Overgave

Veel geleerd de voorbije maand.

Dat ‘worden’ hetzelfde betekent als ‘komen’.
In de verre Westhoek alweer: onzen Dries komt 27 van de jaar en onzen Bram komt ook al 24. Raar, zeg ik. Je komt dus zoveel jaar.
Hoezo? vragen ze. Wat zou het anders zijn?
Worden, lach ik. Iemand wordt tien jaar.
Gelach alom. Ah ja! Worden! Dat kan ook.

Ook vaak geraakt de voorbije weken.

Door de vriendelijkheid van een vrouw, vlak na het ongeval.
De stem en de unieke zinnen van Wannes Cappelle.
De nieuwe Valeria Docampo, zo schoon.
De kwetsbaarheid en de moed – of is dat hetzelfde – van kinderen, ouders, therapeuten in de Bleekweide.
De beelden van Philip Aguirre in Mu.ZEE in Oostende.
Die kinderen van mij, die veel sneller groot worden dan ik kan volgen.
En Staf natuurlijk, die me uitlachte met mijn onvermogen korte berichten in te spreken door zelf een ellenlang en onzinnig bericht achter te laten op mijn voicemail – ik barstte, wachtend op een ijskoud perron, in lachen uit – er kwam gewoon geen eind aan de onzin… Niemand kan me zo doen lachen als hij.

En verder nog een tekening uit het boek Rood van Jan.
Een allenig zwart paard in sneeuwwitte velden.
Een zin uit een mail van Ann.
En de zee. Die vervult me altijd.
En.
En.
Timon_
En misschien het meest nog deze foto.

Een kunstenaar kan ploeteren en proberen, dit is nauwelijks te evenaren.
Hij is het kleintje van mijn jongste zus, danszus Marie in Amsterdam.
Hij krijgt zijn eerste badje en wordt gedragen door de handen van zijn vader.
Hij is volkomen rustig, zoals wij nooit meer rustig kunnen, zullen zijn.
Prachtig is zijn broosheid, wonderschoon zijn overgave, zijn totale vertrouwen.

Mochten we dit, al is het maar een glimp ervan, af en toe nog eens ervaren.
Dat wens ik mezelf en jullie.

Het ga jullie goed.

Graagzien, graagzijn

De carrousel ligt stil, de laatste vertelling is verteld.
En wat zal ik het missen.

De schrik vooraf is alweer vergeten.
Beetje bang was ik, dat de verveling bij de veertigste vertelling misschien zou toeslaan. Dat de kinderen niet betoverd zouden raken. Of dat Bart en Evelien niet zo aardig zouden zijn als hun foto beloofde.

Ik ga het natuurlijk alleen maar missen.
De drukte, het duidelijke doel, de magie van de eerste zin.
Die heerlijke Bart en Evelien, en het ‘wij zitten in hetzelfde schuitje’-gevoel.

Ik had het als kind al.
Bang vooraf. Al met al toch snel verknocht. Spijt als het afloopt. Heimwee achteraf.

luisterkindjes

- Luisterkinderen in Schoten -

Hé! We moeten leren leven in het nú, zeggen ze.
Ik probeer het, ik probeer, het lukt me vaak, hoor.

Maar ik hou zo van heimwee en verlangen, pak het me niet af.
Zou het hier niet dodelijk saai zijn, zonder hunkering en fantasie, zonder weemoed en herinnering? Even onmisbaar als zon in de lente is het kunnen dromen van wat nog kan, en de heimwee naar wat nooit meer kan. Dat allemaal te kunnen voelen…

Net daarom ben ik hier zo graag.

Er zijn nachten van slaap en nachten van wakker

En ik moest denken aan Jan.
’k Heb hem maar een beetje gekend en vooral op het eind.
Toch was zijn impact groot, hij zindert na. Hartverwarmend.
In zijn lachen, praten, schrijven, vloeken.

Zijn zoon zei het puur en simpel.
Laten we doen zoals hij. Laten we vloeken, maar niet zeuren, vooral níét zeuren.
Laten we het leven volop leven – schoon, triest, teder, fel – met veel humor, veel graagzien.

In mijn bureau staat, als geheugensteun aan dat verzoek, het kaartje met de foto in zwart-wit. Blije grijns, glimp weemoed in de ogen – en het blijft. Het maarnietkunnengeloven.

Gelukkig voor ons is er dat ene verhaal, waar je hem dwars doorheen leest.
In dat boek over die jongen van tien zit ongelooflijk veel Jan.

Er zijn verhalen van heimwee en verhalen van troost,
en dat ene is het allebei.

Met oprechte excuses aan de engelen

Er zijn er heel veel toffe bij, echt waar.
Schatten van mensen die hun kinderen aanmoedigen en ze enthousiast en liefdevol van alles leren. Engelen van juffen en juwelen van meesters die houden van verhalen, van vertellen en verzinnen – de boekenjuffen op kop.

Maar je hebt er ook uitgebluste draken tussen zitten. Da’s ook echt waar. (En met leeftijd heeft het absoluut niets te maken. Er zijn bijous van opa’s en oma’s onder de meesters en juffen.)
Het zijn meestal juffen, het moet gezegd.

De kinderen luisteren met open mond. Ze zitten helemaal in de magie van het verhaal, ze springen op om mee te denken, de fantasie op scherp. Ze zien de kleinste details, horen de betovering achter de woorden.
Ze willen het weten, hoe het allemaal is…
Maar dan die juffen.

Ze zitten.

En meer kun je er eigenlijk niet over zeggen.

Gelukkig

Het is lente of we denken toch alsof. En de zon schijnt en er ligt een ongelooflijk, wonderschoon boek op tafel. En ik mag het vertalen.
Het Hoera!gevoel dat daarbij hoort, kan ik nauwelijks omschrijven.

Ik heb in ieder geval meteen mijn hart verloren, en niet zo’n klein beetje.
Hoewel er deze dagen vooral verteld moet worden, en opgetreden en voorgelezen. Hoewel er nu geschreven moet worden, gewrocht en gezocht naar woorden voor Khing (inderdaad). Allemaal heerlijk om te doen, absoluut. Toch gaat het nog amper.

Dat ene boek laat me niet meer los. De woorden en zinnen en beelden – die beelden! – ze vragen om aandacht en schoonheid en weergave in een nieuwe taal. Ik kan het niet meer wegleggen, verslavend is het. Het zoeken naar diezelfde sfeer in ons soms onbehouwen Nederlands, dat tegelijk ook zo prachtig, krachtig en poëtisch kan zijn.

Enfin, ik kan bijzonder gelukkig worden van vertalen.

*
*
*

(Een detail anna-en-de-vogelman als amuse.)