Reine de Pelseneer over haar favoriete gedicht

In de rubriek Het Mini-Interview antwoorden auteurs en illustratoren op één enkele vraag.
Naar aanleiding van Gedichtendag vroegen we Reine de Pelseneer naar haar favoriete gedicht.

*

rdepelseneerOp die vraag kan ik heel kort antwoorden: ik heb geen favoriet gedicht, en een favoriete dichter evenmin. Maar omdat allicht niemand wat aan dat antwoord heeft, probeer ik de vraag te herformuleren zodat ik wel een antwoord kan verzinnen: ‘Wat is op dit moment een van jouw favoriete gedichten?’ Ik duik eerst even de volwassenenpoëzie in. Een dichter die me al enkele jaren boeit, is Maria Barnas. In een interview omschreef ze goede poëzie ooit als “een strak gecomponeerde wankeling voor de geest”, een omschrijving waaraan haar eigen gedichten vaak perfect beantwoorden. Barnas creëert met schijnbaar eenvoudige woorden en zinnen hechte bouwsels van taal, waarin rake beelden, uitgekiende enjambementen en een treffend ritme de lezer uitnodigen om het gedicht telkens opnieuw tegen het licht te houden. Ze zet vaak regels neer die je paf doen staan, ze laat je aanvoelen in de plaats van te begrijpen, ze combineert verrassing en herkenbaarheid in één adem. In het gedicht ‘Te laat’ voeren de eerste regels je al onmiddellijk mee: “Ik fietste door een kalmte in de stad/ die langzaam huizen werd waarin mensen samen/ wonen toen de eenzaamheid achterop sprong […].” Eenzaamheid is zo’n woord dat het beste gedicht om zeep kan helpen, maar Barnas komt ermee weg, doordat ze van die eenzaamheid een haast tastbaar personage maakt.

Te laat

Ik fietste door een kalmte in de stad
die langzaam huizen werd waarin mensen samen
wonen toen de eenzaamheid achterop sprong

en zei ik rijd een stukje met je mee ik ga toch die kant uit.
Het komt niet uit zei ik. Ik moet nog een begin vinden
voor een brief. Tot ziens.

Ik schilde een rode appel en zag het bleke
vlees zo in zichzelf gekeerd staan op een bord
dat ik het niet kon eten. Stelde me de vrouw voor

die jij boven mij verkoos en bedacht een ander
land om in te kunnen wonen.
De eenzaamheid had elke stoel geprobeerd

en lag net in bed toen jij aanbelde.
Je zag er zo moe uit dat ik je binnen kon vragen.
Maar je had veel bij je. Koffers vol beweeglijke

woorden te groot en te zwaar om te dragen.
De man spreekt. Waarom laat je me er niet in
is er soms iemand binnen?

Nee lieg ik. Ik ben alleen. Ik tel hoeveel
leugens een mens in een deuropening kan vinden
en heb de indruk dat er iets ontbreekt.

Maria Barnas, uit Er staat een stad op (Uitgeverij De Arbeiderspers, 2007)

In poëzie voor kinderen ga ik graag op zoek naar een vlot en aanstekelijk ritme, naar taalspel en -plezier, naar een combinatie van humor en ernst, naar verwondering, en naar zo nu en dan een vleugje filosofie op kindermaat. Edward van de Vendel weet al die dingen te vatten in zijn Superguppie-gedichten. Wat ik hierboven schreef over verrassing en herkenbaarheid geldt voor Van de Vendel net zo goed. Het gedicht ‘Triangel’ loopt ritmisch lekker en rijmt leuk. Het doet je glimlachen, maar tegelijkertijd is het enigszins tragisch. En de slotzin is zo heerlijk dubbel.

Triangel

Bij muziekles krijg ik de triangel.
Zo’n ijzeren,
driehoekig ding.
Er zit een touwtje aan dat draait,
en hij doet pling.
Alleen maar pling.
We staan een kerstliedje te zingen,
dat over vrede gaat
en nu moet ik dus plingen,
nu dus.
Mis.
Te laat.

Triangelen is zielig.
Het zieligste dat er bestaat.
Vooral als je een jongetje bent
dat nergens op slaat.

Edward van de Vendel, uit De groeten van Superguppie (Querido, 2008)

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

You may use these HTML tags and attributes: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>