Conversatie met Sven Gatz

Sven Gatz keurt massa’s projecten van jonge kunstenaars af. Die kunstenaars dienen dossiers in. Die dossiers worden goedgekeurd. Die dossiers worden dubbel goedgekeurd. Maar Sven keurt ze af.
‘Ik heb geen geld’, zegt Sven. ‘Ik heb maar een miljoen drie.’

Lotte Heijtenis HOOGTIJd Sven Gatz!

Het water staat kunstenaars aan de lippen

Ik beeld me volgende conversatie in.

‘Heb je maar één miljoen drie, Sven?’
‘Dat klopt.’
‘Dat is weinig.’
‘Veel te weinig.’
‘Waarom heb je niet beter onderhandeld, Sven? Dat is toch je job als minister van cultuur?’
‘Ja. Maar het is ingewikkelder dan dat. De begroting. De tering naar de nering. Geen nieuwe belastingen en zo. Het is ingewikkelder dan je denkt.’
‘Wat ik niet begrijp is dat jullie massa’s geld geven aan mensen die het niet nodig hebben. Neem de schenkingsrechten. Een record aantal mensen schenkt zijn bedrijf weg en betaalt daar geen belasting op. Zo schenken jullie toch een pak poen aan mensen die nu al niet weten wat gedaan met hun geld?’
‘Ze geven die bedrijven aan hun kinderen. Dat is toch leuk voor die kinderen?’
‘Neem de korting op de bedrijfsvoorheffing dan. Belfius krijgt 36 miljoen, las ik. Volvo 14 miljoen. Wat doen ze met dat geld?’
‘Jobs creëren.’
‘Hebben ze dat beloofd?’
‘Nee, dat willen ze niet. Dat kunnen ze ook niet, dat moet je begrijpen.’
‘De OESO zegt dat ze het zullen uitdelen aan hun aandeelhouders.’
‘Dat is niet de bedoeling.’
‘Ze moeten op zijn minst toch een dossier indienen? Een dossier dat dubbel goedgekeurd moet worden?’
‘Nee, natuurlijk niet. Ondernemers toch zijn geen kunstenaars of zo?’
‘Dus ze krijgen dat geld zomaar, gratis?’
‘Zo mag je het niet zien.’
‘Hoe dan wel, Sven?’
‘Dat is geen geld. Dat is zuurstof.’
‘Wat?’
‘Geld voor ondernemers noemen we zuurstof.’
‘Oké, zuurstof dan. Maar die ondernemers moeten toch iets doen voor dat zuurstof – geld – dinges? Ze moeten er toch voor werken?’
‘Dat is ook weer niet de bedoeling.’
‘Hoezo?’
‘Die zuurstof dient om andere mensen te laten werken.’
‘Voor hen?’
‘Ja.’
‘Zodat ze dus nog meer geld verdienen?’
‘Euh… Ja. Als je het zo stelt klinkt het inderdaad wat vreemd.’
‘Maar dan snap ik nog altijd niet waarom jij niet een stuk van die immense pak poen, waar die ondernemers toch geen idee hebben wat ze ermee zullen doen, gebruikt om zelf mensen aan het werk te zetten? Kunstenaars bijvoorbeeld. De overheid kan toch ook investeren? De overheid kan toch ook jobs creëren? Dat was zo in de jaren zeventig. Dat werkte toch prima? Dat zeggen alle economen.’
‘Ja. Maar je vergeet, dat was Keynesiaanse economie. Daar doen we niet meer aan. Nu doen we Thatcher.’
‘En wat moeten die kunstenaars dan, die geen zuurstof krijgen?’
‘Ze kunnen gaan werken, toch?’
‘Bij Belfius of Volvo dan?’
‘Waarom ook niet? Een mooie bankrekening is toch ook kunst? Volvo’s zijn mooie auto’s. Ik zie graag een Volvo. En vergeet de gevleugelde woorden van Churchill niet.’
‘Wat waren die dan?’
If not for our bank accounts and cars, then what are we fighting for?
‘Ik denk dat Churchill kunst bedoelde.’
‘Echt?’
‘Churchill wilde niet snoeien in subsidies voor kunst.’
‘Dan moet Churchill geleefd hebben in budgettair makkelijkere tijden dan de harde tijden waar wij nu onder leven.’
‘Hitler bombardeerde Londen. Een miljoen huizen stonden in brand. Enkel St Paul’s Cathedral stond overeind.’
‘O?’
‘Nou, Sven, het was leuk met je praten, maar wat ik denk is dit: verplicht al die ondernemers die gratis geld krijgen en er geen jobs mee creëren dat geld te investeren in kunst, in plaats van het uit te delen aan hun aandeelhouders. Want dat is wat ze zullen doen. Dat zeggen alle economen. Dat zegt de OESO. De Vlaamse kunst zal floreren als nooit tevoren.’
‘Ja, zèg. Doe nou niet absurd.’

Het vervelende aan schrijven

Is om half drie half wakker worden met een idee voor Odessa III, je nieuwe prachtboek, en het slaapdronken proberen te onthouden.
Naar je pen wil je niet grijpen, want dan word je wakker. En wakker wil je niet worden, want dan ben je ’s anderendaags moe. En een schrijver die moe is, is als een jogger die een marathon loopt in de modder.
Maar onthouden heeft geen zin, dat weet je. Zodra je inslaapt, ben je alles vergeten. Maar je probeert het toch, want het is een goed idee, en als je het niet onthoudt, komt het nooit meer terug. Want zo zijn ideeën: ontrouw als allumeuses.
Maar misschien is slapen wel het beste, denk je – nog altijd slaapdronken, want in die toestand moet je blijven tot je een beslissing genomen hebt –, want die ideeën die je ’s nachts hebt, wees nou eerlijk: overdag lijken die nergens op.
Maar het idee voelt je gebrek aan liefde en beslist te vervagen. Dus grijp je naar je pen en schrijft. Dwars over andere zinnen heen, zodat je de volgende dag waarschijnlijk noch je idee, noch die andere zinnen kan lezen. Maar dat zie je dan wel.
Je draait je tevreden om, en denkt: het kan nog net, weer in slaap vallen.
Maar dit is wel een mooie anekdote voor de blog, denk je.
Die moet ik onthouden…

Alarm!

Ik zit in het huis van een vriend bij het zwembad te schrijven.
Ik wil iets uit de ijskast, maar krijg het alarm niet af.
Sirenes loeien, binnen en buiten.
De telefoon rinkelt.
Ik vind hem niet. Hij zit verstopt achter een gordijn.
Ik bedenk dat ik misschien beter even wacht met zwemmen.
En inderdaad, even later wandelen twee agenten het erf op, revolvers losjes in de holster.
‘Hallo’, zeg ik.
‘Er was alarm’, zegt de ene agent.
‘Dat was ik’, zeg ik.
De agent knikt.
‘Ik kreeg het niet af’, zeg ik. ‘Ik vond de telefoon niet. Hij zat verstopt achter een gordijn.’
‘En u bent?’ vraagt de tweede agent.
‘Een vriend. Ik let op het huis. Ik ben schrijver.’
‘Schoon huis’, zegt de tweede. ‘Ik zou hier ook wel willen wonen. Dat moet hier wat gekost hebben.’ Hij tikt zijn schoen op het terras. ‘Die tegeltjes, dat is iets voor mij.’
‘Alles is vernieuwd’, zeg ik. ‘Het dak, het gebinte. Alles moest eraf.’
‘Schoon ramen ook’, zegt de eerste.
‘Ook nieuw’, zeg ik.
De agent knikt goedkeurend.
Ik wijs naar boven, naar het torentje. ‘Daar zaten kerkuilen.’
‘Identiteitskaart?’ vraagt de tweede.
‘Die heb ik niet bij’, zeg ik. Ik heb ze wel bij, maar ze zit in een tas en ik heb geen zin ze te zoeken.
De agent haalt zijn boekje tevoorschijn. ‘Schrijver dus. Naam?’
Van Peter Van Olmen zal hij nooit gehoord hebben. ‘Bart Moeyaert’, zeg ik.
‘Geboortedatum?’
Bart werd onlangs vijftig, dat was op televisie. Ik geef een vijftigklinkende datum op. Als je begint met liegen, moet je volhouden.
De eerste agent belt ondertussen de alarmcentrale. ‘Het duurt lang’, zegt hij. Dan kijkt hij verbaasd naar zijn collega. ‘Ze gelooft niet dat we van de politie zijn.’
Zijn collega denkt na. ‘Natuurlijk. We bellen zonder nummerherkenning.’
‘Maar waarom zouden we bellen, als we niet van de politie zijn?’ zegt de eerste.
‘Inderdaad’, zegt de tweede verwonderd.
Ik steek mijn hand uit. ‘Geef’, zeg ik. ‘Ik regel het wel.’
De agent geeft me zijn telefoon.
‘Het is in orde’, zeg ik. ‘Ze zijn van de politie.’
‘En u bent?’ vraagt het meisje aan de andere kant. Haar stem klinkt jong.
‘Bart Moeyaert’, zeg ik. ‘Ik let op het huis.’

Daahaag Kyra, Welkom Peter!

Juli is voorbij; het is tijd om afscheid te nemen van onze gastblogger Kyra. Wie haar eerder nog niet ontmoet had, weet nu dat het haar aan enthousiasme en gedrevenheid niet ontbreekt. Bedankt Kyra, en bedankt Leesweb, voor de fijne bijdragen.

Over naar augustus nu, en augustus brengt auteur Peter van Olmen op ons blog. Hij heeft ons onder andere flash fiction beloofd (ja, dat mag u googlen als u dat wilt). Peter, het woord is aan jou.