verrassend, waardoor levendige poëzie is ontstaan. – Juryrapport Gouden Griffel, 1982

Misschien was dat voor Nannie Kuiper nog het grootste compliment:

‘Als het te maken heeft met rijm, ritme, alliteratie – muzikaal bezig zijn als het ware – dan kom ik het dichtste bij datgene wat ik voel. Een jongetje zei eens tegen me: ‘De regels van een gedicht zijn als de golven van de zee.’ Je wordt erop gedragen. Als je met één woord begint, kun je de hele ketting afbreien. Een gedicht is heerlijk voor een kind. Daarom vind ik de vorm waarin je taal aanbiedt net zo belangrijk als de inhoud. Een kind ervaart taal als beweging. Een kind houdt van het spelen met klanken, de spanning van het rijm.’ – Margriet, 1982, nr. 41

Laat dus één ding duidelijk zijn: De eend op de pot blijft ook zonder grote boodschap overeind.

(An Stessens)

De eend op de pot is in zijn geheel digitaal raadpleegbaar op de Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren. 

Bron: knipselmap Nannie Kuiper

Marjolein Pottie

Thuis bij Marjolein Pottie, die vorig jaar Tram BXL (Lannoo) publiceerde, betekent mooie kleuren en vrolijke ideeën.

*

marjolein1

Inspiratiemuur
Benodigdheden: muurverf in een fel kleurtje – tekeningen en foto’s van eigen kinderen, metekind, een portret door een academiekind van Berchem – naaisels van mezelf….

 

marjolein2

Detail van de inspiratiemuur

 

marjolein3

Multimediakapstok
Een kapstokje voor alle rondslingerende multimediakabels.
Benodigdheden: een tutorial op http://www.designspongeonline.com – een oude pop waarvan de ledematen mogen geamputeerd worden – een handige vader met houtbewerkingsgereedschap.

 

marjolein4

 

Naaigarenlade
Ik gebruik niet alleen verf en papier om te illustreren, soms naai ik illustraties, zoals in mijn boek Wie niet weg is… van Karla Stoefs.
Benodigdheden: een oma van 99 jaar, die haar garen niet meer kan gebruiken wegens stramme handen en slechte ogen – en een lege lade in een ladenkast voor papier.

Groeten uit Stavanger

Van 7 tot 9 februari was Majo de Saedeleer te gast op de barne- og ungdomslitteraturkonferansen Maktens pluttifikasjon in Stavanger, een conferentie voor en door kinderboekenmensen uit het Noorden – en uit België. Dat ging zo:

*

In Noorwegen uitgenodigd worden op een internationaal congres over jeugdliteratuur waar ‘België’ gastland is? Het is flatterend, maar in het huidige politieke klimaat én in de culturele realiteit  frons je toch even je wenkbrauwen: Belgische jeugdliteratuur?! Bleek dat de invitatie om het woord te voeren vier Vlamingen had bereikt en Kitty Crowther, die met haar Britse vader, Zweedse moeder en Brussels adres waarschijnlijk de enige ‘Belg’ in het gezelschap was.

Ook ‘internationaal’ vroeg om een aparte interpretatie want de 400 deelnemers waren zo goed als allemaal Noren:  auteurs, illustratoren, bibliothecarissen, leraars en leesbevorderaars. Met onder de sprekers ook een paar gasten uit andere Scandinavisch landen. Nu staat de Noorse jeugdliteratuur bekend als: innoverend, experimenteel, complex, realistisch, uitdagend, anarchistisch, en tegelijk ook speels en humoristisch. ‘Vaut le voyage’, heet dat in de Michelin-gids.

Het congres vond plaats in het Zuiden van Noorwegen, in het charmante Stavanger, een van de rijkste steden van dit toch al rijke land. Het oude centrum met zijn hellende straatjes en houten huizen, water dat de stad binnendringt, de zeeschepen bij de kade en een shoppingcenter met naast de bekende ketens ook design glaswerk en porselein. Het feit dat de meeste lezingen in voor mij onbegrijpelijk Noors waren, gaf me de tijd om in het stadje ook de bibliotheek, het cultuurcentrum, het kinderboekencentrum en het rommelige maar vertederende speelgoedmuseum te bezoeken. De gutsende regen buiten kon mijn plezier niet bederven. Als steeds in de noordelijke landen smolt ik helemaal voor het kindvriendelijke klimaat. Werkende vrouwen  krijgen tien maanden moederschapsvakantie. (Vaders een paar maanden minder)Mede daardoor worden de cultuurhuizen voor hen in die lange pauze een ontmoetingsplek waar ze andere jonge vrouwen met kleine kinderen zien. Parkeerplaatsen voor buggy’s zijn overal voorzien en vlak erbij worden baby’s gevoed en verschoond. Er wordt met hen gespeeld, gezongen, gelachen, gepraat, geknuffeld. In de bibliotheek is de uitleenbalie op kinderhoogte en de lezertjes hoeven hun boeken niet in stilte uit te kiezen.  In het cultuurhuis is tijdelijk een besneeuwd woud geëvoceerd. Wij komen er ‘midden in de nacht’ aan en de kinderen lopen er rond met een zaklantaarn. Geleidelijk aan wordt het lichter. In 24 minuten verandert het licht uur per uur van middernacht naar middernacht en ‘het woud’ biedt op elk tijdstip andere verrassingen: kabbelend water, tenten, nesten, bewegende diertjes, spinnenwebben, vlinderpoppen, … Het ziet er niet eens duur uit want er spreekt veel huisvlijt uit. De verbeelding is hier aan de macht.

Terug naar het congres. Wij, ‘Belgen’, hebben onze aanwezigheid mooi kunnen opbouwen: de eerste dag mocht ik  voor het voltallige publiek de stand van de kinder- en jeugdliteratuur en de leesbevordering  in Vlaanderen uiteenzetten. De volgende ochtenden openden Kitty Crowther en Carll Cneut het programma in de grote zaal. Op de laatste dag spraken ook nog uitgever Marita Vermeulen en auteur Els Beerten. Aangezien hun werk in het Noors vertaald is, kende de zaal hen. Kitty met het aura van ALMA-winnaar, Carll overtuigend en geestig over het onthaal van zijn werk in Europa en in de VS, Marita enthousiast over Vlaamse prentenboeken en Els over de ontstaansgeschiedenis van ‘Allemaal willen we de hemel’ dat in Noorwegen zowel in een fonds voor volwassenen verscheen als voor een adolescentenpubliek.

Van de noordelijke boekenproductie heb ik vooral de illustratoren gezien, gehoord en vaak herkend. Het is fijn om te merken dat de jeugdliteratuur – en in de eerste plaats de prentenboeken – in al hun artistieke variatie én eigenheid letterlijk grenzen overschrijden.  Boeken als handdrukken.

Lapje

In de maandelijkse rubriek In de vitrine tipt een boekhandelaar een opmerkelijk boek uit de nieuwe oogst. Deze maand is Iris van Germeersch van I*boeks in Ledeberg aan het woord.

*

lapjeRiet Wille is bekend om haar rijmpjes en boekjes voor beginnende lezertjes. Met Lapje is ze meer de filosofische toer opgegaan en wat mij betreft met succes. Lapje is een poëtisch verhaal dat eigenlijk verschillende thema’s aanraakt: adoptie, vriendschap, verlangen, moed, optimisme enz. Toch is het luchtig geschreven zonder overdreven emoties of gezochte vergelijkingen waardoor het voor een breed publiek leesbaar is.
Lapje is als baby door haar moeder achtergelaten en door een liefdevol echtpaar in huis opgenomen. Aan liefde geen gebrek en Lapje groeit gelukkig op. Maar naarmate ze ouder wordt, wil ze meer weten over haar achtergrond en wil ze de geborgenheid van zich afschudden.
De knappe illustraties van Jan De Kinder, die hier opnieuw zijn veelzijdigheid bewijst, ondersteunen het verhaal en geven het extra kracht zodat het boek een mooi geheel is.

Lapje, of Het verhaal van een kind dat haar naam vindt / Riet Wille en Jan De Kinder (ill.) (De Eenhoorn, 2010) ISBN 9789058386519

Amsterdam

Limburgse Antwerpenaar Jan Rock, die in november 2010 zijn proefschrift verdedigde, is aan de slag als docent aan de Universiteit van Amsterdam. Hij werd daar onder meer gevraagd om het vak ‘Geschiedenis en theorie van de jeugdliteratuur’ te coördineren. Verslag van een Vlaming in Nederland.

*

De laatste cijfers zijn bekend. Daarmee is het vak afgerond.
Een boodschap van die strekking hing ik zonet op een virtueel prikbord. Ik stel me voor dat her en der in de stad studenten aan het klikken gaan, met wat ongeduld om hun resultaten te zien. Dat doen ze, denk ik, hier onder me in de computerruimtes van de faculteit, of in een Hollands krappe studentenkamer (misschien wel enkel bereikbaar via een Hollands steile trap, in een achterhuis), of in een woontoren verder buiten de stad. Of – waarschijnlijker – fietsend langs een donkere Amsterdamse gracht, een smartphone in de hand.

Het vak dat daarmee is afgerond heet voluit ‘Geschiedenis en theorie van de jeugdliteratuur’ en werd het afgelopen semester ingericht aan de Universiteit van Amsterdam door de opleiding Nederlandse taal en cultuur. Ik was er voor het eerst de coördinator van en werkte daarvoor samen met de letterkundige hoogleraren Lia van Gemert en Thomas Vaessens.
Maar kan dat wel? Een Vlaming die in Amsterdam de studie van de jeugdliteratuur in goede banen gaat leiden?

Ja, bij aanvang bekroop de twijfel me. Maar dat had er vooral mee te maken dat het vak de erfenis is van Gerard de Vriend. Vandaag een jaar en een paar dagen geleden is hij gestorven. Nog maar een jaar en wat eerder was hij met pensioen gegaan, waarbij een aflevering van Literatuur zonder leeftijd te zijner ere verscheen. Tot heel kort voordat ik eraan begon, was het vak jeugdliteratuur dus het vak van De Vriend.

Wat er daarna volgde nam alle twijfel bij me weg. We hadden namelijk een indrukwekkend programma van gastdocenten samengesteld. Daarmee werd vooral duidelijk hoeveel onderzoekende geesten er nodig zijn om de leegte te vullen die Gerard achterliet. Daarnaast viel ook op dat, als het over jeugdliteratuur gaat, Vlaanderen helemaal niet ver van Amsterdam ligt.
Dat bleek uit elk van de drie zuilen waarop het vak gebouwd was: de theorie van de jeugdliteratuur, de geschiedenis ervan en de praktijk. De literatuurwetenschap hoort natuurlijk bij uitstek internationaal te zijn. In hun colleges over de jeugdliteraire concepten, over vertalingen en over sprookjes gebruikten Vanessa Joosen, Astrid Surmatz en Theo Meder dan ook voorbeelden van Nederland en Vlaanderen, maar ook van écht ver weg. De geschiedenis van de jeugdliteratuur werd in de lessen dan wel hoofdzakelijk vanuit Nederlands perspectief besproken, maar het viel me op hoezeer die geschiedenis toch gedeeld is. Helma van Lierop besprak de adolescentenromans sinds de jaren 1970; Guus Kuijer staat ook in elke Vlaamse bibliotheek en Van Lierop zelf opende met Bart Moeyaerts protest tegen leeftijdslabels in de literatuur. Pluk, die van de Petteflet (besproken door Vaessens), Woutertje Pieterse en Hiëronymus van Alphen (besproken door Marita Mathijsen), Vondels Constantijntje (besproken door Van Gemert), Moriaen (besproken door Marjolein Hogenbirk): in Vlaanderen zijn ze niet onbekender dan in Nederland. Dat dat niet slechts een persoonlijke indruk was, bewezen bovendien enkele experts uit het jeugdliteraire veld van nu. Gerlien van Dalen en Majo de Saedeleer demonstreerden live dat de Vlaamse en de Nederlandse Stichting Lezen goed met elkaar opschieten in de leesbevordering en André Sollie vertelde de studenten vol overgave over het plezier dat een reis naar zijn Amsterdamse uitgeverij Querido hem doet.

Na een semester vol gastdocenten uit zowel Nederland als Vlaanderen, kreeg ik de indruk dat het wel kan, een Vlaamse coördinator voor Amsterdamse studenten in de jeugdliteratuur. Totdat vanmiddag een ontevreden studente me het volgende voorlegde: had ik niet te veel van hen verwacht? Te veel, omdat ik uit Vlaanderen kom? Vlaanderen, waar studenten toch harder moeten werken? Een Vlaamse krant leek haar onlangs gelijk te geven, tenminste over dat laatste. Maar ik blijf vinden dat de fine fleur van de Vlaamse én de Nederlandse jeugdliteratuur al hun werk waard is.