Landschappen

Hoeveel landschappen kan een mens meedragen? Veel, denk ik. Als ik mijn ogen sluit, zie ik de kale heivlakte achter mijn oudershuis: vaalbruin in de herfst, hagelwit als het had gesneeuwd, en in de lente pril groen want dan kregen de berken volop bladeren. Verderop lagen de dennenbossen in cirkels om het dorp heen. Je kon er urenlang lopen, alleen en van geen mens gestoord. Onder de dennen lag een tapijt van dorre naalden, en overal zag je afgekloven dennenappels, – het krioelde van de eekhoorns. En eksters, kraaien, kauwen, vlaamse gaaien, spechten, houtduiven: ze waren luidruchtig aanwezig toen ik een kind was in de Limburgse Kempen.

Later verhuisden we naar het Brabant van Jos de Haes die dichtte:

‘Tussen twee heuvelen van Brabant in
is de geschiedenis tot grond verteerd.
Geen steen, geen korrel of hij draagt een zin
een hand, een hart heeft zich aan hem bezeerd.’

Mijn Brabant is er een van golvend land onder bolle, witte wolken; van diepe holle wegen waar stemmen als vanzelf gesmoord gaan klinken; van hazen aan de kim, en korenvelden als immer bewegende zeeën. Brabant is wulps, is vruchtbaar, is als een moeder die een kind verwacht.

Weidser is het landschap in de Westhoek. Ooit reden fotograaf Walter De Mulder en ik rustig keuvelend richting Kemmelberg, tot Walter plots luid riep: ‘Stop! Stop! Kijk eens! Zie jij dat LICHT niet tussen de wolken?’ Hij zag het, zijn camera deed ‘klikklikklikklik’, wij stonden minutenlang zwijgend naar het wonderlijk spel van licht en schaduw te kijken, – ik was blij, ik had veel bijgeleerd. Ook in de Westhoek, al die soldatenkerkhoven, – ‘altijd iemands vader, altijds iemands kind’, zoals Vermandere zingt. Gaan we in september weer met vakantie, met Wijtschate als uitvalsbasis voor lange zwerftochten?

De Kempen, Brabant, de Westhoek, – allemaal goed en wel, maar wat doen we met het landschap van Breughel? Het Patjottenland dus, zoals het op de doeken van de oude meester staat geschilderd. Het land ook van Hubert van Herreweghen, die zo voortreffelijk de natuur observeert, met alles wat daarin aan adembenemends te gebeuren staat. Het land, zijn kindertijd, mensen met elkaar: je vindt het overal terug in zijn gedichten. Soms heeft hij genoeg aan vier regels, zoals deze:

Ik zie een jongen naast een meisje lopen,
hij kust haar en zij lacht om het geval.
Genadige dood! Ze kirren en zij hopen,
zij zien het kind nog niet dat hen begraven zal.

Landschappen, ze liggen opgeslagen op de harde schijf van ons geheugen. Eén klik is genoeg om ze op te roepen.

De zes vrouwen van Henry VIII

Leefdaal is een deelgemeente van Bertem, en daar wonen twee beroemde mensen: Piet Swerts en Bart Spanhove. Piet is beroemder dan velen weten. Zijn curriculum vitae bevat één lange lijst van grootse muzikale prestaties. Wikipedia meldt zuinig dat hij componist is, en eerste laureaat met grote onderscheiding van de ‘Lemmens-Tinel’-prijs voor compositie en piano. Ook staat erbij dat hij al twee keer het verplichte werk voor de Koningin Elisabethwedstrijd mocht componeren, en dat hij een ‘grootschalige opera’ schreef: ‘Les liaisons dangereuses’. Swerts doet natuurlijk nog veel meer, bijvoorbeeld verrukkelijke composities voor blokfluit schrijven bij het verhaal van ‘De zes vrouwen van Henry VIII’. Die blokfluiten werden vorige week vrijdag in de kerk van Leefdaal bespeeld door de virtuozen van ‘Vier op een rij’, het blokfluitkwartet dat in 1987 mede werd opgericht door Bart Spanhove. Bart en zijn kompanen spelen zich de longen uit het lijf, – niet te geloven met hoeveel brio ze hun instrumenten (in alle vormen, variaties en formaten) hanteren! Geen wonder dat het kwartet  – ook ‘Flanders Recorder Quartet’ geheten, wat in het buitenland makkerlijker in de mond ligt - al in meer dan vijfentwintig landen concerteerde, en een uitvalsbasis heeft in Amerika, Japan, Taiwan, Nederland, Duitsland, Frankrijk en Spanje. Geen kleine jongens, die blokfluitisten!

Samen speelden ze dus de muziek die Piet Swerts schreef bij het, door acteur Johan Luyckx geschreven en gespeelde verhaal in 26 scènes over de zes vrouwen van Hendrik de Achtste. Tjonge! Wat een bizar leven leidde die man! Luyckx vertelde zwierig en welsprekend, en je hoorde en zag de jachtscènes, oorlogstaferelen, folteringen, liefdesperikelen, en de vrolijke losbandigheid aan dat Engelse hof. Het vergt groot talent om de puzzel mooi te laten passen: het verhaal, de muziek en de vertolking daarvan, maar alles stukjes vielen quasi perfect op hun plaats. Hoed af!

Ik schrijf hierover omdat het zo plezierig is dat hoog getalenteerde mensen als Piet Swerts en Bart Spanhove zo graag en met zoveel overgave in hun eigen dorp musiceren. Piet vertrekt eerstdaags op uitnodiging naar Dallas in Texas, en Bart was de dag voor het concert net terug uit Taiwan. Maar vorige vrijdag was Leefdaal the place to be. Mooi toch?

Twee boeken van Henri

Ik koester twee boeken van Henri Van Daele: ‘We zouden samen naar Keulen gaan’ en ‘Ik was een meisje met grote ogen en een strik’. Het eerste is een roman over een vader en een zoon. Het is een sterk, ontroerend boek voor volwassenen. Henri verwachtte er veel van, maar de kritiek reageerde er nauwelijks op. Van Daele? Dat was toch die jeugdschrijver? Het heeft Henri altijd dwars gezeten. Ik weet het omdat hij het me zelf heeft verteld.

De eerste zin van het boek luidt: ‘Ik heb de ajuin geoogst’. Twee pagina’s verder schrijft Henri dat hij die zin “dagen heeft rondgedragen” en dat hij daar wanhopig van werd. “Als ik zinnen ronddraag zonder ze op te schrijven, ben ik ongenietbaar voor m’n omgeving. Dan loop ik diep ongelukkig door het leven. Ik zou willen beginnen maar ik kan niet. Ik begin te zoeken naar papier.” Wie schrijft, herkent dit.

Henri heeft lang genoeg naar papier gezocht om dit boek vol verlangen en melancholie te schrijven. Ik herlees de pagina’s waarin de zoon de vader vraagt of hij mee naar Keulen wil. “Keulen?” zei hij. Hij kon het niet geloven? ‘Moet je écht naar Keulen? En mag ik mee?” Hij mag mee naar waar de mensen Duits spreken en waar de straten naar 4711 ruiken. Hij vraagt hoeveel marken hij van de bank moet halen. Hij neemt er ineens genoeg, want ‘het is een sterke munt’. Dan schrijft Henri:

“…Hij liep met me mee tot op straat en terwijl ik wegreed, stond hij me met een gelukzalige glimlach na te kijken, z’n handen in de zakken, een beetje blozend. Die avond, toen hij ging kaarten, zei hij het tegen iedereen. Dat het nu vasstond, volgende week zou hij naar Keulen gaan. Als je er iets wou kopen, moest je alles met twintig vermenigvuldigen, gemakshalve met twintig. Diezelfde nacht is hij gestorven. Toen ik  hem vond, glimlachte hij nog.”

‘Ik was een meisje met grote ogen en een strik’ vertelt het verhaal van een bejaarde moeder met de ziekte van Parkinson. Henri noemt zijn boek “geen reportage maar een verhaal”. Je moet het langzaam lezen. Het begint met: “Als je handen volledig stil liggen in je schoot, dan komen de dromen. Niet eerder. En ook niet bij iedereen. Ik heb speciale handen. Hele speciale handen.” Zo wordt je, door de verteller Henri, het verhaal ingezogen. Tilly Stuckens van De Standaard noemde het “een aangrijpend boek over een moeder die tengevolge van haar ziekte veel van zichzelf bloot geeft zonder iets van haar waardigheid te verliezen.” Je moet als schrijver van goede huize zijn om zo ‘n verhaal te kunnen vertellen. Henri is van zeer goede huize. Grasduin maar tussendoor in ‘Een tuin om in te spelen’, vuistdik, vormvast en heel inspirerend. Je leest dan wat Henri zich herinnert uit de jaren 1954-1968, en, zoals geweten is, weet Van Daele dat allemaal feilloos te registreren.

Lezingen

 

Nog heel even en ‘t is weer een boekenweek van veertien dagen. Nu al haasten de kinderboekenschrijvers zich naar de scholen. Ik mocht vandaag naar Leopoldsburg. Toen het enkele weken geleden zo schrikkelijk stormde, stond Mol op het programma. Van vroeg in de morgen waarschuwden de  radiomensen: “Wie niet écht weg moet, blijft beter thuis!”. Tja. Ik moest echt, want in de Molse bib stonden de stoelen klaar, er was koffie/water naar keuze voor de schrijver, de kinderen hadden boeken gelezen en vragen voorbereid. Ook vanmorgen klonken onheilsberichten over spekgladde wegen, camions die de hellingen niet opkonden, belbussen die niet konden worden gebeld, and so on. Maar geen nood: Leopoldsburg zou worden bereikt, al moest het ùren duren. Al bij al ging het, naar omstandigheden, vlot. En ja, de kinderen van het vierde leerjaar – hoe aandachtig zijn die nog, en openhartig, en goed van de tongriem gesneden! – luisterden met rooie oortjes naar de schrijver. Ja, ze hadden véél boeken van hem gelezen, en ja, ze wilden véél vragen stellen. Ook de juf deed vrolijk mee. Las ze niet voor uit een boek van de schrijver tot nét voor hij binnenkwam? 

Heel opvallend is het, en heel bemoedigend, dat de lezingen (saai woord voor leuke gesprekken met kinderen) tegenwoordig haast altijd enorm goed worden voorbereid. Dat is ooit anders geweest. Ik herinner me, in de pioniersjaren van “gaan spreken op school”, een Brabants atheneum waar de onderwijzers de turnzaal hadden volgestouwd met pakweg 200 stoelen. Daarop zaten evenveel nerveuze, luidruchtige leerlingen te wiebelen. “Ik wens u veel succes, mijnheer” zei een van de onderwijzers, en hij vertrok met zijn collega’s naar het café aan de overkant van de school. Een moeilijk uur brak aan.

Schoollezingen zijn wellicht de beste vorm van leesbevordering. Niet alleen worden de kinderen vooraf doorgaans goed geïnformeerd over de schrijver en zijn boeken, vaak blijft de lezing ook nazinderen. Dat valt te merken aan het stijgend aantal uitleningen van boeken van de bezoekende auteur in de daaropvolgende dagen en weken. Bovendien zijn er in een groeiend aantal scholen (voor)leesouders aan het werk. Vaak zijn dat enthousiaste moeders, maar ook vaders trekken hun streng! Mijn goeie vriend Francis uit Galmaarden bijvoorbeeld, da’s een heel goeie voorleesvader! De mensen van Stichting Lezen mogen hem en al die andere anonieme leesbevorderaars wel heel dankbaar zijn.

Rijdend naar Leopoldsburg dacht ik aan Karel Verleyen die er niet meer is. Karel was een geboren verteller, – ik mis hem. Als ik zijn stem hoorde, dacht aan zijn vader Cyriel die vele jaren geleden in “De Bond” over kinderboeken schreef. Af en toe ging ik bij Cyriel thuis op ‘werkbezoek’. We praatten en overlegden over de rubriek die hij schreef, daarna las hij gedichten voor, van Gezelle en Rilke en anderen. We mogen hen niet vergeten, die Verleyens: Karel, Cyriel en ook Frans niet, de man die wellicht het mooiste journalistenproza schreef dat ooit werd gedrukt.

Sneeuw

SNEEUW! Ik haast me erover te schrijven voor we vergeten hoe hij er uitziet. Struinend door de velden zie ik hoe weifelend hij blijft liggen; overal klateren al dooibeekjes, het winterkoren blijft weerbarstig groen, de bomen hebben witte mutsen, de kraaien van Leefdaal zijn van het donkerste zwart zoals ze dat overal ter wereld zijn. Terug thuis blader ik in het vuistdik ‘Volledig dichtwerk’ van Gezelle (uitgave Lannoo), en vind op pagina 798 dit gedicht:

 Winterstilte

Een witte spree
ligt overal
gespreid op ‘s werelds akker;
geen mensch en is
men zeggen zou,
geen levend wezen wakker.

Het vogelvolk,
verlegen en
verlaten, in de takken
des perebooms
te piepen hangt,
daar niets en is te pakken!

‘t Is even stille
en stom, alhier
aldaar, en ondertusschen,
en hoore ik maar
het kreunen meer,
en ‘t kriepen van de musschen.

Op dezelfde pagina beschrijft Gezelle hoe zwart de bomen staan in de witheid van de sneeuw: …’Ze staan daar, als gekoolzwart en/ met teekenen geprent,/ als zwarte en zware staven, op/ een eindloos pergament’. In de toelichting schrijft de onvolprezen redacteur van het Verzameld Dichtwerk, Jozef Boets dat ‘gekoolzwart’ betekent ‘met houtskool zwart gemaakt’. ‘Staven’ zijn ‘letters’, en ‘pergament’ is ‘perkament’. Zo maakt Boets Gezelle toegankelijk voor al wie hem wil lezen, en er zijn duizend goede redenen omdat toe doen. Schrijvers moeten hem (her)lezen omdat hij zo een geweldige taalvirtuoos is. Oké, met een bril van 2007 op de neus zien we Gezelle als oerconservatief, verstard en al te onderdanig, zoals de wereld was waarin hij leefde. Maar als dichter was hij geniaal, en dat blijft hij. Geen wonder dat bloemlezer Gerrit Komrij, in ‘De Nederlandse poëzie van de negentiende en twintigste eeuw in 1000 en enige gedichten’, niet minder dan 10 van zijn gedichten opnam.

Vorig najaar volgden mij vrouw en ik een cursus van de ‘Universiteit Vrije Tijd’ van het Diestse Davidsfonds. Professor Johan Van Iseghem, die met een proefschrift over Gezelle promoveerde, sprak er vier keer twee uur lang over zijn boek ‘Gezelle als humorist’. Zelf noemde hij die titel een misverstand, (“uitgevers willen nu eenmaal korte, krachtige titels”). Gezelle is zoveel méér dan humorist en vlijmscherp satiricus, maar de prof toonde overtuigend dat hij dat OOK is, – naast de veelzijdige, lyrische dichter van natuur- en religieuze poëzie. Toen ik onze goede collega Edward van de Vendel bovenstaand gedicht als nieuwjaarsgroet stuurde, kreeg ik prompt een mailtje terug met de enhousiaste melding dat ook Edward het vuistdikke verzameld werk van Gezelle binnen handbereik heeft!

Tot slot, als toemaatje, een ‘rijmend volksraadsel’ over een… drijftol. Het zou geschreven zijn, zegt Jozef Boets, voor Hugo Verriest toen die 15 was:

 Timpe, tompe, terelink,
vliegt van hier na Derelijk,
vliegt van hier na Rompelschee,
koper kop en stalen tee;
wilt hij op zijn been niet staan,
‘k moete er met de zwepe op slaan;
Timpe, tompe, terelink.