Steinkopf

Amper is bijna. En bijna is amper.
Geen wonder dat er iedere dag minstens twee dingen anders lopen dan gepland. Niet dat het erg is. Integendeel.
Maar één klasbezoek in plaats van twee. Vertrekken om 10u, 11.45u of toch maar 10.55?
Eten we vanavond braai?
Goed.
Nee, geen braai, we krijgen afval?
Afval?
Ken je dat niet? … Onderdelen van een schaap. De dingen waar zelfs een jakhals niet aan begint. En daar toch een stoofpotje van maken.
Lekker? Hmmm, nie lekker nie.

Het schoolbezoek van 11u start om 14u.
Een hoêrskool is het. En nog een naschoolse activiteit ook. Toch zijn er ruim honderd leerlingen gebleven voor het overzeese bezoek. Ook kan ik ondertussen een ontmoeting met Jan Braai op mijn naam schrijven. Zo’n beetje de Jeroen Meus van Zuid-Afrika. Een hippe televisiemaker die de eindeloze mogelijkheden van de braai onderzoekt. We lopen elkaar tegen het lijf in de ontvangstruimte van een radiostation. Een camera-man in zijn kielzog. Een skrijver uit Vlaanderen, zegt hij. En dat hij op zoek is naar Flandria-fiets. En of ik al gebraai heb? En wat ik dan gegeten heb? Ik maak er me vanaf met een groentengrapje.

’s Avonds zijn we te gast in Steinkopf. Een klein dorpje in het weidse Namaqaland. Onze tourbus stopt voor een huisje in grijze betonblokken. Er hangen een stuk of wat jongeren rond. Niet bepaald een grote opkomst, al is het decor prachtig. Mild, goudkleurig zonlicht. Een vlakte strekt zich uit tot aan de horizon. Opeens is er muziek. De jongeren beginnen te dansen. Namastap. Volgt u ons maar. Er klinkt gejuich en enthousiast geroep. In de stoffige achtertuin blijkt de hele buurt te zijn samengekomen. Jong, oud. Wij krijgen een ereplaats, kussens op bierbakken. Er volgt een wonderlijke avond. Met dierentemmers, een kaal (lees; bloot) spook, de diamantslang, incest, iets onverstaanbaars, Antoon & Mirabella, een gedicht over de bloemen, dans.

Licht uit

De avond eindigt in het donker. Een plotse stroompanne
die hele streek in duisternis hult.
Het programma wordt niet gewijzigd.
Stoelen worden dichter bij elkaar geschoven, een flits (zaklamp)
zorgt voor net genoeg licht.
Het is het andere luik van deze reis; storytelling-avonden. Avonden waarop wij
en een aantal, telkens andere, lokale vertellers/ performers ons ‘ding’ doen.
In het aftandse zaaltje zijn er ongeveer honderd mensen opgedaagd.
Kinderen, vrouwen, mannen en een pastor die de avond opent.
Achteraf is er geen twijfel over de uitslag.
Lokale vertellers – wij: 1-0
Niet dat het een wedstrijd is, laat staan dat we willen winnen.
Maar toch.
Op onze verhalen en gedichten wordt er gereageerd met
zachte instemmende oh en ahs en voorzichtig gelach.
De lokale vertellers, voor ons overigens zo goed als onverstaanbaar,
zorgen voor gebulder, diepe zuchten en heftig knikken.
We worden er ietwat onzeker van.
Dingen als rijm en ritme gaan grotendeels verloren.
Finesses in taal en verhaal kunnen we niet overbrengen.
Wat doen we hier eigenlijk?
Moenie worry nie, zegt Elias Nel.
Hij weet zeker dat de mensen hier, in deze stoffige kansloze uithoek,
zich de avond lang zullen herinneren.
Wat gaf het dat ze niet alle woorden begrepen,
dat er stukken verhaal de mist ingingen.
Ze waren erbij, toen, die gedenkwaardige avond met
die vertellers en skrijvers uit het onvoorstelbaar verre Nederland en België.
Goed dan.

De kop eraf

Het is een land van verschillen. Dat er bijvoorbeeld 11
officiële talen zijn, waarvan het Afrikaans er één is. Wat
overigens niet wil zeggen dat het één taal is. Zoals weinig
talen dat zijn. Dialecten, verschuivingen in klank en betekenis.
Het verschil tussen goesting en zin.
Hier in de Noordkaap zeggen ze windbreek. In het ruwweg 1500
kilometer zuidelijker gelegen Pretoria is een boer een windopbreek.
Ongeveer uitgesproken als wiendopbrek.
Voor het woord vegetariër is er geen vervanger. Tenzij ongeloof.
Tenminste, met die blik kijkt de vrouw van het buffet me aan wanneer
’s morgens blijkt dat ik nog leef. Ook al heb ik gisterenavond geen
vlees gegeten.

De eerste school die we bezoeken ligt in het plaatsje Nababeep. De gatkant van de wereld; warm, dorre heuvels, wind, kopermijnen.
Het is een eenvoudig gebouw op het eind
van een stoffige straat. Kinderen in groen-witte uniformen doen
wat kinderen doen tijdens de pauze.
Natuurlijk kijken ze op als ons gezelschap arriveert.
Elias Nel en ik mogen naar groep 5.
Tussendoor! De bedoeling van dit storytelling-project is communicatie.
Dat is het doel van een gsm-abonnement natuurlijk ook.
Van ons wordt verwacht dat we verhalen vertellen, aldanniet
gebaseerd op onze boeken. En dat we de kinderen uitnodigen,
aanmoedigen, uitdagen om zelf ook met verhalen te komen.
Onderliggend is er het verhaal van de verwantschap
tussen het Nederlands en het Afrikaans. En natuurlijk dat er
héél beroemd bezoek is uit het onvoorstelbaar verre België en Nederland.

Alleen dwazen trekken na één bezoek al conclusies. Daarom.
De gelijkenissen met een (gewoon) schoolbezoek in Vlaanderen zijn
groter dan de verschillen. De verschillen in de taal zijn een stevige handicap.
Voorlezen lukt niet. En vrijwel alle antwoorden die de kinders geven,
moet Elias voor me vertalen.
Een meisje dat vertelt over de slepende voetstappe die ze hoorde
terwijl ze haar tanden poetste. En dat er nadien niemand bleek te zijn.

Zelf kleur ik mijn verhalen iets eenvoudiger in en doe regelmatig beroep op
Elias. Wat is het Afrikaanse woord voor boterham, keuken, raam?
(toebroodjie, kombuis, venster)
Maar verder… De kinderen weten wat wolven en adelaars en spoken zijn.
Af en toe kijken ze voorbij die rare blanke man met zijn malle taaltje,
dan hebben ze alleen nog oor en oog voor het verhaal.

Ook de collega’s blijken achteraf baie tevreden.
En daarvan krijgen we niet alleen dorst, maar ook honger.
Een stevig stukkie vleis, behalve voor die arme skrywer uit België.

Okiep

Zondagavond. OKiep.
Met Elias Nel erbij is ons gezelschap compleet.
Kan morgen eigenlijk het echte werk beginnen.
Niemand die weet hoe het zal lopen.
De kloof tussen het Afrikaans in deze streek (Noordkaap)
en het Nederlands/ Vlaams is baie groot.
‘Zeg weer?’
‘Wablieft?’

Tot nu toe was het vooral een culinaire roadtrip.
Gekruid met enige geschiedenis, dankzij ons bezoek
aan de Homo-Naledi.
Verder:
– eindeloze kilometers (1400)
– Braai.
– Springbokken en stokstaartjes.
– Duizend ideeën voor nieuwe boeken.
– Gezang.
– Eten.
– Koffie.
– Lezen.
– ergens arriveren.

Dadelijk moeten we nog vragen naar de instructies.
Zijn er onderwerpen taboe? Zaken die we zeker moeten aanhalen?
Over valse vrienden weten we ondertussen genoeg.

Winter

Bij stukje en beetje vallen we neer uit de lucht.
Philip Hopman en Ted van Lieshout uit NL, Anzil Kulssen
die overvloog vanuit de Noodkaap-provincie, Hans Eichbach
komt over vanuit Namibië en ik.
Er zijn de vragen die schrijvers elkaar stellen. Waarmee, hoeveel,
royalties.
Er zijn vliegtuigverhalen over snurkers en een
ontstellend gebrek aan beenruimte.

Het is het einde van de winter hier in Zuid-Afrika. In Pretoria
betekent dat vandaag een graad over dertig. Uitstekend weer
om – in afwachting van – een wandeling te maken met de
lage-landen-delegatie. Drie blanke heren. Op herhaaldelijk verzoek zijn we
(ruim) voor zonsondergang terug in het guesthouse.
Te gevaarlijk.
Bovendien moeten er verhalen verteld worden. Een
‘informele’ avond in het Pretoria Boekhuis; boekhandel en uitgever tegelijk.
Op het programma zowel Boer Boris, het achtergat van de aarde,  22 wezen,
de veertien talen van Namibië en de Vindeling.
Er wordt gelezen en verteld in het Nederlands
en het Afrikaans, doorspekt met Engels en Xhosa.
Een kleurrijke mengeling van talen en geschiedenissen.
Natuurlijk verstaat niet iedereen alles.
De lacunes overbruggen we met herhaling, goodwill en Kaapse wijn.

Lekker slaap, zeggen ze hier.