De wereld is bang van een vrouw met een boek – Mayada Srouji

Ik begreep deze zin een lange tijd niet. Waarom zou de wereld bang zijn van een vrouw met een boek? Welke bedreiging zou zo een vrouw kunnen vormen? Het leek me vreemd om zoiets te stellen. Ik weet niet of het een zegen of een vloek is dat ik deze zin nu diep begrijp, meer nog: het is een zin die me blijft achtervolgen. Het is een deel geworden van wie ik ben. Ieder boek dat ik lees is een onderdeel van mijn rebellie, iedere boek vormt en kneedt me. Het maakt me meer en minder Mayada, het bevestigt wie ik ben en verwart me nadien weer volledig. De boeken die ik lees, zorgen ervoor dat ik mezelf als een onbeschreven blad, zonder vooroordelen, verplaats in een andere wereld. Ik kijk met grote ogen rond me, observeer alles goed en ga ieder hoekje verkennen. Nadien word ik achtergelaten als een blad met gekrabbel in alle kleuren, onleesbare woorden en inktvlekken. Een gekreukt blad. Iedere dag opnieuw. En dat is voor mij de magie van boeken. Je reist door tijd en ruimte, niemand kan jouw reizen verstoren of belemmeren. Ik lees op de trein, in mijn bed, in een hippe koffiebar of achter mijn laptop. Ik neem de woorden op, reflecteer en voel zoveel emoties op hetzelfde moment. Geluk, verdriet, woede en strijdlust. Alles lijkt anders te moeten en dat lijkt mogelijk in de wereld van boeken. Maar onze wereld wil de woorden niet lezen en onze stem niet horen. Het is bang van verandering.

Een vrouw met een boek is een bedreiging, omdat ze heeft gekeken door het deurgaatje naar een betere wereld. Een rechtvaardigere wereld, waarin ook zij belangrijk is. Het heeft me enkele boeken gekost totdat mijn verwarring kon veranderen in begrip, maar het was iedere identiteitscrisis waard. Het was en is het waard dat ik twijfel aan alles, dat ik alsmaar meer en genuanceerdere antwoorden wil op mijn vragen.

“Dat boek leerde me dat ik door te lezen veel intenser kan leven. Het zou me mijn zicht kunnen teruggeven, dat ik verloren was. En enkel omwille van die reden, veranderde een boek, dat voor niemand belangrijk was, mijn leven.” – Carlos Ruiz Zafón, De Schaduw van de Wind (vrije vertaling)

Ik ben meer dan enkel een vrouw, ik ben een universum aan nieuwsgierigheid.
Voor veel vrouwen is de toekomst al op voorhand ingevuld in een geschrift dat niet van hen is. Ze hebben nooit een andere taal mogen leren lezen dan de taal waarin er tegen hen al van kleins af aan gesproken wordt; een taal die universeel is: die van dominantie, macht en onderdrukking. En wanneer een vrouw, als een vogel die haar kooi ontsnapt, de taal van vrijheid en zelfwaardigheid leert te spreken, ontdekt ze al snel dat niet veel anderen in haar omgeving begrijpen wat ze zegt. Ze wordt een buitenstaander, verdacht, deviant en uiteindelijk een bedreiging: wat als nog vrouwen haar taal leren spreken en ontsnappen? Wat als ze leren dat ze meer zijn dan de voor hen vooropgestelde doelen?

Neem me nooit mijn wereld af

Boeken lezen kan gevaarlijk zijn in de ogen van anderen, maar het is vooral zeer verrijkend en noodzakelijk. Vaak zijn boeken de spiegel van onze ziel, het toont ons waar we diep vanbinnen naar op zoek zijn en naar welke kennis we echt verlangen. Het toont ons wat ons passioneert, verontrust of verwart. Soms maken we een wandeling door fijne bloementuinen, en lezen we boeken die ons opluchten, en andere keren wandelen we op een hobbelig en ongekend pad, tussen de witregels in boeken, die onze vragen beantwoorden met nog complexere vragen.

Maar die werelden hielpen me te zijn wie ik nu ben. De keuzes die ik maak in de bibliotheek, de hoofdstukken die ik markeer als onbelangrijk en waar ik snel doorheen blader, het aantal keer ik een tekst nogmaals lees: deze gegevens geven mijn ziel bloot.

Zolang ik kan blijven lezen en de wereld van boeken kan betreden, zal het me blijven bevestigd worden dat hoe eenzaam iemand zich ook kan voelen in zijn overtuigingen, er altijd duizenden boeken zijn die het tegendeel zullen bewijzen.

Mayada Srouji is studente Arabistiek en Islamkunde aan de UGent en redactrice bij Mvslim.com, een platform voor moslims met een kritische stem, dat jongeren wil inspireren en motiveren en bruggen wil bouwen in tijden van negatieve berichtgeving. Daarnaast schrijft ze over onderwerpen die haar nauw aan het hart liggen: gendergelijkheid, minderhedengroepen binnen grotere samenlevingen, islamitische filosofie en veganisme.

De missie van de boekhandelaar – Iris Van Germeersch

Enkele keren per jaar kom je als boekhandelaar met uitgeverijen samen om de nieuwe oogst aan boeken te keuren en aan te kopen. Een moment waarop je je collectie samenstelt op basis van rationele factoren zoals de te verwachten wensen van je klanten, de bekendheid van de auteur of de reeds bereikte resultaten van een boek in het buitenland. Noem het de economische noodzakelijkheden. En dan resten er nog die boeken die je selecteert omdat je er blij van wordt; omdat de verhalen je raken en je onder de indruk bent van illustraties of vormgeving. Dat zijn de boeken die je met je hart kiest, die mentale zuurstof geven, die het enthousiasme levendig houden. Boeken die je vooral ook graag met je klanten wilt delen.

Kinderen enthousiast maken voor boeken vraagt extra aandacht en begeleiding. Behalve enkele toppers weten ze doorgaans niet wat er allemaal bestaat; ze hechten minder waarde aan namen van auteurs en gaan veel meer af op de eerste indruk. Velen beslissen binnen nauwelijks meer dan een paar seconden tussen ja of nee. Vanzelfsprekend komen ze dan gemakkelijk uit bij wat ze op televisie hebben gezien en vooral wat ze van vrienden hebben gehoord. Ook hun ouders en grootouders spelen liefst op veilig en dat is vaak het conformerende meisjes- of jongensboek. Daar is natuurlijk helemaal niets mis mee. Je mag als meisje heerlijk genieten van een paardenverhaal over een pony met roze glittermanen en als jongen enthousiast worden van een spannend avontuur over ridders die het tegen aliens moeten opnemen.

Maar het kinderboek moet er ook zijn om nieuwe deuren te openen, om kinderen tot iets anders uit te dagen, om nieuwsgierigheid te wekken, om begrip te creëren. Als boekhandelaar heb je daar een toegevoegde waarde en kan je hen kennis laten maken met de boeken die iets anders te bieden hebben. Het zijn de verhalen met een twist, met onverwachte humor, met een originele insteek, met een onverwachte tederheid, verhalen die tot denken aanzetten. Of denk aan de boeken met niet-alledaagse creatieve illustraties, met een opvallende vormgeving. Boeken zoals die van Hervé Tullet, Oliver Jeffers, Brian Selznick en van talrijke auteurs en illustratoren van eigen bodem.

Het vraagt kennis, tijd en communicatie om met enthousiasme het ene na het andere boek te presenteren, te wijzen op bijzondere details. Maar er is geen groter compliment dan wanneer ouder en kind bereid zijn je enthousiasme te delen en voor dat soms onverwachte boek te gaan. Valt het helaas toch eens tegen, dan moet de zoektocht gewoon verder worden gezet want dat is juist het voordeel van het prachtige aanbod.

Het is bijna een missie om die openheid en diversiteit van lezen van jongs af aan kans te geven, bij voorkeur zelfs te stimuleren. Het zal bij kinderen de kijk op de wereld op een vanzelfsprekende manier breder maken, bewust of onbewust begrip opbrengen voor alternatieve samenlevingsvormen en bovendien het leesplezier bevorderen. En dat is toch wat we willen bereiken.

Iris Van Germeersch is historicus en kwam na enkele jaren werken bij internationale bedrijven, in het boekenvak terecht. Als boekhandelaar is ze gespecialiseerd in kinder- en jeugdboeken. Ze geeft regelmatig lezingen, zit in boekenjury’s en is bij tal van projecten betrokken. Ze was tot voor kort voorzitter van de Vereniging Vlaamse Boekverkopers en is co-oprichter van Boekentroef, een samenwerking van kinderboekhandels in Vlaanderen.

 

Boeken gaan over alles – Marita Vermeulen

Kinderen opvoeden, is kinderen zelfvertrouwen geven. Om te leren, te leven en te worden wie je wil zijn, heb je namelijk een flinke dosis zelfvertrouwen nodig. Het verwerven van kennis (mensenkennis, zelfkennis, feitelijke kennis…) geeft dat zelfvertrouwen een grote boost. Als uitgever van kinderboeken ervaar ik keer op keer dat boeken daarbij een excellent hulpmiddel kunnen zijn.

Boeken vormen een veilige en toegankelijke poort naar wat er in de wereld reilt en zeilt. Wie mee leeft, kijkt en deelt met de personages, leert hoe mensen zich tot elkaar verhouden en kan aftoetsen hoe hij/zij zich tot de ander wil verhouden. Je leest hoe verschillend mensen zijn en hoe boeiend die diversiteit is. Boeken leren je het verschil tussen eigenbelang en algemeen belang, tussen misprijzen en mededogen, tussen erkenning en afwijzing. Want boeken gaan over alles en kinderen willen alles weten.

Open deur, gesloten deur
Het thema van Jeugdboekenmaand 2017 roept bij volwassenen tegenstrijdige reacties op. “Jezelf zijn? Wat een betuttelend thema!” of “Genderproblemen, echt, moeten we kinderen daarmee lastigvallen?”. Van te makkelijk tot te moeilijk, van dit hebben we al gehad tot kamperen voor een gesloten deur. Als je zulke reacties krijgt, dan weet je dat organisator Iedereen Leest goed gekozen heeft. Dit thema lokt discussie uit en jonge lezers kunnen dergelijke discussies wonderwel aan. Als we goed naar hen luisteren, worden we er ook wijzer van. Maar laten we eerst samen met onze kinderen boeken lezen. Gesprekken lopen net iets vlotter als we een gezamenlijk uitgangspunt hebben. En vooral, laten we niet ruziën over de hoofden van kinderen heen, want dat is sowieso slecht voor het zelfvertrouwen.

Wie ben ik?
Als ik mijn kleindochter van 2,5 jaar vraag wie ze is, voegt ze aan voor- en achternaam zelfbewust het woord ‘meisje’ toe. Haar naam is voor haar net zo vanzelfsprekend als de erkenning dat ze een meisje is. Dat is niet voor elk kind even vanzelfsprekend en aan wie moet je je dan spiegelen, aan wie kan je aftoetsen wie je bent?
Als volwassenen schieten we daarin soms tekort. Ongewild en onbewust ondermijnen we het zelfbewustzijn van jonge kinderen wier existentiële zoektocht buiten de veilige lijntjes valt. We hoeven niet eens woorden te gebruiken. Een misprijzend mondje of een afkeurende blik zijn ook heel doeltreffend. Precies omdat we als volwassenen niet beseffen hoeveel we van onszelf prijsgeven in lichaamstaal, is het de moeite waard om vanuit boeken een gesprek aan te knopen met kinderen. En ons zo te laten verrassen (en verbijsteren) door wat ze over zichzelf en hun omgeving weten.

Bij het prentenboek Het lammetje dat een varkentje is vertelt de titel meteen hoe zelfbewust de hoofdfiguur is. Het gaat hier niet om een lammetje dat een varkentje wil zijn, maar om een lammetje dat, met dezelfde overtuiging waarmee mijn kleindochter zich voorstelt als meisje, aangeeft dat het een varkentje is. De auteur geeft aan dat het dier geen enkel probleem heeft met zijn identiteit. Het zijn de anderen die in de war geraken. Zij gaan af op de buitenkant: ze zien een lammetje en dus is het een lammetje. Alsof binnen- en buitenkant per definitie naadloos samenvallen. De boer is een liefdevolle man, hij wil het lammetje beter maken en trekt naar de dierenarts die zonder omhaal vaststelt dat het lammetje heus een varkentje is. En als de boer na dit advies het varkentje laat zijn wie het is, blijft het vrolijk zichzelf. De boer is in dit verhaal het rolmodel; als hij het varkentje accepteert, zal iedereen op de boerderij dat na verloop van tijd ook doen. Een heel eenvoudig verhaal dat glashelder aangeeft dat je leefomgeving je niet wezenlijk kan veranderen, maar dat samenleven een stuk makkelijker en feestelijker is als we elkaar gewoon nemen zoals we zijn.

Gewoon bijzonder?
We scheppen zo graag op over hoe bijzonder en uitzonderlijk onze kinderen zijn. Maar als onze kinderen laten weten dat ze echt afwijken van de middenmoot, gaan we ons zorgen maken. Het is immers al knap lastig om als doorsnee mens stand te houden in een complexe samenleving.
In Prinses Pompelien gaat trouwen geeft de partnerkeuze van de hoofdfiguur – ze wordt verliefd op een prinses – aanleiding tot afwijzing en scheldpartijen. Hoezo, woorden doen geen pijn? Woorden hebben een verpletterende kracht, en hoe vaker ze herhaald worden, hoe meer effect ze krijgen. De scheldpartijen kunnen de prinses niet veranderen, maar ze creëren wel een kloof tussen haar en de anderen. En aan beide kanten van de kloof slaat de eenzaamheid toe.

De koning en de koningin staan voor een dilemma: hun dochter dwingen om aan hun verwachtingen te voldoen of hun dochter accepteren en koesteren zoals ze is. Ze kiezen ervoor om hun dochter en toekomstige schoondochter te omhelzen. En omdat de koning en koningin een voorbeeldfunctie hebben, krijgt hun keuze navolging: de spanning ebt weg, de focus op wat anders is, verschuift naar wat verbindt.

Moeten we kinderen lastig vallen met zo’n thema, vragen bezorgde opvoeders. Het verrassende is dat kinderen bij het lezen van dit verhaal niet zozeer aandacht hebben voor de liefde tussen de prinsessen, als wel voor de conflicten die uit de situatie voortvloeien. Auteur Brigitte Minne vertelde dat kinderen zich vooral zorgen maken over de lelijke woorden en over wat die doen met het gezin. ‘Als de ouders nu maar niet gaan scheiden!’ ‘Van lelijke woorden krijg je buikpijn!’

Het talent van kinderen om naar de essentie te gaan, is groot. Dat is iets waarmee we als volwassenen in onze verbale en non-verbale communicatie rekening moeten houden. Dus laten we kinderen hier vooral mee lastigvallen! Ze zijn ermee gebaat om te leren hoe anderen conflicten oplossen, ze zijn ermee gebaat om te leren dat mensen hun verwachtingen moeten bijstellen en hier en daar wat water bij de wijn moeten doen.

Leren leven
Hoe meer je leeft en leest, hoe meer kennis je vergaart, hoe creatiever je met problemen kunt omgaan. Bovendien krimpen problemen vaak als je uitzoekt hoe de vork echt aan de steel zit.
Kinderen willen graag dat hun familie en vrienden gelukkig zijn. Ze dragen gul oplossingen aan als ze merken dat iemand verdriet heeft. Om met goede oplossingen te komen, moet je natuurlijk het verdriet en de persoon die verdriet heeft enigszins kunnen inschatten. Bovendien kunnen kinderen, net als volwassenen, niet anders dan denken vanuit wat ze al kennen en ervaren hebben.

In Siebe wil een papa kopen wordt dit gegeven mooi en vanzelfsprekend aangekaart.
Siebes vriendin Mette heeft geen papa. Mette vertelt dat er daardoor een leegte is in haar leven en in dat van haar mama. Siebe beslist dat hij Mette een papa moet bezorgen en hij gaat geen uitdaging uit de weg om dat doel te bereiken. Hij staat wat verbouwereerd te kijken als Mettes mama niet voor een papa kiest maar voor een tweede mama. ‘Vind je het fijn?’ vraagt hij Mette. Wanneer Mette opgetogen reageert, is het voor Siebe dik oké. Geen zuinig mondje, geen misprijzen. Er was een probleem en als dat probleem is opgelost, gaat het leven vrolijk verder.

De lezer ervaart met Siebe dat je een verwachtingspatroon kan bijstellen en dat een gezin compleet is als iedereen er zijn plek in vindt. Auteurs kunnen hun leespubliek goed inschatten. Ze weten door hun vele lezingen en gesprekken met kinderen hoe open die op verschillende situaties reageren. Hoe komt het toch dat die open blik met de jaren vernauwt?

Vooroordelen kan je aanleren
Hoe ouder kinderen worden, hoe meer ze de normen en waarden van hun opvoeders overnemen. Hun reacties op hun omgeving zullen steeds vaker gelijklopen met die van hun volwassen rolmodellen. En laten we ons niets wijsmaken, kinderen doen niet zozeer wat we hun zeggen dat ze moeten doen, kinderen doen wat wij doen. Vooroordelen kunnen net zo zorgvuldig worden ondergraven als aangeleerd.

In Gelukkige vaderdag, Silvie draagt de vader van Zita steeds vaker vrouwenkleren en hij laat zich Silvie noemen. Zita vindt het vreselijk dat haar vader anders is en de pesterijen die ze moet ondergaan, versterken haar verdriet en eenzaamheid. Als Zita’s vriend Ferre er achter komt wat Zita kwelt, wil hij haar helpen. Hij gaat niet alleen af op wat hij ziet en op wat ogenschijnlijk doorsnee en acceptabel is. Nee, hij verdiept zich in het onderwerp gender. Hij komt erachter dat de wereld veel ingewikkelder in elkaar zit dan hij dacht. Tussen zwart en wit zitten vele tinten grijs, net zoals er tussen mannelijk en vrouwelijk ook vele varianten zitten. Ferre kan met zijn kennis pestkoppen niet meteen op andere gedachten brengen, maar hij en Zita worden er wel sterker en weerbaarder van.

De Wonderfluit, een lagere school in Gent, maakte met dit boek als basis een voorstelling over man/vrouw-patronen. De kinderen speelden niet alleen, ze dachten en schreven actief mee aan de voorstelling. Tekst en spel ontroerden de toeschouwers door hun openheid en inlevingsvermogen. De kinderen blaakten van zelfvertrouwen en gingen na de voorstelling gesprekken aan over dit onderwerp. Ze bleken er zelf een behoorlijk genuanceerde mening op na te houden. Ze dachten niet dat je lesbisch werd van lezen over een lesbienne of dat je na het lezen over een transgender meteen van geslacht wou veranderen. Wat bleef plakken na het lezen van dit verhaal was: wees gewoon wie je diep vanbinnen bent, anders word je heel erg ongelukkig.

Ik was oprecht verbaasd dat de school zo open en creatief met dit onderwerp aan de slag ging. Omdat vooroordelen mij helaas niet vreemd zijn, merkte ik wat stekelig op dat zoiets toch wel makkelijk was als je school bevolkt werd door kinderen met ouders die een brede kijk op de samenleving hadden. ‘Wij krijgen net als andere scholen kinderen uit de buurt. Wij stellen voorop dat iedereen zichzelf moet kunnen zijn. Als de kinderen hier een tijd school lopen, merken de ouders vanzelf hoe goed ze gedijen. Hoe hun zelfvertrouwen groeit. Na een tijdje ondersteunen de ouders onze visie en aanpak,’ merkte de directeur glunderend op. Directeur en leerkrachten vormen een hechte ploeg en hun woorden, maar vooral hun houding, werden weerspiegeld in die van de leerlingen en … hun ouders.

Emoties achter slot en grendel
‘Wees maar gewoon jezelf.’ We spreken dat zinnetje zo vaak nonchalant en onnadenkend uit, maar we vergeten dat je behoorlijk dapper moet zijn om jezelf aan anderen te tonen. Want wie zichzelf toont, is kwetsbaar. Auteurs en illustratoren ondervinden dat elke dag. Ze schrijven en tekenen omdat ze niet anders kunnen. Ze vertellen verhalen die verteld moeten worden. Daardoor stellen ze zich kwetsbaar op. Ze incasseren regelmatig lelijke woorden, maar ze hebben geen keuze: ze kiezen te allen tijde voor een oprechte communicatie met hun jonge lezers. Niet alleen schrijven en tekenen ze verhalen die over alles gaan, ze knopen tijdens hun lezingen ook gesprekken aan met hun lezers en delen hun kennis en ervaring. Brigitte Minne zei na een slopende reeks lezingen: ‘Jonge mensen zijn zo interessant. Ze zien, weten en begrijpen zoveel. Hun empathie is even verbazingwekkend als hun veerkracht. En daar put ik de kracht uit om hen telkens het beste van mezelf te geven.’

Het beste van onszelf. We springen er soms ietwat zuinig mee om als een onderwerp ons ongemakkelijk maakt. Dan gaan we nukkig kamperen voor een deur die we zelf op slot houden, want wat daarachter ligt, is kwetsbaar en met twijfels bezaaid. Wie graag en vaak met kinderen over boeken praat, merkt dat kinderen liefdevolle leermeesters en tolerante mensen zijn. Ze wrikken met plezier de deuren open die wij zorgvuldig op slot houden, en ze zijn verdraaid goed in staat om een situatie of emotie in te schatten. Bovendien reiken boeken hen de woordenschat en inhoud aan om een zinvolle discussie te voeren. Echt waar, kinderen zijn geweldig goede en leergierige lezers en dus blijven wij – auteur, illustrator en uitgever – met plezier boeken maken die over alles gaan.

Marita Vermeulen was recensent jeugdliteratuur tot ze in 2005 als uitgever aan de slag mocht bij uitgeverij De Eenhoorn. In datzelfde jaar verscheen haar boek ‘Buiten de lijntjes gekleurd’ over de diversiteit, authenticiteit en kwaliteit die het werk van Vlaamse illustratoren kenmerkt. Zij geeft les over illustratie aan de Kask in Gent.

Het lammetje dat een varkentje is / Pim Lammers, illustraties Milja Praagman, De Eenhoorn, 2017 (vanaf 3 jaar)
Prinses Pompelien gaat trouwen / Brigitte Minne, illustraties Trui Chielens, De Eenhoorn, 2017 (vanaf 5 jaar)
Siebe wil een papa kopen / Moniek Vermeulen, illustraties Leen Van Durme, De Eenhoorn, 2011 (vanaf 6 jaar)
Gelukkige vaderdag, Silvie / Brigitte Minne, illustraties Isabelle Geeraerts, De Eenhoorn, 2017 (Vanaf 8 jaar)

Over vissen en mensen – Selm Wenselaers

Naar David Foster Wallace: De oude, wijze vis zwemt voorbij drie jonge visjes en zegt: ‘Goeiemorgen jongens, hoe is het water vandaag?’. De visjes kijken elkaar verbaasd aan en mompelen: ‘Wat is in godsnaam water?’

Zo is het ook met genderidentiteit. Het is voor de meeste mensen zo evident als water voor een vis, dat ze er zich geen vragen bij stellen. Ze zijn geboren als man en voelen zich ook zo. Of ze doen dat als vrouw. Daaruit volgt de eenvoudige conclusie dat mensen of man of vrouw zijn.

Ik voelde me lang als een vis op het droge. Ik was geen man, maar mijn spiegelbeeld probeerde me daar wel van te overtuigen. Geen man, dus moest ik wel een vrouw zijn, dacht ik. Vanbinnen. Het genderteam van het UZ Gent helpt mensen om zich beter te voelen bij hun spiegelbeeld. Maar wat zie je in de spiegel? Is je blik niet in grote mate bepaald door wat de meerderheid als normaal ziet? Wie kijkt er met je mee?
Ik zou een vrouw worden, een niet-man. Dat was het plan. Hormonen gaven een eerste zet. Ze veranderden mijn lichaam traag maar gestaag. Om niet alleen mezelf, maar ook de rest van de wereld te overtuigen, diende ik het genderspel mee te spelen. Om als vrouw te worden gezien, moest ik mijn bewegingen, stemgebruik en kledingstijl aanpassen. Ik lette erop dat ik geen te grote stappen zette, werkte met een logopediste aan een hogere stem en ging uit winkelen met vriendinnen. 
Toch voelde het niet juist. Alsof ik van de ene kast in de andere kroop. Nu moest ik aan een ander beeld beantwoorden, dat van de vrouw. Een beeld dat ik zelf had gevormd en dat ik aan mezelf oplegde. Pas langzaam kwam het inzicht dat ik niet hoef te kiezen. Simpelweg omdat er zoveel meer is dan enkel man of vrouw. Naast m en v is er ook x. Voor mij is x een restgebied, witruimte. Ik voel me er als een vis in het water.
Selm Wenselaers (1983) is historicus en werkt als programmator en dramaturg voor Frascati Theater. Hen woont in Amsterdam. 

Het gevaar van het lezen van een enkel verhaal: een pleidooi voor crossculture boeken – Chika Unigwe

Ik zou graag beginnen met mijn favoriete gedicht, “De blinde man en de olifant” van John Godfrey Saxe. Dit gedicht illustreert perfect wat ik het gevaar van het lezen van een enkel verhaal noem.

Er waren eens zes man uit Hindostan,
het opdoen van kennis zeer gezind
Ze gingen op zoek naar de olifant
(ook al waren zij allen blind)
met onderzoek zouden zij oordelen naar bevind.

De eerste liep naar de olifant
maar kwam opeens ten val
tegen de brede en stevige flank
en verklaarde meteen aan al:
‘loof de heer,
maar de olifant is als een wal.’

De tweede voelde aan een slagtand
en riep: ‘hé, maar neen, mijn heer,
wat is immers zo rond en scherp?
Voor mij is duidelijk maar al te zeer.
Dit wonder van een olifant is als een speer.

Nu kwam ook de derde naderbij,
greep bij toeval, als ware het een stang,
de kronkelende slurf,
en sloeg terstond een toon aan van belang:
‘Aha,’ sprak hij, ‘de olifant lijkt erg op een slang.’

Nu stak de vierde gretig zijn handen uit,
en voelde aan de knie,
‘Waar dit beest nog het meest op lijkt
is wel duidelijk,’ meende die;
‘Er kan geen twijfel over zijn
het is een boom die ik hier voor mij zie.’

De vijfde raakte toevallig aan het oor
en zei: ‘zelfs als de blik niet tot het daglicht reikt,
Is zonneklaar wat ik hier heb;
wat ik voel is zonder twijfelen geijkt,
Is dat dit wonder van een olifant op een waaier lijkt.’

Nauwelijks nog had de zesde overwogen
waar hij eens beginnen zou,
of hij voelde al de slingerende staart,
zwaaiend gaf deze hem een douw,
‘Ik zie het al,’ zei de man, ‘de olifant is als een touw.’

En aldus zetten de zes uit Hindostan zich aan een debat,
met luide stem en onverveerd,
ieder zei er het zijne van
en liet zich door de ander onbekeerd,
Allen waren weliswaar ten deel in het gelijk,
samen echter hadden zij het verkeerd.

We moesten dit gedicht uit ons hoofd leren in de kleuterschool. Tijdens de opendeurdag droegen we het voor aan onze ouders, wat eigenlijk meer een opdreunen van woorden was, zonder echt te begrijpen wat we zeiden. Het duurde vele jaren en ik moest het gedicht nog vaak herlezen, voor ik het zou appreciëren. Al die jaren las ik andere dingen. Ik moet 7 of 8 jaar oud geweest zijn toen ik mijn eerste boek voor volwassenen kreeg. Ik was een gulzige lezer en had ongeveer elk kinderboek gelezen dat ik kon vastkrijgen – voornamelijk boeken van Europese schrijvers, die alom vertegenwoordigd waren in de huizen van middenklasse kinderen zoals ik: de verhalen van Enyd Blyton, de sprookjes van de Gebroeders Grimm, enzovoort. De cultuur in die werelden kende ik niet, maar de gevoelens en drijfveren van de personages voelden vertrouwd, hoewel het altijd over blanke kinderen ging. En de verhalen eindigden altijd goed. Het boek dat ik nu kreeg, en waarvan ik mij de titel niet herinner, was geen kinderboek met een gelukkig einde. Het was geschreven door een blanke, christelijke evangelist wiens naam ik ook vergeten ben, en het ging over kwesties als kolonisatie, slavernij, ras en zonde.

Het boek ziet een zwarte huidskleur als een vloek. Het zou het teken zijn dat God aanbracht op Kaïn omdat die zijn broer had vermoord. Volgens het boek is de kolonisatie van Afrika niets meer dan de voortdurende straf van God. Het gaat nog verder en wordt nog ontstellender, zeker voor mij op die leeftijd: door de zware zonde van Kaïn zal geen enkele zwarte mens naar de hemel gaan.

Ik ben opgegroeid in een conservatief katholiek gezin. In onze woonkamer hing een gigantische afbeelding van een blonde Jezus met blauwe ogen. In de huizen van mijn vrienden hingen soortgelijke afbeeldingen. Ze varieerden lichtjes qua haarkleur en kleur van de ogen, maar Jezus was altijd en overal onmiskenbaar blank. Net zoals de engelen met hun donzen vleugels lange, zijdezachte haren en een witte huid hebben, en het enige zwarte personage in de bijbel de duivel is. Maar toch had ik altijd geloofd dat er – als ik maar goed leefde – ook voor mij een plekje zou zijn in de hemel. Mijn moeder steunde ons in dit geloof: om haar zeven kinderen op het rechte pad te houden, vertelde ze levendig over de hel. Toen ik las dat ik naar de hel zou gaan, en dan nog voor iets dat ik niet eens zelf gedaan had, kwam dat dus extra hard aan. Ik vond het ongelooflijk oneerlijk, maar voelde me compleet machteloos. Ik twijfelde op geen enkele manier aan de waarheid van het boek. Ik geloofde immers in de autoriteit van het geschreven woord, en daarbij bevestigde het boek wat ik in alle andere boeken gelezen had: de wereld bestond uit blank versus zwart. Blank was iets goeds, iets waar je naar streefde, en zwart was slecht. Mijn lot was bezegeld, wist ik nu. Ik kreeg er nachtmerries van, ik droomde dat de duivel me lachend achterna zat terwijl ik aan hem probeerde te ontsnappen. Na zo’n nachtmerrie was ik zelfs te bang om uit bed te komen. Aan mijn ouders zei ik er niets over. Het had geen zin. Ze zouden me niet kunnen troosten, want overal om me heen zag ik dat het boek gelijk had.

Ik zat op de basisschool toen, en omdat mijn ouders tot de middenklasse behoorden, werd ik naar een goede school gestuurd. In Nigeria, en in andere Afrikaanse landen die gekoloniseerd werden door Groot-Brittannië, betekende een goede school destijds (en misschien nu nog) een school waar je les kreeg in het Engels en waar je niet mocht spreken in je moedertaal. Deed je dat toch, dan werd dat gezien als een grote overtreding. Dat was zo op mijn school, en op vele andere scholen. Nigeria heeft meer dan 350 lokale talen, maar als je er daar één van sprak op school, dan werd je gestraft. Die straffen gingen van het betalen van een boete tot het verplicht overslaan van een maaltijd. Bwesigwe, een Oegandese schrijver, vertelt in een recent artikel over de praktijken in scholen in Oeganda. Als je daar betrapt wordt op het spreken van een moedertaal, moet je de hele dag een zak dragen. Hij schrijft ook hoe je op een bepaalde school een papier op je borst en rug gespeld krijgt als je deze overtreding begaat, met daarop de woorden “Ik ben een moedertaalspreker”. Zo’n leerling wordt dan uitgelachen door zijn medeleerlingen en door de leerkrachten.

Op school, tijdens de lessen sociale wetenschappen, leerden we dat de vrouw van een Britse administrateur ons land ‘Nigeria’ heeft gedoopt. We leerden dat de rivier Niger ontdekt is door de Europese ontdekkingsreiziger Mungo Park. Over de Nigerianen zelf leerden we dat ze als patriotten vochten voor de onafhankelijkheid. Het leek alsof Nigeria pas is beginnen bestaan toen de Engelsen ons in 1849 kwamen koloniseren. Alsof er voor die tijd alleen een grote leegte was. Dat is het gevaar van het lezen van een enkel verhaal. Niets van wat ik las, sprak het idee tegen dat ik ondergeschikt was aan de Duitse familie die in het appartement onder ons woonde. Niets  onderschreef het idee dat ook ik een personage in een boek kon zijn. Volgens een Igbo spreekwoord zullen verhalen van de jacht de jager altijd ophemelen, totdat de leeuwen leren om hun eigen verhalen te vertellen.

Gelukkig was een oudere, wijzere schrijver ondertussen begonnen met het herdenken van alles wat ik altijd vol overtuiging had geloofd. Hij begon zijn gedachten neer te schrijven en de verhalen van de leeuwen te vertellen. Die oudere, wijzere schrijver was Chinua Achebe. Niet lang nadat ik dat verontrustende boek waarvan ik mij de titel niet meer kan herinneren, had gelezen, legde het lot Chinua Achebe’s debuut op mijn pad. Een wereld valt uiteen heette het. Het was in 1958 één van de eerste boeken geschreven door een Afrikaanse auteur die gepubliceerd werden in het Verenigd Koninkrijk.

Een wereld valt uiteen vertelt het verhaal van een samenleving en een gemeenschap die volledig verstoord wordt door de komst van de blanke man.  De hoofdpersoon, Okonkwo, is een strijder, een trotse man, wiens leven geruïneerd wordt wanneer door de komst van de Engelse kolonisten twee samenlevingen botsen. Voor het eerst in mijn leven las ik dat de geschiedenis van mijn voorouders niet begon met de komst van de kolonisten, maar veel verder terugging. Dat ze leefden in een wereld die volledig op zichzelf stond, en die niet ergens anders bevestiging zocht. Voor het eerst las ik over de kolonisatie als over een indringer, en niet over iets waar ik dankbaar voor moest zijn. Achebe schrijft in de roman:

“De blanke man is slim. Hij kwam stil en vredevol met zijn religie. We waren geamuseerd door zijn dwaasheid en lieten toe dat hij bleef.  Nu heeft hij onze broeders voor zich gewonnen, en onze clan kan niet langer als eenheid optreden. Hij heeft een mes op de keel gezet van datgene dat ons samenhield en we zijn uit elkaar gevallen.” (144-5)

Een wereld valt uiteen lezen was als een spirituele ervaring. De kracht die ervan uitging was zo groot, dat ik de geschiedenislessen op school in twijfel begon te trekken. Ik begon in te zien hoe belachelijk het is dat iemand een volk dat al lang bestaat, een naam geeft. Of dat iemand een rivier “ontdekt” die niet alleen al lang bestaat, maar die ook al lang gebruikt wordt door de lokale bevolking. Ik begreep hoe tragisch het is iemand te straffen omdat hij zijn moedertaal spreekt, of me de hemel voor te stellen als een plek waar ik met mijn huidskleur niet in mag. Nu las ik over een wereld waarin ik, met alles wat bij mij hoort, genoeg was.

Er wordt gezegd dat Een wereld valt uiteen een reactie is op Heart of Darkness van Joseph Conrad, een boek waar Achebe onverbiddelijk voor is. In essays en interviews bekritiseert hij het omdat het Afrikanen reduceert tot het verlengde van de vijandige jungle waarin de hoofdpersonages zich bevinden. Ze worden voorgesteld als wilden die hooguit eenlettergrepige woorden uitstoten, als kwaadaardige wezens die fel constrasteren met de Europese goedheid. In een interview uit 1994 met The Paris Review zegt Achebe het volgende:

“Toen ik naar school ging en leerde lezen, kwam ik verhalen tegen over andere volkeren en landen. In een van mijn essays heb ik het over de zaken die me fascineerden. Dat waren vreemde dingen, zo was er iets met een Afrikaanse tovenaar die naar China trok om een lamp te vinden… Maar het fascineerde mij omdat deze dingen ver van mij af stonden. Ze leken me bijna bovenaards, of goddelijk. Toen ik ouder werd, las ik avonturenverhalen waarbij ik niet besefte dat mijn kant de kant van de wilden was. Instinctief koos ik partij voor de blanken. Zij waren oké! Ze waren volmaakt en intelligent. Niet zoals die anderen: die waren dom en lelijk. Geleidelijk aan leerde ik hoe gevaarlijk het is om geen verhalen te hebben die van jou zijn. Toen ik dat besefte, kon ik niet anders dan schrijver worden. Ik moest en zou die historicus zijn…”

Voor Achebe was de verovering en bezetting van Nigeria een onvergeeflijke misdaad. Hij was vastberaden om een rol te spelen bij het rechtzetten van die situatie. Als hij Nigeria niet kon bevrijden vanuit de politiek, dan zou hij haar het gevoel van eigenwaarde teruggeven via verhalen. Hij wou verandering teweeg brengen en hij begreep dat boeken die kracht hebben.

Na Achebe las ik de romans van Emecheta, Flora Nwapa en Martina Nwakoby. Romans bewoond door Afrikanen, verhalen waarvan ik wou dat ik ze had kunnen lezen toen ik ook Blyton en de gebroeders Grimm las.  Dan had ik, terwijl ik volop nieuwe culturen ontdekte, tegelijk het gevoel van zelfwaarde kunnen ontwikkelen dat je krijgt wanneer je jezelf herkent in een personage.

Toen ik naar België verhuisde en begon te schrijven, wou ik een historicus zijn, net als Achebe. Ik wou verhalen vertellen over mijn Afrika, omdat ik geconfronteerd werd met mensen die Afrika als een land zagen. Tegelijk wou ik het gesprek aangaan met andere Afrikanen, die zich misschien konden herkennen in mijn verhalen. Dat blijkt misschien nog het meest uit het eerste boek dat ik publiceerde in België, De Feniks.

Het ‘enkele verhaal’ betwisten is niet genoeg. Meer nog, het is nutteloos als niet tegelijk een waaier aan verhalen gepubliceerd en gelezen wordt. Alleen zo kan er iets veranderen. Vandaar mijn smeekbede voor intercultureel publiceren en intercultureel lezen. Met name jonge lezers geloven in de integriteit van het geschreven woord. Ze geloven dat wat geschreven is, waar is en niet gelogen. Daarom is het belangrijk om hen te laten kennismaken met boeken die hen niet alleen het gevoel geven ergens bij te horen, maar die hen ook personages tonen die verder van hen af staan maar met wie ze toch iets delen – iets algemeen menselijks. Boeken die de wereld openbreken en over culturen, landen en religies heen kijken. Want het is door te lezen, door breed en intercultureel te lezen, dat we de waarheden en vooroordelen die ons zijn aangeleerd in vraag kunnen stellen.

Een van de meest hoopvolle Igbo-spreekwoorden die ik ken, zegt dat de kip die naar voren scharrelt en naar achteren scharrelt, haar kinderen vraagt wat beter is. Het spreekwoord betekent onder meer dat de toekomst belangrijker is dan het verleden (of het heden). Het scharrelen is een vorm van schrijven, en je zou kunnen zeggen dat de kinderen van de kip hun antwoord lezen in haar veelvuldig gescharrel. Om effectief tot een betere toekomst te komen, om tot een wereld te komen waarin iedereen – ongeacht ras, opleiding, seksuele oriëntatie, religie, etniciteit – gerespecteerd wordt, moeten we vandaag de fundamenten leggen. Laten we uitgeverijen aanmoedigen om boeken over ‘anderen’ te publiceren. Laten we onze kinderen boeken aanbieden die over ‘anderen’ gaan. Laten we een generatie opvoeden voor wie empathie iets natuurlijks is. De wereld heeft er nood aan, misschien nu meer dan ooit.

Chika Unigwe is een Nigeriaanse auteur en doctor in de Literatuur. Ze schrijft boeken, kortverhalen en essays. Ze heeft lang in Turnhout gewoond maar woont nu in de VS.