Ljubljana, Slovenië

Van 14 tot 19 mei ruilde Joke van Leeuwen thuisstad Antwerpen voor Ljubljana, de hoofdstad van Slovenië, voor een werkbezoek. Daarover brengt ze hier verslag uit.

*

Een prachtige vlucht, de akkers onder me, de witte Alpen, en ik land op het bescheiden vliegveld van Ljubljana, een stad met zo’n 300.000 inwoners. Jitka en Anže halen me op, ze zijn zoon en schoondochter (en beiden medewerker) van het familiebedrijf MiÅ¡ dat zijn ouders hebben gesticht en dat zo’n 95% van de prijzen, nominaties en waarderingen voor de beste kinderboeken van het land in de wacht sleept. Er is hier een kinderboekenprijs die ‘De Gouden Peer’ heet. Ze hebben me uitgenodigd nu mijn tweede boek in het Sloveens is verschenen. Na ÄŒiv! (spreek uit als ‘tsjioe’) is er nu Ko je oče postal grm, oftewel Toen mijn vader een struik werd.

Slovenië is een land met twee miljoen inwoners (ze zeggen dat zij het enige land zijn met het woord love in hun naam). Er wordt graag en veel gelezen en de scholen hebben ruim voorziene bibliotheken. De boeken zijn er, vergeleken met België, wel duurder en de oplagen zijn niet echt groot. Er zijn geen onafhankelijke boekwinkels, ze behoren toe aan de grootste uitgeverijen, die hun eigen boeken vooraan leggen in de etalages.

 

ljubljana

Eerst bezoek ik uitgeverij Miš, in een dorp een eindje ten noordoosten van Ljubljana. Kantoor met uitzicht over een glooiend dal, besneeuwde bergen in de verte. Ik word heel hartelijk verwelkomd. Daarna naar het hotel in hartje hoofdstad, dichtbij de rivier de Ljubljanica, met wandelpromenades erlangs en veel terrasjes. Een kasteel torent boven de stad uit. Jitka gidst me en biedt een Sloveense lunch aan, stevige kost, grote porties. Ook de volgende dagen ontbreekt het me aan niets.

Diezelfde avond ontmoet ik Katuša, mijn vertaalster. Haar Nederlands is meer dan uitstekend. We praten over de Nederlandse taal, over het vertalen, over onze landen, en ik hoor dat er hier ook Sinterklaasfeest wordt gevierd, maar niet met zwarte pieten maar met duiveltjes, iets wat zij als kind nogal angstaanjagend had gevonden. De architect Jože Pečnik, blijkt bepalend te zijn geweest voor de aanblik van Ljubljana. Hij ontwierp onder meer de driedelige brug over de rivier. Ook in Praag heeft hij veel sporen nagelaten.

De volgende ochtend, dinsdag is het, vindt de officiële opening plaats van het kinderboekenfestival dat deze week losbarst. De first lady van Slovenië is erbij aanwezig, de burgemeester van de stad Radomlje, benoorden Ljubljana, waar de opening plaatsvindt en de Nederlandse ambassadeur. De zaal zit vol twaalf- tot vijftienjarigen. De basisschool duurt hier negen jaar, op hun vijftiende gaan de leerlingen naar de middelbare school die vier jaar duurt. We redden ons hier uitstekend met Engels want de jonge generatie spreekt en verstaat het goed. Ook Katja is aanwezig, namens de Internationale Jeugdbibliotheek in München die kinderboeken vanuit de hele wereld herbergt. De nationale televisie maakt opnames.

ljubaffiche

Er is een optreden van de hier heel bekende performer Andrej Rozman Roza, ik hoor dat het rijmt wat hij brengt, het is expressief, na afloop legt hij uit dat hij onder meer oude Sloveense teksten vernieuwt. Daarna is er een persconferentie in het Literatuurhuis in Ljubljana. Ik tel achtentwintig belangstellenden. Behalve mijn boek worden er nog twee andere titels van Sloveense schrijvers en illustratoren voorgesteld. Als ik daarna signeer is men verbaasd dat ik linkshandig ben. Linkshandigen van mijn leeftijd en een stuk jonger moesten hier rechts leren schrijven. Ik vraag me af of ik ooit was blijven tekenen als ik dat had gemoeten.

‘s Middags heb ik een bijeenkomst met de studenten Nederlands op de universiteit. Eerst word ik hartelijk verwelkomd door de decaan (een bioloog die ook schildert) en de vicedecaan (een historica) die mij een tas vol geschenkjes aanbieden. Dan ga ik met de enige docente, Anita, naar het lokaal waar de eerste- tot en met derdejaars van de afdeling Nizozemske jezik, Nederlandse taal, al op ons wachten. Een klas vol. Ook de ambassadeur komt erbij zitten. De studenten hebben om mij te verrassen allemaal een fragment uit mijn werk vertaald en dat gebundeld in een boekje. Ook de eerstejaars kunnen me goed volgen al zijn ze nog wat aarzelend om in het Nederlands vragen te formuleren.

Woensdag. Het is koud, tien graden, en bewolkt. We vertrekken naar Kamnik en spreken voor zo’n tweehonderd leerlingen, weer tussen de twaalf en vijftien jaar. Het is een school waar veel aan muzische vakken wordt gedaan. We krijgen drie dwarsfluitistes te horen en een meidenkoor dat uitstekend zingt, in het Sloveens en het Engels, de Angelsaksische en Noord-Amerikaanse invloed is everywhere. Ik vraag me af of het rijpe gedrag van de kinderen te maken heeft met het feit dat ze de oudste leerlingen van hun school zijn, in plaats van, zoals bij ons, de jongsten die zich moeten handhaven tussen de ouderen.

In Radovljica ontmoeten we een veertigtal jongeren, ze zijn uitgekozen omdat ze goede lezers zijn. Er zijn in Slovenië programma’s om het lezen te bevorderen, en ook de bibliotheek waar we nu zijn beland doet daar aan mee, aan de internationale Andersennacht, en leesclubs, ook voor en met jonge schoolverlaters, en in de zomer is er outdoor reading: bibliotheekboeken zijn uitleenbaar aan het zwembad en aan het meer van Bled.

Irina van uitgeverij Miš leidt de bijeenkomsten, ze straalt enthousiasme uit en geloof in de boeken die ze kwaliteitsvol vinden. Dat is mooi om te zien.

Donderdag. We bezoeken de flinke bibliotheek van een school in Sežana in het westen van het land. Twee goed gevulde lokalen: poëzie, proza, naslagwerken, tijdschriften. Er zijn ook leerlingen van een andere school gekomen. Dit zijn de beste, wordt ons gezegd, en ze zijn weer van de bovenbouw, twaalf tot vijftien jaar. Eerst krijgen we een inleiding door een paar leerlingen met gedichten en uitleg over de dichter naar wie de school is genoemd, Kosovel, die in 1926 stierf toen hij nog maar tweeëntwintig jaar was, en toen al zo’n duizend gedichten had geschreven. Alle leerlingen blijken het Engels weer prima te volgen en ze stellen vragen die hout snijden.

Een journaliste laat me zeventien diepgravende vragen bezorgen, of ik die wil beantwoorden, over de toekomst en de wereld en de cultuur.

Vrijdag. Om negen uur een interview voor het dagblad Delo. En dan naar een boekenfeest in een park in Domžale. Het is lekker weer. De journaliste van de schriftelijke vragen blijkt een voormalig parlementslid en burgemeester die haar leven heeft omgegooid en nu onder meer haar eigen groente kweekt. En die, zoals velen in het buitenland, zegt dat Nederland zo open en vooruitstrevend was en nu niet meer.

Aan de jonge mensen die buiten op de trappen hebben plaatsgenomen, vertel ik wat ik al vaker vertelde: dat het boek dat ik schreef een keer geschreven moest worden, want hoe mijn grootouders, ouders en ikzelf te maken hadden met vluchtelingen, uit België, uit Rusland, uit West-Nederland, uit Eritrea, uit Zuid-Afrika, uit Bosnië. De uitgeefster vertelt deze naoorlogse generatie over de korte oorlog in Slovenië, na de onafhankelijkheidsverklaring van 1991. Hoe ze in Ljubljana in haar appartement stond – haar gezin was al ergens in de bergen – en dat ze dacht: misschien is het de laatste keer dat ik hier kan zijn, wat neem ik nu mee op de fiets, wat is het belangrijkst om nu mee te nemen?

Groeten uit Antwerpen

Zo. We zijn donderdag 24 mei. Vorige zondag zijn in deSingel in Antwerpen de winnaars van de KJV bekendgemaakt en daarmee is dit KJV-jaar afgelopen. We gloeien nog wat na van alle enthousiaste lezers en begeleiders en we maken een lijst met niet-vergeten-voor-volgend-jaar. En we weten: dat volgende jaar is eigenlijk al lang begonnen.
Het begon op 1 januari 2011, toen de selectielezers op de nieuwe boeken begonnen jagen. Het begon ook op het einde van vorige zomer, toen de nominatieteams samengesteld werden. En in het najaar, toen ze de eerste longlists kregen. In december, toen ze samen kwamen op de Recensentendag. En voor echt op zaterdag 5 mei, toen ze in de lokalen van het Scoutel in Antwerpen de nominatielijsten kozen.

Hohoho! Watwatwat? Nominatieteams? Selectieteams? Longlists? Ik hoor u tot hier fronsen. Wat is dat met dat jargon? Excuseer dus: ik zal het één en het ander kort uitleggen.
1. Er zijn 6 nominatieteams: per leeftijdsgroep één.
2. De leden van die teams lezen de volledige Vlaamse productie uit (in dit geval) 2011 voor hun leeftijdsgroep. Tussen oktober en mei krijgen ze de longlists van Stichting Lezen.
3. Ondertussen lezen 3 selectieteams (eentje voor groep 1 en 2, eentje voor groep 3 en 4, eentje voor groep 5 en 6) de Nederlandse en vertaalde productie uit (in dit geval) 2011.
4. In februari kiezen de selectieteams voor elke leeftijdsgroep 10 bijzondere boeken.
5. De nominatieteams lezen bovenop de Vlaamse productie die 10 niet-Vlaamse boeken.
6. Op de nominatiedag in mei zitten de nominatieteams samen om de uiteindelijke nominatielijst van 5 Vlaamse en 5 niet-Vlaamse boeken samen te stellen.

Zo’n nominatiedag vinden we altijd spannend. Wij van Stichting Lezen hebben die dag voor één keer geen mening over boeken. We zijn de moderatoren die de discussies van de nominatielezers in goede banen leiden. Elk jaar weer gaan we het vergaderlokaal in, gewapend met frisdrank en koekjes en met die ene opdracht in onze rugzak: niet naar buiten komen voor er een “gevarieerde en kwalitatieve lijst van 10 titels” is. Elk jaar weer lijkt die opdracht onmogelijk. En elk jaar weer lukt het. Dat ligt niet overigens niet zozeer aan ons. Dat ligt aan de magie die in zo’n vergaderzaal naar boven komt.
Wát er precies gezegd wordt in zo’n lokaal, houden we binnenskamers. Maar feit is dat het er ook dit jaar heftig aan toe ging. Stemmen werden luider in het pleiten voor een boek. Soms werd zo’n pleidooi gewonnen. Soms niet. Een enkele keer was het omgekeerd en was de gelatenheid groot. Dan werd er gezucht en gezegd dat de boeken maar zo-zo waren en wat moeten we dan kiezen? Hier en daar werd gestemd, om die resultaten daarna weer te beredeneren. Boeken werden rechtop gezet, thema’s vergeleken, variatie gezocht. Dik, dun, spannend, poëtisch, prenten, zelf lezen, voorlezen…
Zo’n nominatiedag vinden we spannend, omdat we nooit kunnen voorspellen welke boeken in de nominatielijst terecht gaan komen en welke niet. Waarom sommige boeken het halen en andere niet. Maar naar zo’n nominatiedag is het ook altijd uitkijken. Je ziet mensen die je niet zo vaak ziet. Je praat over boeken en je laat (vooral) anderen praten over boeken. Je glimlacht van herkenning als iemand zich kwaad maakt omdat deze of gene niet wil inzien dat dit of dat boek een meesterwerk is. Je ziet hoe vriendschappen voor het leven gesloten worden op basis van de liefde voor een verhaal.

Na zo’n dag begint dat wat al lang begonnen was nóg eens. Dan checken we in zeven haasten de titels op spelfouten, auteurs, illustratoren, vertalers, uitgevers. Dan scannen we covers, en gaat het hele pakket richting de vormgever die 24 uur de tijd heeft om er een bladwijzer van te maken. Hup naar de drukker, hup goed-voor-druk, hup met ingehouden adem hopen dat je geen dt-fout hebt laten staan, hup dat feest verder in elkaar steken, hup de bladwijzers het kantoor in en twee dagen later het kantoor weer uit dragen en hup: feesten.

En dan is het maandag 21 mei. Dan zit ik moe en blinkend de Facebookreacties op het feest van zondag te lezen en dan zit daar ook deze van selectielezer Richard Thiel bij:
“Dit is de kick van de nominatielezer: dat je een jaar lang boeken leest voor kinderen van 8-12 jaar. Dat je samen met anderen daaruit een lijstje samenstelt met de 10 beste boeken. Dat je ruim een jaar later in een zaal zit vol met enthousiaste kinderen die die 10 boeken gelezen hebben. En dat dan de boeken waarvan je hoopte dat de kinderen er het meest van zouden genieten in de prijzen vallen.”
En zo valt alles in elkaar. En zo gaan we blij het nieuwe jaar weer in.

(An Stessens)

Se eu fosse um livro

se eu fosse um livroEen boek dat vertelt waarom boeken zo bijzonder zijn. Zo simpel kan het zijn. Met niets meer dan een eenvoudige zin en een prachtige illustratie op elke pagina.
We ontdekten dit boek op de Children’s Book Fair van Bologna. Tekst en tekeningen zijn van de Portugese broers José Jorge en André Letria. Het werk van André was te bewonderen in de tentoonstelling ‘Como as cerejas – Like cherries’ van gastland Portugal. Het viel ons meteen op. Sobere kleuren, sterke beelden en als rode draad: het boek. Dát trekt de aandacht.
De zin Se eu fosse um livro (vertaald: ‘Als ik een boek was’) wordt als uitgangspunt gebruikt om op een originele manier te vertellen wat boeken kunnen doen of zijn: ze nemen je mee, open deuren, verbazen je, verwonderen je, werken als spiegels en zijn je redders in nood op een onbewoond eiland.
Kijk even mee. En duim met ons dat dit perfecte cadeauboek voor elke boekenliefhebber ook in dit taalgebied een uitgever vindt. Voorlopig behelpen we ons nog met een snelcursus Portugees.

 

fosse-secretos

Se eu fosse um livro, havia de partilhar com os meus leitores os segredos mais antigos e secretos.
Als ik een boek was, zou ik de oudste en best bewaarde geheimen met mijn lezers delen.

 

fosse-paginas

Se eu fosse um livro, havia de saber de cor todas as histórias que morassem nas minhas páginas.
Als ik een boek was, zou ik alle verhalen die in mijn pagina’s wonen uit het hoofd kennen.

 

fosse-palavras

Se eu fosse um livro, seria um imenso poema que oferecesse às palavras sentidos inesperados.
Als ik een boek was, zou ik een onmetelijk gedicht zijn dat woorden verrijkt met onverwachte betekenissen.

 

fosse-biblioteca

Se eu fosse um livro, gostava de poder crescer sem limites até me transformer numa biblioteca.
Als ik een boek was, zou ik onophoudelijk willen groeien totdat ik me zou ontpoppen tot een bibliotheek.

 

fosse-quarto

Se eu fosse um livro, gostava de ter sempre um lugar reservado no quarto mágico de cada criança.
Als ik een boek was, zou ik steeds een voorbehouden plaatsje willen bezitten in de magische verbeelding [letterlijk: magische kamer] van elk kind.

 

fosse-ilha

Se eu fosse um livro, não me importava de ir para uma ilha deserta com um leitor apaixonado.
Als ik een boek was, zou ik het niet erg vinden om met een lustige lezer op een onbewoond eiland te zitten.

Se eu fosse um livro
José Jorge Letria en André Letria (ill.)
Pato Lógico Edições, 2011

(Tine Kuypers; vertaling: Simon Becquoy)

Laure Van den broeck

Laure Van den broeck, van wie begin dit jaar Birdie (Lannoo) verscheen, woont in Southampton. Een Door het sleutelgat tegen een Engelse achtergrond dus - met een Amerikaans accentje.

*

laure-bureau

Mijn bureau. Alles wat er op deze blog al is gezegd over het verband tussen chaos en creativiteit kan ik beamen.

 

laure-cover

Een detail van een tekening op de cover van een tijdschrift, dat ik aan de muur heb hangen. Mooi he.

 

laure-knuffels

Mijn boekenwelpje, een paar uit een bibliotheek ontvreemde naslagwerken en een vriendje uit mijn kindertijd.

 

laure-huis-amherst

Nog een schrijfverblijf: het huis in Amerika waar ik ‘De zeventiende zomer van Maurice Hamster’ heb geschreven, en waar ik deze zomer heen ga om aan mijn nieuwe boek te werken. Ik ben stapeldol op dit huis en ik wou dat ik er vaker heen kon. Het is helemaal van hout en raakt ‘s winters gezellig ingesneeuwd.

 

laure-ik

De zilveren citadel

Het was mijn moeder – mijn prilste Lezende Voorbeeld – die mij op een dag De jongen die te veel wist (1988, Facet) van Anthony Horowitz cadeau deed, het derde deel van de dolkomische misdaadreeks over het duo Diamant. Jammer genoeg is dat het enige boek van Horowitz dat ik in eigen bezit heb – ik was jong met weinig zakgeld en boeken haalde ik in de bib (*). Dat Diamant-boek was, zo tussen mijn elfde en mijn veertiende, het begin van een langdurige verslaving aan Horowitz’ jeugdromans.

Die waren zo helemaal anders dan alles wat ik daarvoor had gelezen. Misschien was ik één van die jonge lezers die uitgekeken waren op “het geëngageerde, strijdbare, maatschappijkritische boek dat beladen met problemen niet altijd voldoende aandacht had voor het doodgewone ‘leesplezier’”, aldus Karel Verleyen in Het Volk. In elk geval, ruimte voor contemplatie of traag genieten was er niet bij: deze boeken vlogen in volle vaart vooruit, met flink wat actie en een cliffhanger aan het eind van elk hoofdstuk, met waanzinnige gebeurtenissen en personages die te gek waren om los te lopen. En veel tongue in cheek-humor. Sociologisch of politiek relevant waren ze niet, de boeken, moraliserend ook niet, godzijdank. Maar verslavend wel, en hoe!

dezilverencitadelHet was zijn Pentagram-cyclus die me echt overstag deed gaan. Dat moesten “vijf griezelboeken rond vijf paranormaal begaafde kinderen uit de vijf continenten” worden (Lexicon Jeugdliteratuur). Er verschenen er uiteindelijk vier, allemaal bij Facet: Kernenergie voor de duivel (1986), De nacht van de schorpioen (1989), De zilveren citadel (1989) en De dag van de draak (1991). Een vijfde deel kwam er niet. (**) Die vijf kinderen – Martin in Pentagram 1, Pedro in Pentagram 2, de telepathische tweeling Jeremy en Nicholas in Pentagram 3 en tot slot Will in Pentagram 4 – worden zich bewust van de bijzondere krachten die ze hebben. Met zijn Vijven kunnen ze de wereld van de satanische Ouden redden.
Dat derde deel was mij het dierbaarst en dat had met mijn fascinatie voor tweelingen te maken. Ik was zelf graag deel van een tweeling geweest – te veel boeken over tweelingen gelezen wellicht – en anders wilde ik er graag eentje baren later en ja, ze zouden Jeremy en Nicholas heten net als in De zilveren citadel.

Net als in Horowitz’ overige boeken zwaaien in de Pentagram-reeks vijf kinderen de plak. Ouders hebben ze niet (meer). Dat is nodig om de jonge helden boven zichzelf te laten uitstijgen, zo vermeldt Horowitz in meerdere interviews. Zelf groeide hij op in een overbeschermd milieu waarin kindermeisjes en bedienden voortdurend voor hem klaarstonden. Zo kweek je geen zichzelf beredderende kinderen, iets wat de hoofdpersonages in zijn boeken net wel heel goed kunnen. “De hoofdfiguren in mijn boek kunnen zich redden of een zaak oplossen, precies omdat ze op zichzelf zijn aangewezen”, zegt auteur daarover in een interview met Bart Beckers.

De volwassenen in zijn boeken zijn zelden van goede wil en zijn meestal handlangers van het kwaad. Opvallend is dat die handlangers er zonder uitzondering ook karikaturaal slecht uitzien, zoals meneer Banes in De zilveren citadel: “Zijn huid had de kleur van graniet, met daarop een als een scherp litteken een schim van een snorretje, dat meer weg had van een rijtje brandplekken op zijn bovenlip.” (p.12) Dat heeft Horowitz van zijn grote voorbeeld Charles Dickens geleerd, zo vertelt hij aan Bea de Koster in De Morgen:

Dickens heeft van die prachtige, groteske figuren, die toch een zekere waarheid belichamen. Dat probeer ik ook te doen. Het is een soort binnenweg naar het kwaad. Als je geen zes bladzijden wil doen over het beschrijven van een personage en zijn erfenis van ellende en miserie, is het makkelijker en wellicht ook zuiverder om hem als monster ten tonele te voeren. Dat is dus een techniek, mijn techniek.”

Niet dat het karakter van de ‘goeien’ zoveel psychologischer wordt uitgespit, zo merkt Els van Steenberge merkt in Leesidee Jeugdliteratuur terecht op. Aan liefde of vriendschap doen de hoofdpersonages niet – tijdverlies! – en aan uitgebreide beschrijvingen van hun angst- of haatgevoelens heeft Horowitz ook een broertje dood. Dat verklaart Horowitz in een interview met Marita de Steck dan weer als een invloed van zijn held Hergé, de geestelijke vader van Kuifje:

Hergé tekende de decors doorgaans nauwkeuriger dan zijn personages. Ook mijn decors zijn meer realistisch dan mijn personages. Plaatsen zijn belangrijker dan personages en de plot is belangrijker dan de decors én de personages samen. Ik probeer mijn centrale figuren zo ongedefinieerd mogelijk te houden.”

Bij herlezen van De zilveren citadel valt inderdaad op dat Horowitz een kei is in decorbeschrijvingen die bovendien iets over de plot verklappen. Zo wordt de citadel – het gebouw waarin een drugsorganisatie is gevestigd, zo zal later in het boek blijken – op pagina 55 beschreven als een reusachtige injectienaald:

En de resterende vijfenzeventig verdiepingen, die iets breder in doorsnee waren dan de basis, verhieven zich loodrecht hemelwaarts om zich pas op het allerhoogste puntje toe te spitsen in een blikkerende stalen mast, als een naald die de hemel prikte.”

Dat Horowitz beelden creëerde met woorden moet voor mijn elfjarige zelve voldoende compensatie geweest zijn voor de weinig uitgewerkte karakters. Bij herlezen, nu 23 jaar later, ontgoochelde mij dat. Al viel mij nu, als volwassene, dan weer veel meer de geniale, onderkoelde humor op:

Ze stond in de keuken iets te bakken, dat leek op geplette pannenkoekjes. ‘Tofu’, legde ze uit. ‘Daar zit minder cholesterol in dan in eieren. En verder heb ik zoutloze volkorentoast, magere melk en cafeïnevrije koffie.’ Ze draaide het gas laag. ‘Ik zorg nu eenmaal graag goed voor mezelf,’ zei ze.” (p. 37)

De Pentagram-cyclus werd opnieuw uitgegeven als De kracht van Vijf-reeks (**). Nu ja, heruitgegeven is te bescheiden uitgedrukt. De boeken houden de originele verhaallijnen aan, maar zowat 80% van de tekst werd volledig herschreven. De zilveren citadel heet nu Nightrise: wie is er morgen nog in leven? (Facet, 2007), Jeremy en Nicholas heten nu Jamie en Scott. Helemaal zoals het hoort ligt mijn nostalgische hart bij de oorspronkelijke versie. Maar tegelijkertijd ben ik blij dat de elfjarigen van nu hun hart kunnen ophalen aan een modernere versie.

(Fieke van der Gucht)

(*) Happy ending! In 2009 werd De jongen die te veel wist het enige gesigneerde boek uit mijn boekenkast. Ik heb een bloedhekel aan handtekeningen schooien. Maar op 25 maart 2009, toen Anthony Horowitz op de dag van de Literatuureducatie kwam spreken, durfde ik het tóch. ‘For Fieke, eighteen years later’ staat er nu te lezen.

horowitz

 

(**) Happing ending bis! Op 22 februari 2012 twitterde Horowitz: “448 pages. 58 chapters. 202,897 words. That really is it. Oblivion is done.” Het lang aangekondigde vijfde deel uit de Pentagram-cyclus / De Kracht van Vijf-reeks komt er dus toch!

Meer lezen?
Documentatiemap Anthony Horowitz
“Anthony Horowitz: de frisse wind” / Karel Verleyen. In: Het Volk, 5 mei 1988
“De binnenwegen van Anthony Horowitz” / Bea de Koster. In: De Morgen, 24 november 1989
“Ik schrijf om me te amuseren” / Bart Beckers. In: Joepie (bijlage Boekenbeurs), 1990
“Ontsnapping aan een saaie leven: een interview met Anthony Horowitz” / Marita de Sterck. In: Leesgoed 2, 1992, p.67-70.
“Op verkenning in een omgekeerde wereld” / Els van Steenberge. In: Leesidee Jeugdliteratuur 5, 2002, p.202-204
“Authorgraph No. 155 : Anthony Horowitz” / interviewed by Nicholas Tucker. In: Books for keeps : the children’s book magazine (2005), afl. 155 (November), p. 12-13
“Anthony Horowitz” / Jet Marchau en Rita Ghesquiere. In: Lexicon van de jeugdliteratuur, juni 2007, p. 1-9
[Dit, en meer, is te vinden in de bibliotheek van Stichting Lezen.]