Niet meer nu

Na een maand van relatieve rust is het weer druk rond Doodgewoon. Er staat een CD op stapel, begraafplaats Rhijnhof in Leiden is bezig met het ontwerpen vijf diaviewers waarin beelden en teksten uit het boek geprojecteerd zullen worden, Ford Vechten bij Utrecht maakt zich klaar voor een expositie en in het Belgische Mechelen is Willem Verheijden druk doende met het op de kaart zetten van de (school)voorstelling die op 6 november van het vorige jaar in première ging. Niet eerder was een boek van mijn hand zo’n succes en waren er zoveel verschillende soorten nevenactiviteiten.

Veel mensen blijken door de teksten geïnspireerd te worden tot het schrijven van muziek. Van Overal en nergens zijn mij inmiddels drie liedversies bekend en er bestaan er vast nog meer. Mooi om te zien dat een boek over de dood op z’n manier een eigen leven gaat leiden.

Zelf ontdek ik dat ook het schrijfproces doorgaat. Door de voorbereidingen voor de CD bijvoorbeeld, omdat een lied om een andere omgang met de tekst vraagt dan een gedicht. In liederen speel ik graag met herhaling, verspringend metrum, een refrein. Maar ook los daarvan borrelen er soms ideeën in me op die om aandacht vragen. Zo liep ik korte tijd terug door een winters boslandschap en vroeg me af het het kwam dat je mensen die dood zijn kort na hun overlijden steeds lijkt tegen te komen. Hé, daar heb je Jan! Maar wacht eens even? Dat kan helemaal niet, Jan is dood… Waarom had ik daar geen gedicht over gemaakt? Als wandelend kwam het gedicht alsnog. Het werd een lange wandeling, met veel momenten van stilstaan en notities maken. Het kan niet meer in het boek, maar misschien nog wel als lied op de CD.

Niet meer nu

Ik zie je in de tram met iemand praten.
Ik zie onderweg naar het station.
Ik zie je staan in drukke winkelstraten.
Ik zie je op een overvol perron.

Ik zie in de zon op een terrasje.
Je loopt gewoon voorbij, je ziet me niet.
Je draagt dat dure, donkerbruine jasje.
Ik dacht dat je het was. Je bent het niet.

Ik zie je in je eentje in de regen.
Ik zie je met een zwarte paraplu.
Ik kom je altijd zomaar ergens tegen.
Je was het toen, je bent het niet meer nu.

Ik zie je overal, maar ik vergis je.
Je was het niet. Je bent het niet. Ik mis je.

De moed der wanhoop

De zus van iemand die ik goed ken stapte vorige week uit het leven. In het bericht dat wij kregen stond een van de gedichten uit Doodgewoon, mijn rijk geïllustreerde bundel gedichten voor kinderen over de dood in al zijn facetten. Dit ontroerde me zeer. Mijn gedicht had anderen geholpen bij het vinden van  woorden voor een intens verdrietig bericht.

Op eigen kracht

Ze heeft het zelf gewild.
Ze heeft het zelf gedaan.
Ze heeft ervoor gekozen
om op eigen kracht te gaan.

Het was niet onze schuld.
Dat schreef ze in haar brief.
Het lag aan haar. Ze kon niet meer.
Ze vond ons superlief.

Het lag alleen aan haar.
De dagen deden zeer.
Het leven was te zwaar.
Ze kon gewoon niet meer.

Ze kon niet meer ontvangen
wat wij haar wilden geven.
Ze trok de stoute schoenen aan
en stapte uit het leven.

(uit: Doodgewoon, Gottmer Haarlem 2014)

Ik weet nog dat ik het gedicht schreef. Een gedicht over zelfdoding in een bundel voor kinderen, kon dat wel? Het kon, vond ik. Het moest zelfs. Ik wilde met het boek immers alle facetten van de dood laten zien. Zelfdoding hoort daar bij.
De woorden kwamen als vanzelf.  Het was geen kwestie van woorden vinden voor wat ik wilde zeggen, het was andersom: de woorden dienden zich aan en vertelden me wat ik te zeggen had.
Het waren woorden waar kracht uit sprak. Zelf kiezen voor de dood is geen laffe daad. Er is moed voor nodig. Je trekt de stoute schoenen aan en stapt uit het leven, met de moed der wanhoop.

Het is mooi om te merken dat mensen troost putten uit mijn boek. Toch heb ik het niet met dat oogmerk geschreven. Ik kan mij helemaal vinden in de woorden van onze Dichter des Vaderlands Anne Vegter, die in het tijdschrift Lezen (jaargang 10 nummer 3) zegt: ‘Gedichten kunnen niet troosten, denk ik, maar wel nieuwe kanalen openen in je hoofd en je anders naar dingen helpen kijken.’

Inspiratie

Wie een mooi verhaal of een sprankelend gedicht wil schrijven heeft inspiratie nodig. Zonder inspiratie geen literatuur en geen poëzie. Maar waar haal je die inspiratie vandaan?
Ik stel mijzelf die vraag nooit. Anderen stellen hem mij wel. Heel vaak zelfs.
Op sommige plekken is kennelijk meer inspiratie te halen dan op andere. Voor in de natuur schijn te inspiratie voor het oprapen te liggen. Tijdens mijn vakanties in de bergen hoor ik vaak: Je bent hier zeker inspiratie aan het opdoen? Nee, zeg ik dan. Integendeel. Ik ben op vakantie.

Inspiratie betekent letterlijk: inademing. Je kunt dus nooit geen inspiratie hebben.
In elk geval niet zolang je nog adem haalt. Ik vind dat een geruststellende gedachte.
De kunst is niet om inspiratie te krijgen, maar om er iets mee te doen. Om uit alle ideeën die de hele dag door inademt er eentje te kiezen en daar mooie zin of een boeiend personage van te maken.
Uiteraard gebeurt het wel eens dat het niet wil lukken. Ik zeg dan nooit dat ik geen inspiratie heb. Ik heb gewoon mijn dag niet. De ideeën laten zich niet vangen en de woorden laten zich niet vinden. Dat wil niet zeggen dat ik die dag niets schrijf. Ik heb altijd nog mijn vakmanschap om op terug te vallen. Ik ga sleutelen aan een tekst die om afwerking vraagt, een hoofdstuk corrigeren of een rijmend prentenboek vertalen.

Veel mensen die graag een boek zouden willen schrijven lijken ‘geen inspiratie hebben’ te gebruiken als excuus voor een gebrek aan vakbekwaamheid, doorzettingsvermogen, geduld. In de Dikke van Dale staat achter het woord inspiratie: gevoel hoe men een klus, met name het maken van een kunstwerk, kan aanpakken. Ik vind dat een mooie definitie.

Natuurlijk zijn er dingen die mij inspireren. Een boeiende film, een goed geschreven boek, een fijn gesprek, een gezellig etentje met vrienden, een mooie wandeling. Ze brengen me niet perse op nieuwe ideeën. Ze geven me ruimte, maken me open, geven me rust. Die rust en die ruimte heb ik nodig om adem te halen, om mijn ideeën vorm te geven en om met wat ik schrijf op mijn beurt anderen te inspireren.

Mot

Hallo, ik ben de nieuwjaarsmot.
Heb jij nog iets te eten?
Een broek die oud is en kapot,
een sok die is versleten,
een enge droom, een zere tand,
een sombere gedachte,
een valpartij, een misverstand,
je slapeloze nachten,
geschaafde knieën, klein verdriet,
gekookte melk met vellen,
iets wat je liever niet
aan iemand anders zou vertellen,
een foute grap, een flauwe mop,
de knopen in je haren…

De nieuwjaarsmot eet alles op
wat jij niet wilt bewaren.
Ze eet het op van kop tot staart.
Ze slokt het zo naar binnen.
Want wie het eindeloos bewaart
kan nooit opnieuw beginnen.