Over vissen en mensen – Selm Wenselaers

Naar David Foster Wallace: De oude, wijze vis zwemt voorbij drie jonge visjes en zegt: ‘Goeiemorgen jongens, hoe is het water vandaag?’. De visjes kijken elkaar verbaasd aan en mompelen: ‘Wat is in godsnaam water?’

Zo is het ook met genderidentiteit. Het is voor de meeste mensen zo evident als water voor een vis, dat ze er zich geen vragen bij stellen. Ze zijn geboren als man en voelen zich ook zo. Of ze doen dat als vrouw. Daaruit volgt de eenvoudige conclusie dat mensen of man of vrouw zijn.

Ik voelde me lang als een vis op het droge. Ik was geen man, maar mijn spiegelbeeld probeerde me daar wel van te overtuigen. Geen man, dus moest ik wel een vrouw zijn, dacht ik. Vanbinnen. Het genderteam van het UZ Gent helpt mensen om zich beter te voelen bij hun spiegelbeeld. Maar wat zie je in de spiegel? Is je blik niet in grote mate bepaald door wat de meerderheid als normaal ziet? Wie kijkt er met je mee?
Ik zou een vrouw worden, een niet-man. Dat was het plan. Hormonen gaven een eerste zet. Ze veranderden mijn lichaam traag maar gestaag. Om niet alleen mezelf, maar ook de rest van de wereld te overtuigen, diende ik het genderspel mee te spelen. Om als vrouw te worden gezien, moest ik mijn bewegingen, stemgebruik en kledingstijl aanpassen. Ik lette erop dat ik geen te grote stappen zette, werkte met een logopediste aan een hogere stem en ging uit winkelen met vriendinnen. 
Toch voelde het niet juist. Alsof ik van de ene kast in de andere kroop. Nu moest ik aan een ander beeld beantwoorden, dat van de vrouw. Een beeld dat ik zelf had gevormd en dat ik aan mezelf oplegde. Pas langzaam kwam het inzicht dat ik niet hoef te kiezen. Simpelweg omdat er zoveel meer is dan enkel man of vrouw. Naast m en v is er ook x. Voor mij is x een restgebied, witruimte. Ik voel me er als een vis in het water.
Selm Wenselaers (1983) is historicus en werkt als programmator en dramaturg voor Frascati Theater. Hen woont in Amsterdam. 

Het gevaar van het lezen van een enkel verhaal: een pleidooi voor crossculture boeken – Chika Unigwe

Ik zou graag beginnen met mijn favoriete gedicht, “De blinde man en de olifant” van John Godfrey Saxe. Dit gedicht illustreert perfect wat ik het gevaar van het lezen van een enkel verhaal noem.

Er waren eens zes man uit Hindostan,
het opdoen van kennis zeer gezind
Ze gingen op zoek naar de olifant
(ook al waren zij allen blind)
met onderzoek zouden zij oordelen naar bevind.

De eerste liep naar de olifant
maar kwam opeens ten val
tegen de brede en stevige flank
en verklaarde meteen aan al:
‘loof de heer,
maar de olifant is als een wal.’

De tweede voelde aan een slagtand
en riep: ‘hé, maar neen, mijn heer,
wat is immers zo rond en scherp?
Voor mij is duidelijk maar al te zeer.
Dit wonder van een olifant is als een speer.

Nu kwam ook de derde naderbij,
greep bij toeval, als ware het een stang,
de kronkelende slurf,
en sloeg terstond een toon aan van belang:
‘Aha,’ sprak hij, ‘de olifant lijkt erg op een slang.’

Nu stak de vierde gretig zijn handen uit,
en voelde aan de knie,
‘Waar dit beest nog het meest op lijkt
is wel duidelijk,’ meende die;
‘Er kan geen twijfel over zijn
het is een boom die ik hier voor mij zie.’

De vijfde raakte toevallig aan het oor
en zei: ‘zelfs als de blik niet tot het daglicht reikt,
Is zonneklaar wat ik hier heb;
wat ik voel is zonder twijfelen geijkt,
Is dat dit wonder van een olifant op een waaier lijkt.’

Nauwelijks nog had de zesde overwogen
waar hij eens beginnen zou,
of hij voelde al de slingerende staart,
zwaaiend gaf deze hem een douw,
‘Ik zie het al,’ zei de man, ‘de olifant is als een touw.’

En aldus zetten de zes uit Hindostan zich aan een debat,
met luide stem en onverveerd,
ieder zei er het zijne van
en liet zich door de ander onbekeerd,
Allen waren weliswaar ten deel in het gelijk,
samen echter hadden zij het verkeerd.

We moesten dit gedicht uit ons hoofd leren in de kleuterschool. Tijdens de opendeurdag droegen we het voor aan onze ouders, wat eigenlijk meer een opdreunen van woorden was, zonder echt te begrijpen wat we zeiden. Het duurde vele jaren en ik moest het gedicht nog vaak herlezen, voor ik het zou appreciëren. Al die jaren las ik andere dingen. Ik moet 7 of 8 jaar oud geweest zijn toen ik mijn eerste boek voor volwassenen kreeg. Ik was een gulzige lezer en had ongeveer elk kinderboek gelezen dat ik kon vastkrijgen – voornamelijk boeken van Europese schrijvers, die alom vertegenwoordigd waren in de huizen van middenklasse kinderen zoals ik: de verhalen van Enyd Blyton, de sprookjes van de Gebroeders Grimm, enzovoort. De cultuur in die werelden kende ik niet, maar de gevoelens en drijfveren van de personages voelden vertrouwd, hoewel het altijd over blanke kinderen ging. En de verhalen eindigden altijd goed. Het boek dat ik nu kreeg, en waarvan ik mij de titel niet herinner, was geen kinderboek met een gelukkig einde. Het was geschreven door een blanke, christelijke evangelist wiens naam ik ook vergeten ben, en het ging over kwesties als kolonisatie, slavernij, ras en zonde.

Het boek ziet een zwarte huidskleur als een vloek. Het zou het teken zijn dat God aanbracht op Kaïn omdat die zijn broer had vermoord. Volgens het boek is de kolonisatie van Afrika niets meer dan de voortdurende straf van God. Het gaat nog verder en wordt nog ontstellender, zeker voor mij op die leeftijd: door de zware zonde van Kaïn zal geen enkele zwarte mens naar de hemel gaan.

Ik ben opgegroeid in een conservatief katholiek gezin. In onze woonkamer hing een gigantische afbeelding van een blonde Jezus met blauwe ogen. In de huizen van mijn vrienden hingen soortgelijke afbeeldingen. Ze varieerden lichtjes qua haarkleur en kleur van de ogen, maar Jezus was altijd en overal onmiskenbaar blank. Net zoals de engelen met hun donzen vleugels lange, zijdezachte haren en een witte huid hebben, en het enige zwarte personage in de bijbel de duivel is. Maar toch had ik altijd geloofd dat er – als ik maar goed leefde – ook voor mij een plekje zou zijn in de hemel. Mijn moeder steunde ons in dit geloof: om haar zeven kinderen op het rechte pad te houden, vertelde ze levendig over de hel. Toen ik las dat ik naar de hel zou gaan, en dan nog voor iets dat ik niet eens zelf gedaan had, kwam dat dus extra hard aan. Ik vond het ongelooflijk oneerlijk, maar voelde me compleet machteloos. Ik twijfelde op geen enkele manier aan de waarheid van het boek. Ik geloofde immers in de autoriteit van het geschreven woord, en daarbij bevestigde het boek wat ik in alle andere boeken gelezen had: de wereld bestond uit blank versus zwart. Blank was iets goeds, iets waar je naar streefde, en zwart was slecht. Mijn lot was bezegeld, wist ik nu. Ik kreeg er nachtmerries van, ik droomde dat de duivel me lachend achterna zat terwijl ik aan hem probeerde te ontsnappen. Na zo’n nachtmerrie was ik zelfs te bang om uit bed te komen. Aan mijn ouders zei ik er niets over. Het had geen zin. Ze zouden me niet kunnen troosten, want overal om me heen zag ik dat het boek gelijk had.

Ik zat op de basisschool toen, en omdat mijn ouders tot de middenklasse behoorden, werd ik naar een goede school gestuurd. In Nigeria, en in andere Afrikaanse landen die gekoloniseerd werden door Groot-Brittannië, betekende een goede school destijds (en misschien nu nog) een school waar je les kreeg in het Engels en waar je niet mocht spreken in je moedertaal. Deed je dat toch, dan werd dat gezien als een grote overtreding. Dat was zo op mijn school, en op vele andere scholen. Nigeria heeft meer dan 350 lokale talen, maar als je er daar één van sprak op school, dan werd je gestraft. Die straffen gingen van het betalen van een boete tot het verplicht overslaan van een maaltijd. Bwesigwe, een Oegandese schrijver, vertelt in een recent artikel over de praktijken in scholen in Oeganda. Als je daar betrapt wordt op het spreken van een moedertaal, moet je de hele dag een zak dragen. Hij schrijft ook hoe je op een bepaalde school een papier op je borst en rug gespeld krijgt als je deze overtreding begaat, met daarop de woorden “Ik ben een moedertaalspreker”. Zo’n leerling wordt dan uitgelachen door zijn medeleerlingen en door de leerkrachten.

Op school, tijdens de lessen sociale wetenschappen, leerden we dat de vrouw van een Britse administrateur ons land ‘Nigeria’ heeft gedoopt. We leerden dat de rivier Niger ontdekt is door de Europese ontdekkingsreiziger Mungo Park. Over de Nigerianen zelf leerden we dat ze als patriotten vochten voor de onafhankelijkheid. Het leek alsof Nigeria pas is beginnen bestaan toen de Engelsen ons in 1849 kwamen koloniseren. Alsof er voor die tijd alleen een grote leegte was. Dat is het gevaar van het lezen van een enkel verhaal. Niets van wat ik las, sprak het idee tegen dat ik ondergeschikt was aan de Duitse familie die in het appartement onder ons woonde. Niets  onderschreef het idee dat ook ik een personage in een boek kon zijn. Volgens een Igbo spreekwoord zullen verhalen van de jacht de jager altijd ophemelen, totdat de leeuwen leren om hun eigen verhalen te vertellen.

Gelukkig was een oudere, wijzere schrijver ondertussen begonnen met het herdenken van alles wat ik altijd vol overtuiging had geloofd. Hij begon zijn gedachten neer te schrijven en de verhalen van de leeuwen te vertellen. Die oudere, wijzere schrijver was Chinua Achebe. Niet lang nadat ik dat verontrustende boek waarvan ik mij de titel niet meer kan herinneren, had gelezen, legde het lot Chinua Achebe’s debuut op mijn pad. Een wereld valt uiteen heette het. Het was in 1958 één van de eerste boeken geschreven door een Afrikaanse auteur die gepubliceerd werden in het Verenigd Koninkrijk.

Een wereld valt uiteen vertelt het verhaal van een samenleving en een gemeenschap die volledig verstoord wordt door de komst van de blanke man.  De hoofdpersoon, Okonkwo, is een strijder, een trotse man, wiens leven geruïneerd wordt wanneer door de komst van de Engelse kolonisten twee samenlevingen botsen. Voor het eerst in mijn leven las ik dat de geschiedenis van mijn voorouders niet begon met de komst van de kolonisten, maar veel verder terugging. Dat ze leefden in een wereld die volledig op zichzelf stond, en die niet ergens anders bevestiging zocht. Voor het eerst las ik over de kolonisatie als over een indringer, en niet over iets waar ik dankbaar voor moest zijn. Achebe schrijft in de roman:

“De blanke man is slim. Hij kwam stil en vredevol met zijn religie. We waren geamuseerd door zijn dwaasheid en lieten toe dat hij bleef.  Nu heeft hij onze broeders voor zich gewonnen, en onze clan kan niet langer als eenheid optreden. Hij heeft een mes op de keel gezet van datgene dat ons samenhield en we zijn uit elkaar gevallen.” (144-5)

Een wereld valt uiteen lezen was als een spirituele ervaring. De kracht die ervan uitging was zo groot, dat ik de geschiedenislessen op school in twijfel begon te trekken. Ik begon in te zien hoe belachelijk het is dat iemand een volk dat al lang bestaat, een naam geeft. Of dat iemand een rivier “ontdekt” die niet alleen al lang bestaat, maar die ook al lang gebruikt wordt door de lokale bevolking. Ik begreep hoe tragisch het is iemand te straffen omdat hij zijn moedertaal spreekt, of me de hemel voor te stellen als een plek waar ik met mijn huidskleur niet in mag. Nu las ik over een wereld waarin ik, met alles wat bij mij hoort, genoeg was.

Er wordt gezegd dat Een wereld valt uiteen een reactie is op Heart of Darkness van Joseph Conrad, een boek waar Achebe onverbiddelijk voor is. In essays en interviews bekritiseert hij het omdat het Afrikanen reduceert tot het verlengde van de vijandige jungle waarin de hoofdpersonages zich bevinden. Ze worden voorgesteld als wilden die hooguit eenlettergrepige woorden uitstoten, als kwaadaardige wezens die fel constrasteren met de Europese goedheid. In een interview uit 1994 met The Paris Review zegt Achebe het volgende:

“Toen ik naar school ging en leerde lezen, kwam ik verhalen tegen over andere volkeren en landen. In een van mijn essays heb ik het over de zaken die me fascineerden. Dat waren vreemde dingen, zo was er iets met een Afrikaanse tovenaar die naar China trok om een lamp te vinden… Maar het fascineerde mij omdat deze dingen ver van mij af stonden. Ze leken me bijna bovenaards, of goddelijk. Toen ik ouder werd, las ik avonturenverhalen waarbij ik niet besefte dat mijn kant de kant van de wilden was. Instinctief koos ik partij voor de blanken. Zij waren oké! Ze waren volmaakt en intelligent. Niet zoals die anderen: die waren dom en lelijk. Geleidelijk aan leerde ik hoe gevaarlijk het is om geen verhalen te hebben die van jou zijn. Toen ik dat besefte, kon ik niet anders dan schrijver worden. Ik moest en zou die historicus zijn…”

Voor Achebe was de verovering en bezetting van Nigeria een onvergeeflijke misdaad. Hij was vastberaden om een rol te spelen bij het rechtzetten van die situatie. Als hij Nigeria niet kon bevrijden vanuit de politiek, dan zou hij haar het gevoel van eigenwaarde teruggeven via verhalen. Hij wou verandering teweeg brengen en hij begreep dat boeken die kracht hebben.

Na Achebe las ik de romans van Emecheta, Flora Nwapa en Martina Nwakoby. Romans bewoond door Afrikanen, verhalen waarvan ik wou dat ik ze had kunnen lezen toen ik ook Blyton en de gebroeders Grimm las.  Dan had ik, terwijl ik volop nieuwe culturen ontdekte, tegelijk het gevoel van zelfwaarde kunnen ontwikkelen dat je krijgt wanneer je jezelf herkent in een personage.

Toen ik naar België verhuisde en begon te schrijven, wou ik een historicus zijn, net als Achebe. Ik wou verhalen vertellen over mijn Afrika, omdat ik geconfronteerd werd met mensen die Afrika als een land zagen. Tegelijk wou ik het gesprek aangaan met andere Afrikanen, die zich misschien konden herkennen in mijn verhalen. Dat blijkt misschien nog het meest uit het eerste boek dat ik publiceerde in België, De Feniks.

Het ‘enkele verhaal’ betwisten is niet genoeg. Meer nog, het is nutteloos als niet tegelijk een waaier aan verhalen gepubliceerd en gelezen wordt. Alleen zo kan er iets veranderen. Vandaar mijn smeekbede voor intercultureel publiceren en intercultureel lezen. Met name jonge lezers geloven in de integriteit van het geschreven woord. Ze geloven dat wat geschreven is, waar is en niet gelogen. Daarom is het belangrijk om hen te laten kennismaken met boeken die hen niet alleen het gevoel geven ergens bij te horen, maar die hen ook personages tonen die verder van hen af staan maar met wie ze toch iets delen – iets algemeen menselijks. Boeken die de wereld openbreken en over culturen, landen en religies heen kijken. Want het is door te lezen, door breed en intercultureel te lezen, dat we de waarheden en vooroordelen die ons zijn aangeleerd in vraag kunnen stellen.

Een van de meest hoopvolle Igbo-spreekwoorden die ik ken, zegt dat de kip die naar voren scharrelt en naar achteren scharrelt, haar kinderen vraagt wat beter is. Het spreekwoord betekent onder meer dat de toekomst belangrijker is dan het verleden (of het heden). Het scharrelen is een vorm van schrijven, en je zou kunnen zeggen dat de kinderen van de kip hun antwoord lezen in haar veelvuldig gescharrel. Om effectief tot een betere toekomst te komen, om tot een wereld te komen waarin iedereen – ongeacht ras, opleiding, seksuele oriëntatie, religie, etniciteit – gerespecteerd wordt, moeten we vandaag de fundamenten leggen. Laten we uitgeverijen aanmoedigen om boeken over ‘anderen’ te publiceren. Laten we onze kinderen boeken aanbieden die over ‘anderen’ gaan. Laten we een generatie opvoeden voor wie empathie iets natuurlijks is. De wereld heeft er nood aan, misschien nu meer dan ooit.

Chika Unigwe is een Nigeriaanse auteur en doctor in de Literatuur. Ze schrijft boeken, kortverhalen en essays. Ze heeft lang in Turnhout gewoond maar woont nu in de VS.  

Mijn m/v/x-bril: meer dan één enkel verhaal – Jesse van de Kerckhove

We wonen in een gezellige buurt waar diversiteit standaard is. Alleenstaande moeders, nieuw samengestelde gezinnen, een buurjongetje van vier dat vrolijk Pools spreekt dankzij zijn mama. Twee lieve buurvrouwen die samen drie toffe kinderen grootbrengen. Onze buurmannen vind ik bijzonder omdat ze knappe muzikanten zijn en niet omdat ze samenwonen. En een andere buurman van 92 rijdt elke week met drie dames op leeftijd naar de supermarkt in de buurt.

Kortom, ik vind het niet moeilijk om door een M/V/X-bril te kijken. Dat dacht ik toch …
Begin december hoorde ik op een netwerkdag voor boekenjuffen An Stessens, medewerkster bij Iedereen Leest, spreken over het hoe en waarom van het thema van de Jeugdboekenmaand. (De lezing is nog altijd na te lezen op de website). Vooral de TED-talk van auteur Chimamanda Ngozi Adichie deed me nadenken over mijn ‘single story’.
En dan hoorde ik een juf zich afvragen of we het wel allemaal zo ingewikkeld moeten maken. “Gewoon een mama en papa en de kinderen. Kinderen geraken helemaal in de war met al die verschillende toestanden.” Ik schrok. Is dat zo? Maken we het kinderen moeilijk?

Wat voor mij vanzelfsprekend lijkt, heb ik kritisch proberen bekijken. Het is toch onze taak in het onderwijs om niet één verhaal te vertellen? Zet ik mijn M/V/X-bril genoeg op? Geef ik kinderen genoeg kansen om te ontdekken wie ze zijn? Ik merkte snel dat M/V/X meer is dan gender alleen.

Zelf een toneelstuk schrijven
Het afgelopen jaar hebben we bij Spoor 6 het boek De buik van meneer Hobbema van Ron Schröder en Marianne Busser herwerkt naar een theaterstuk voor kinderen van 2,5 tot 8 jaar. We gaven het stuk de naam De buik van Bill. De lezing van An Stessens was de aanleiding om ons scenario kritisch te herlezen, nu met een M/V/X-bril op.
Het hoofdpersonage Bill denkt dat er een kindje in zijn buik groeit omdat hij steeds dikker wordt. Bill koopt daarom in het winkeltje van zijn buurvrouw Tille speelgoed voor het kindje dat op komst is. Hij twijfelt of hij speelgoed voor een jongen of een meisje moet kopen. Uiteindelijk koopt hij van alles wat: “Een jongen of een meisje, het doet er niet toe.” Als Bill een flesje water niet open krijgt, geeft Tille er een flinke draai aan. En de vier poppen die we gebruiken om luiers te leren verversen, hebben alle vier een andere huidskleur. Dat ging gepaard met heel wat zoeken op internet, want gekleurde poppen zijn niet zomaar te koop in de speelgoedwinkel. Ten slotte moet buurvrouw Tille Bill uitleggen dat alleen vrouwen een kindje in de buik kunnen hebben, maar in ons lied over koetjes en kalfjes zingen we ook over families met twee mama’s of twee papa’s.
Zo hebben we de M/V-clichés met subtiele aanpassingen verholpen. Ze werden al opgemerkt door een volwassen toeschouwer die ons erover aansprak. Uiteindelijk hopen we gewoon dat alle kinderen zich kunnen herkennen in het verhaal of dat ze merken dat er altijd meer dan één mogelijkheid is.


Ook op school meer dan één enkel verhaal
In het zesde leerjaar gaf ik de opdracht om het boek Mansoor, of hoe we Stina bijna dood kregen te lezen naar aanleiding van de Week tegen Pesten. Vooraf stelde ik schrijver Bart Moeyaert voor en ik toonde zijn passage in Van Gils en gasten waar hij vertelt over zijn ervaring met pesten. Er kwam ook ter sprake dat hij getrouwd is met een man. Het verhaal is geschreven in de ik-persoon, een meisje dat niets liever doet dan trouwen met haar neefje. Maar tijdens het klasgesprek over het boek bleek dat een aantal kinderen dachten dat het ik-personage een jongen was. “Ah ja, juf, jij zei toch dat de schrijver een homo was.“ Of hoe snel een beeld wordt gevormd.

Naar aanleiding van de zwartepietenrel las ik in de derde graad Hoe mooi wit ik ben van Dolf Verroen voor. In het boek krijgt Maria een slaafje voor haar twaalfde verjaardag. Tot het einde van het boek wordt volgehouden dat het normaal is om een zwart slaafje te hebben dat je kan behandelen als een stuk vuil. Het boek schreeuwt onrechtvaardigheid uit, juist omdat het hoofdpersonage zelf niet beseft hoe fout ze denkt en doet. De kinderen werden er ongemakkelijk van. Nadien wisten ze heel goed waar de rel over Zwarte Piet vandaan kwam en wat racisme kan betekenen.

In het eerste leerjaar ga ik deze Jeugdboekenmaand zeker aan de slag met de reeks Agent en Boef van Tjibbe Veldkamp en Kees de Boer. Ik ben al jaren gek op deze boeken. Ik ben fan van Agent, van zijn schortje en zijn kookkunsten. Maar ook van de kwajongensstreken van Boef, die ook de meisjes in onze klas geweldig vinden. We bouwen dan een gevangenis van boeken in de klas. We bedenken een nieuw ontsnappingsscenario voor Boef, verkleden ons en spelen het na. Gegarandeerd wordt Agent en Boef voor alle jongens en meisjes het favoriete spel op de speelplaats! Zonder met de vinger te wijzen, doorprikken deze boeken clichés. Het zijn die zaadjes die we moeten planten bij onze kinderen.

Een moeilijk thema?
Verschillende leerkrachten zeiden me dat ze niet wisten hoe ze het thema moesten aanpakken, hoe ze ermee aan de slag konden gaan in de klas. Zelfs een bibliothecaresse zei me dat ze het dit jaar wel een heel moeilijk thema vond. Volwassenen hebben het duidelijk moeilijker met M/V/X dan kinderen.

Kies gewoon een boek dat je aanspreekt uit de geweldige suggestielijst op de website van de Jeugdboekenmaand. Boeken duiden dingen die je zelf niet uitgelegd krijg, soms makkelijker. Surf vervolgens verder op de gedachten en de ideeën van de kinderen en vergeet niet de M/V/X-bril op te zetten, bij jezelf en bij de kinderen.
Toen we op onze school de Jeugdboekenmaand gingen voorbereiden, vroegen we ons af hoe we de opening gingen aanpakken. Normaal laten we deze kans niet voorbij gaan om ons te verkleden en het thema met een aantal grappige scènes op de speelplaats te introduceren. Nu wilden we het cliché vermijden van de meester die zich als juf verkleedt, en andersom. Dus vertrokken we vanuit een goed boek dat geschikt is voor kinderen van 2,5 tot 12 jaar: Het lammetje dat een varken is van Pim Lammers en Milja Praagman.

In het zesde leerjaar hadden ze onmiddellijk na de voorstelling van het boek, een uitgebreid gesprek over transgenders. In het eerste leerjaar zijn ze vrolijk aan de slag gegaan met schapen en varkentjes knutselen. Tijdens de Jeugdboekenmaand zal Het lammetje dat een varken is doen wat alle goede boeken doen: kinderen laten kijken en denken vanuit andermans ogen en hoofd.

Of om het zoals Chimamanda Ngozi Adichie te zeggen: boeken kunnen ons meer dan ‘één enkel verhaal’ geven.

Jesse Van de Kerckhove combineert haar twee grote passies: theater en jeugdliteratuur. Van maandag tot woensdag gaat ze als boekenjuf van klas tot klas in vrije basisschool De Plein in Holsbeek om de kinderen te besmetten met de leesmicrobe. De andere dagen van de week speelt ze toneel bij jeugdtheater Spoor 6 of geeft ze workshops ‘Met boeken op de (theater-)planken’. Maar bovenal is ze mama van 3 dochters: een boekenwurm van 11 jaar en twee gretige luisterlezers van 7 jaar.

Stereotypen in kinderboeken – Vera Haket

In 2015 deed ik onderzoek naar rolpatronen in Nederlandstalige kinderboeken die in het voorgaande jaar het meest verkocht en meest geleend waren, of die een prijs hadden gewonnen. Voor het grootste deel waren dit boeken die recent waren gepubliceerd. Uit het onderzoek kwam naar voren dat de rolpatronen in veel kinderboeken nog behoorlijk stereotiep zijn.

Moeders en vaders

Moeders zorgen in kinderboeken voor man, kinderen en het huishouden, vaders werken buitenshuis, doen in het weekend leuke dingen (met de kinderen) en hebben hobby’s. Mannen die het huishouden doen zijn zeldzaam, net als vrouwen met een baan buitenshuis.

Vaak wordt er op een subtiele, impliciete manier duidelijk wat de normen en verwachtingen zijn. Er wordt bijvoorbeeld nergens gezegd dat vaders niets in het huishouden mogen doen, of dat dit een taak voor de moeder is. Maar in de boeken zie je geen illustraties van vaders die de was doen, en wel van moeders. Er wordt niet gezegd dat moeders niet mogen werken, en dat dit een taak van de vader is. Maar in de boeken wordt niet genoemd dat moeders aan het werk zijn, en wel dat vaders dat doen.

Meisjes en jongens

In de rollen van meisjes en jongens is de afgelopen jaren wel iets veranderd, vooral bij boeken voor kinderen onder de tien jaar. Daar zie je nu, in tegenstelling tot de jaren zeventig van de vorige eeuw, veel stoere en ondernemende meisjes, en bange en onzekere jongens. Kinderen, met name de hoofdpersonen, worden in veel boeken niet meer als ‘stereotiep meisje’ of ‘stereotiepe jongen’ voorgesteld. Tegelijkertijd is het merendeel van de hoofdpersonen in boeken voor kinderen onder de tien nog steeds mannelijk, hebben jongens vaker een zelfstandige hoofdrol en meisjes vaker een gedeelde hoofdrol, en zijn volwassen vrouwelijke hoofdpersonen in kinderboeken vrijwel onvindbaar, in tegenstelling tot volwassen mannelijke hoofdpersonen.

In boeken voor kinderen boven de tien is de situatie anders. Daar zie je steeds meer boeken die speciaal gericht zijn op meisjes, óf op jongens. Soms staat het op de kaft geschreven, ‘kleurboek voor jongens’, met draken, zwaarden en haaien of ‘kleurboek voor meisjes’, met bloemen, vogels en sieraden. Of er komt, na een boek dat vooral populair is onder jongens, zoals Leven van een loser, een ‘meisjesvariant’, zoals Dagboek van een muts. Gedragsalternatieven van meisjes en jongens lijken in deze boeken weer te worden beperkt. Meisjes houden zich in de boeken vooral bezig met hun uiterlijk, vriendschap, populair zijn en verliefdheid, terwijl jongens bezig zijn met sport, hobby’s, vriendschap, en soms ook een beetje met verliefdheid.

Relevantie

Goed, er zijn dus nog veel stereotypen in kinderboeken, net als in andere media. Maar wat maakt het uit? Kinderen willen gewoon een leuk verhaal lezen, en ze letten daarbij toch helemaal niet op dingen als stereotypen en rolpatronen?

Nee, daar letten de meeste kinderen inderdaad niet op. Maar dat betekent niet dat ze het niet signaleren. En, voor een deel, internaliseren. Het gaat deel uitmaken van hun beeld over hoe de wereld in elkaar zit. Ze denken er meestal niet bewust over na, maar vinden het vanzelfsprekend dat de beelden die ze steeds zien, weergeven hoe het hoort. Dat beïnvloedt ook de keuzes die ze zelf maken en de onderwerpen waar ze interesse in tonen of juist niet. En dat gaat best ver. Uit onderzoek blijkt dat genderstereotypen invloed hebben op allerlei keuzes die kinderen (en volwassenen) maken, zoals de muziekinstrumenten die ze bespelen, de boeken die ze voor zichzelf en anderen selecteren en het speelgoed dat ze uitkiezen. Beeldvorming die steeds terugkomt, beïnvloedt niet alleen het beeld dat mensen van anderen hebben, maar ook het beeld dat ze van zichzelf hebben, en de verwachtingen waaraan ze willen voldoen.

Meer diversiteit gewenst

Na het onderzoek sprak ik over de resultaten met anderen. Ik bleek niet de enige te zijn die kinderboeken vaak ‘omgekeerd’ voorlas, zodat een vrouw eens iets slims zei, een man eens getroost moest worden of een meisje eens dapper was. We begonnen ons steeds meer af te vragen waarom die ‘andere’ boeken er niet gewoon waren. En we besloten om een stichting op te richten, ‘Zo-ook’, die streeft naar meer diversiteit in kinderboeken. Niet alleen op het gebied van gender, maar ook bijvoorbeeld op het gebied van etniciteit, gezinsvormen, sociale achtergrond. Want ook op die vlakken is er op dit moment bijzonder weinig diversiteit in kinderboeken.

Wat willen wij met deze stichting? Wat zou volgens ons de ideale situatie zijn? En wat willen we niet? Om met het laatste te beginnen: we willen geen sturende invloed uitoefenen op de keuzes die kinderen later maken met betrekking tot studie, zorg en huishouden. Maar we willen wel laten zien dat er veel meer mogelijk is dan ze nu vaak voorgeschoteld krijgen. We hopen dat ze, door andere voorbeelden te zien, het idee krijgen dat het niet vanzelfsprekend is dat vrouwen verantwoordelijk zijn voor het huishouden en mannen voor het inkomen. Dat jongens het leuk mogen vinden om met hun uiterlijk bezig te zijn, en dat het prima is als meisjes elke ochtend het eerste kledingstuk dat ze tegenkomen uit de kast trekken. Dat meisjes gefascineerd mogen zijn door programmeren, biologie of een sport, en dat ook mogen laten merken. Dat jongens lief mogen zijn en een baan als verpleegkundige of onderwijzer als een serieuze optie zien. Dat gezinnen niet altijd bestaan uit een moeder, vader en kinderen. Dat, en nog veel meer. We hopen dat kinderen zich vrij gaan voelen om dingen uit te proberen en om hun interesses te volgen, zonder zich daarbij te laten beperken door gendernormen.

Vera Haket is een van de oprichters van stichting Zo-ook. Ze werkt daarnaast als zelfstandig schrijfster en onderzoekster.

 

Stop kinderen niet in een hokje – Sofie De Graeve

Tijdens de cadeautjesjacht in de kerstperiode stapte ik samen met mijn dochter een boekhandel binnen. Terwijl zij snuisterde in de jeugdboeken pufte ik even uit. Ik keek rond en zag rechts van me het “gouden boek voor meisjes” met roze achtergrond. Uiteraard in duo aangeboden met de blauwe tegenhanger voor jongens. Links sprong het “leesboek voor jongens” in het oog met stoere jongens op de kaft. Ook hier samen met het “leesboek voor meisjes” aangeprezen, maar dan wel met een andere cover vol vrolijke vriendinnen.

sofieblog1

sofie_blog2

De roze wereld van bekoorlijke prinsessen en de blauwe wereld van stoere helden duikt niet alleen op in de boekhandel. Stap een speelgoedwinkel binnen of blader door een speelgoedcatalogus en het is meteen duidelijk dat er meisjes- en jongensspeelgoed is. Jongen? Dan zijn er robotten, wetenschapskits en auto’s in de aanbieding. Meisje? Vast geïnteresseerd in parels, roze huishoudspullen of de nieuwste pop. Apartheid troef in speelgoedland. En wil je als jongen een pop, dan lijk je voorbestemd om homoseksueel te zijn. Bovendien is in de poppenwereld wit de standaard. Als er al poppen met een kleurtje zijn, dan worden ze gelabeld als “exotisch”.Niet alleen de kaft, ook de inhoudstafel verried een andere wereld. Jongens krijgen vooral verhalen over dino’s, voetbal, ridders en  spoken voorgeschoteld; meisjes over vriendinnen, prinsessen, liefde en pony’s. Treffend door mijn dochter samengevat als stoer versus lief.

sofie_blog3

Hoewel de opdeling van speelgoed in meisjes- en jongensspeelgoed niet nieuw is, neemt de tweedeling nog toe. Een mooi voorbeeld hiervan is Lego. Tot het begin van de jaren ’80 richtte Lego zijn reclame expliciet op zowel jongens als meisjes, onder het motto “the urge to create is equally strong in all children”. Meisjes en jongens lieten hun creativiteit los op dezelfde set legosteentjes en figuurtjes. Maar de laatste decennia maakt Lego meer en meer onderscheid. Denk aan de pastelkleurige reeks Lego Friends, expliciet gericht op meisjes met scènes zoals een schoonheidssalon of een boottrip naar de dolfijnen.

Waarom moeten we ons zo druk maken over stereotiep speelgoed of stereotiepe boeken? Precies al spelend en lezend verkennen kinderen de wereld rondom hen, ontdekken ze hun talenten en ontwikkelen ze hun vaardigheden. Daarom is het belangrijk dat kinderen experimenteren met een zo breed mogelijk gamma aan speelgoed, verschillende spelervaringen beleven en geconfronteerd worden met zoveel mogelijk diverse personages tijdens hun leesavonturen. Want speelgoed en boeken zijn niet neutraal. Wat leren de bij uitstek stereotiepe speelgoedcatalogi? Dat meisjes eerder bezig horen te zijn met hun uiterlijk, shoppen, huishouden en zorg, terwijl jongens vooral inventieve techniekers moeten zijn, actief en ondernemend. Op die manier worden kinderen van meet af aan in hokjes geduwd.

Speelgoed weerspiegelt vandaag vooral een traditioneel samenlevingsmodel, waarin vrouwen een zorgende rol opnemen en instaan voor het huishouden terwijl mannen beschouwd worden als avontuurlijk, creatief en ondernemend. Het is dan ook niet verwonderlijk dat zo weinig jongens kiezen voor zorgberoepen of meisjes een technische studiekeuze maken en de rolpatronen thuis zo onveranderlijk blijken. Speelgoed is uiteraard niet de enige oorzaak, maar duwt kinderen wel mee van jongs af aan in een bepaalde richting. Phumzile Mlambo Ngcuka, VN-directeur vrouwen, zei onlangs nog, op de Internationale Dag van Vrouwen en Meisjes in de Wetenschappen: “We moeten hoogdringend de plaatsen waar kinderen spelen, leren en opgroeien ontdoen van alle stereotypen”. Anders blijft het zo dat 6-jarige meisjes jongens slimmer vinden dan hun eigen seksegenoten, zoals onlangs nog uit een internationale studie bleek die in het toonaangevende wetenschappelijke tijdschrift Science gepubliceerd werd.

Een mentaliteitswijziging is nodig. Stereotypering is schadelijk en beperkt ontwikkelingskansen. Je zal maar het meisje zijn dat houdt van avontuur of techniek. Of de jongen die gecharmeerd is door de droomwereld van elfen en eenhoorns. En dat zijn geenszins uitzonderingen. Gelukkig maar! Laat de verbeelding aan de macht in die jonge lezershoofden met diverse personages die buiten de klassieke lijntjes kleuren en hen zo heel verschillende identificatierollen aanbieden om zich in te leven. En kleur moet ook meer zijn dan exotiek, maar gewoon deel van het dagelijks leven. Willen we kinderen optimale ontwikkelingskansen geven, dan moeten we ophouden met hen in hokjes te stoppen. Daar worden niet alleen zij, maar de hele samenleving beter van.

sofie_blog4

Daarom richtten Furia, Femma, Ella, VIVA-SVV, RoSa, Vrouwenraad en çavaria het actieplatform “Vrij Spel Kinderen Kiezen Wel” op. Het platform, dat intussen de steun heeft van de Gezinsbond, reageert tegen de opdeling in jongens- en meisjesspeelgoed en de stereotypering die zo in stand gehouden wordt. Vrij Spel Kinderen Kiezen Wel heeft een Facebookpagina waar nieuws en ervaringen gedeeld worden, sensibiliseert het publiek via straatacties en een methodiekenkoffer, beloont goede praktijken van speelgoedwinkels met een label en geeft advies. Meedoen? Deel je ervaringen op de Facebookpagina, ga op stap als mystery shopper of probeer de methodiekenkoffer uit.

 

Sofie De Graeve is woordvoerster van Furia (tot 2016 Vrouwen Overleg Komitee). Furia is een feministische denktank en actiegroep die ijvert voor een solidaire en meer gelijke samenleving. Sofie is ook één van de treksters van Vrij Spel Kinderen Kiezen Wel.